|
Ik heb geen kantoor, ik ben een kantoor |
|
In de reclamewereld geldt ‘nieuw’ als een van de gemakkelijkste manieren om aandacht te trekken. Niemand zit op ‘oud’ te wachten. Nieuw kan een etiket zijn om het oude verkoopbaar te maken. Maar ‘nieuw’ heeft alleen een duurzame kans als het authentiek is. Echt nieuw is. Daar zitten vele kanten aan. Het nieuwe werken — flexibel in tijd en plaats — is in enkele opzichten het oude werken. Van voor de industriële tijd. De industriële arbeid was extreem plaats- en tijdafhankelijk. De agrarische arbeid was vooral seizoensafhankelijk en daartussendoor en omheen waren er de trekarbeid (de oudste vorm van uitzendwerk), het ambacht, dat vaak een werkplaats nodig had, en de handelsreizigers en marskramers. Al die arbeid bestaat nog steeds, al is zij vaak van vorm en kleur veranderd. Kenniswerk bestaat al langer, maar heeft recentelijk een hoge vlucht genomen. Zo is dertig procent van de Nederlandse beroepsbevolking hoogopgeleid. Veel kenniswerk is in essentie plaats- en tijdsonafhankelijk. De moderne ICT-technologie maakt van ‘naar je werk gaan’ een triviale bezigheid. Werken kan overal. Wat ik voor mijn werk nodig heb, is een computer, een verbinding met de wereld en ‘goede zin’. Dat laatste is geen luxe, maar een noodzaak. Hoe creatiever het werk, des te meer plezier een randvoorwaarde wordt. Ik ga niet naar het werk, maar aan het werk. Waar en wanneer dan ook. De tijd is relatief. Ik bewaar mijn boodschappen voor het vroege ochtendgloren of zend ze onmiddellijk, als ik weet dat ze mijn ontvangers in een andere tijdzone bereiken. Opvragen van informatie doe ik waar en wanneer het me maar uitkomt. Ik heb geen kantoor, ik ben een kantoor. Dag en nacht zijn voor de kosmopoliet die ik in mijn eigen beeld ben relatieve begrippen: de wereld is mijn dorp geworden. De meest normale openingsvragen via de mobiele telefoon zijn voor mij tegenwoordig: ‘Waar zit je?’ en ‘Hoe laat is het nu bij jou?’. Het nieuwe werken dat afwijkt van wat lange tijd normaal was, kan rekenen op drie soorten reacties. De early adopters (mensen met een iPad) zien het als een nieuwe kans, een belangrijke vernieuwing. De ‘burger met gezond verstand’ kijkt het nog even aan, om te zien wat ervan komt. En ten slotte zijn er de sceptici, die menen dat er niets nieuws onder de zon is met het nieuwe werken; het volk wil nu eenmaal steeds weer bedrogen worden, is hun stelling. Voor al deze reacties is genoeg aanleiding. De ene positie sluit de andere niet uit. In de meetkunde geldt de driehoeksmeting als de beste manier om te weten waar iets zich bevindt. De standaardopvattingen bij sociale verandering bieden invalshoeken om het fenomeen ‘het nieuwe werken’ nog scherper in kaart te brengen. Ze zijn onder te verdelen in drie soorten: enthousiasme, redelijke afweging (geen voordeel zonder nadeel) en ten slotte scepsis en wantrouwen. Enthousiasme. Het nieuwe werken kan werkers een gebalanceerd leven geven, de zorg voor kinderen rechtvaardiger en bevredigender verdelen, de productiviteit verhogen, de autonomie van werkers versterken, het milieu beschermen en kantoorkosten verlagen. De traditionele kantoorbaan negeert persoonlijke bioritmen en egaliseert die naar de grootste gemene deler. Zolang de machine de bewegingen bepaalt, is dat allemaal zo erg niet. De een zijn dip is de ander zijn bevlogen uur. Het maakt op de uitkomst niet zoveel uit. Als de prestaties persoonsafhankelijk worden, is het plotseling wel betekenisvol. Wie een ochtendmens in de avond vragen stelt, krijgt minder kwaliteit. En het is onverstandig om een avondmens in de ochtend een gunst te vragen. Balans en prestaties hangen met elkaar samen, voor wie op duurzame prestaties uit is. Fysiologisch is het nieuwe werken logisch, sociologisch ook. De zorg voor kinderen is vaak lastig te combineren met de negen-tot-vijfbaan. Het nieuwe werken ‘krult’ zich om de familieverplichtingen als een klimop om een boom. De nettowerktijd van het nieuwe werken is hoger, ook omdat de resultaten tellen en niet de bestede tijd. Wie het binnen de norm kan, is een vakvrouw die geluk heeft. Voor de anderen is de verlengde inspanning ‘de prijs van de vrijheid’. De gemeten productiviteitsstijging is bij experimenten tweecijferig en loopt in extreme voorbeelden in de richting van twintig procent. En dat tegen minder kosten. Elke werkgever gaat ervan kwispelen. Minder vierkante meters kantoor, minder reistijden en een fors lagere milieubelasting komen daar nog bovenop. En bovendien een hoge autonomie, die na een periode van gewenning leidt tot minder stress. Dat laatste is een dubieuze belofte. Waar de een de vrijheid als bevrijding ervaart, is ‘de uitsteller’ altijd aan het werk. Werk dat nog niet gedaan is, is — na de baas en de veeleisende klant — de grootste stressfactor. Je vraagt je niettemin af waarom we zolang gewacht hebben. Redelijke afweging. Laten we genuanceerd zijn. Het nieuwe werken zal het oude niet (volledig) vervangen, het zal leidinggeven nog complexer maken, samenhang nog lastiger bereikbaar, vervreemding verder vergroten, de kans op burn-out door al dat gedreven werk verder verhogen en ook nog eens nieuwe uitvallers creëren. Het oude werken is een gewoonte en gewoontes zijn profijtelijke routines, die hun nut telkens bewijzen. Het disciplineert, maakt voorspelbaar. We zijn ingespeeld op het werk en elkaar. Het oude werken is een relatief efficiënte cultuur, die profijtelijk is gebleken en wat je er ook van mag vinden: het werkt. De uitdagingen (lees: problemen) van het nieuwe werken mogen er zijn. Hoe geef je leiding aan mensen die zich meestentijds aan je zicht onttrekken, hoe voorzie je in de binding die elkaars aanwezigheid vooronderstelt, hoe schep je discipline als tijd en plaats en andere ijkpunten verdampen, hoe vermijd je grenzeloos werken dat gemakkelijk alle vrije tijd opsoupeert? Is het toeval dat schrijvers een schrijvershuisje huren en een routine bouwen rond het schrijven van een boek? De succesvolle nieuwe werkers bouwen als vanzelf veel ‘oud werken’ in hun nieuwe werken in. Er is een tijd en plaats voor alles. Een hoekje in huis, een plek bij de Coffee Company, de vaste rookpauze, het boodschappenuur, de tijd voor het eerste drankje. De achterkant van het nieuwe werken maakt duidelijk dat wij het paradijs niet gaan betreden. Scepsis en wantrouwen. De sceptici trekken de realisten (zij die de voorkant van het fenomeen van een achterkant voorzien) een brug verder en komen met conclusies die er niet bepaald om liegen. Er zijn twee soorten sceptici. Zij die in het nieuwe werken de zoveelste werkgeverstruc vermoeden en zij die het nieuwe werken zien als een vorm van oud werken. Vaak nemen na een periode van gevierde vrijheid nieuwe routines hun plek weer in. Toen in Utrecht de sluitingstijden van de cafés werden vrijgegeven, was het even ‘bal’, maar wie nu ’s nachts de binnenstad betreedt, merkt dat ze net als vroeger weer rond twee uur sluiten. Much ado about nothing. Wie het nieuwe werken invult langs deze drie lijnen krijgt als vanzelf een genuanceerd en complex beeld. In Oosterse termen: het is zoals het is. Het nieuwe werken komt niet. Het is er al. En straks overal. Na de boerderij, de fabriek en het kantoor staat nu de weg open naar de vrije ruimte. De legbatterijen van weleer maken plaats voor de vrije uitloop. We zijn deel van de geschiedenis, ook van deze. Ik bestel nu aan de voet van de Akropolis een glas wijn. Het is hier een uur later dan in Nederland, dus het kan. Harry Starren is directeur van opleidingscentrum de Baak. Met dank aan Marco Oostdijk en Jan van der Veer. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright) |