|
Niet minder slecht, maar goed |
|
Als de wind verkeerd stond, rook het twintig jaar geleden rondom de fabriek van kantoormeubelfabrikant Ahrend nog naar oplosmiddel. Maar een bedrijf dat zit ingeklemd tussen de dorpskern van Sint-Oedenrode, nabij Eindhoven, en de rivier de Dommel, en dat werkgelegenheid biedt aan veel mensen uit het dorp, heeft een natuurlijke neiging tot maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zo werden in de jaren negentig de stank- en lawaaioverlast opgelost en werd de productie milieuvriendelijker. Sinds 1994 worden de meubels ontworpen volgens het zogenoemde ecodesignprincipe, een ontwerpfilosofie waar bij het ontwerp al rekening wordt gehouden met recyling door een meubel te maken van herbruikbare materialen, die eenvoudig te demonteren zijn. Bovendien wordt sindsdien elk jaar minder energie verbruikt in de fabriek. Maar Roel van der Palen wil niet teveel stilstaan bij het verleden van Koninklijke Ahrend N.V., dat 1400 werknemers heeft en in 2008 een omzet van 274 miljoen euro boekte. Pratend over de ambities van het bedrijf maakt de boomlange businessdevelopmentmanager een grote cirkelbeweging met zijn rechterarm. De hand die uit de mouw van zijn smetteloze blauwe krijtstreep steekt, is zwart geworden; tijdens een wandeling door de fabriekshallen – oppervlakte: zo’n acht voetbalvelden – pakt hij af en toe een machineonderdeel dat zwart afgeeft. Die vuile handen kunnen zijn enthousiasme niet drukken. Met een stalen tafelpoot of een stoelframe in de hand vertelt Van der Palen over de stappen die Ahrend zet om duurzaam ondernemen in de komende tien jaar op een hoger plan te tillen. Het nieuwe toverwoord: cradle to cradle, een radicale opvatting over productontwikkeling, waarin alle onderdelen als grondstof kunnen dienen voor nieuwe producten. En om dat te illustreren, staat Van der Palen met zijn lange armen te zwaaien. ‘In 2020 willen we de keten volledig sluiten.’ In de praktijk betekent deze ontwerp-filosofie dat een product – pak ’m beet een bureaustoel, een auto of een schoen – aan het eind van zijn levensduur uit elkaar wordt gehaald. Biologische stoffen gaan de biosfeer in als compost, waarbij ze voedsel zijn voor planten. Andere stoffen gaan de zogenoemde technosfeer weer in, bijvoorbeeld als metaal om er hetzelfde product of een heel ander product van te maken: voedsel voor een fabriek om een nieuw product te maken. Cradle to cradle (van wieg tot wieg) is een alternatief voor de gangbare productiewijze waarbij producten uiteindelijk op een vuilnishoop terechtkomen, een praktijk die je ‘van wieg tot graf’ kunt noemen. De grondleggers van deze benadering – de Duitse chemicus Michael Braungart en de Amerikaanse architect William McDonough – hebben met tal van grote en minder grote bedrijven samengewerkt. Daarover schreven zij in Cradle to Cradle, hun boek uit 2002, dat in het Nederlands verscheen onder dezelfde titel. (Zie voor een boekfragment Ode 71, november 2004.) Sinds de VPRO in 2006 onder de titel Afval is voedsel een documentaire over Braungart en McDonough uitzond, hebben ook een aantal Nederlandse bedrijven zich bekeerd tot deze filosofie. Niet alleen Ahrend is geïnspireerd door cradle to cradle, maar er zijn ook vérgaande ambities bij een andere kantoormeubelfabrikant, Steelcase, en verder onder meer bij Desso (fabrikant van tapijttegels), Royal Mosa (tegelfabrikant), Van Houtum Papier (fabrikant van toiletpapier en papieren doekjes) en Van Gansewinkel (afvalverwerkingsbedrijf). Misschien zijn deze bedrijven zo enthousiast doordat cradle to cradle expliciet afstand neemt van de traditionele manier waarop bedrijven een bijdrage kunnen leveren aan het behoud van het milieu. Immers, milieubeleid wordt vaak bepaald door de vraag hoe de schadelijkheid kan worden teruggedrongen. Daarom voelt duurzaam productontwerp niet zelden als corvee, want het moet allemaal minder: minder energie, minder afval, minder productie, minder verkoop... Die opvatting, zo betogen Braungart en McDonough, remt de economie af. Volgens hun concept kan de economie blijven groeien zonder sprake van vervuiling – en dat spreekt aan, merken zij. In een van de ruime fabriekshallen van Ahrend, waar het ruikt naar machineolie en waar het onophoudelijke stampen van machines klinkt, staat een tastbaar voorbeeld van hoe cradle to cradle kan uitpakken. Van der Palen wijst op een ruim vijf meter hoge roestvrij-stalen kast, waarin een gebruikte archiefkast staat te druipen nadat die van alle lak is ontdaan. Zowel lak als archiefkast worden hergebruikt. Toch is het niet altijd eenvoudig om cradle to cradle te implementeren. Allereerst is er de onvermijdelijke weerstand tegen een nieuwe werkwijze die een eigen complexiteit met zich meebrengt. Rudi Daelmans herinnert zich nog hoe de mensen bij Desso, producent van tapijt en tapijttegels in Waalwijk, in 2008 wazig zaten te kijken toen de nieuwe filosofie werd gepresenteerd. ‘Ze gingen licht verward de deur uit’, zegt de director sustainability. Begrijpelijk ook, vindt hij, want de vergezichten van Braungart – gebouwen die energie produceren, stadsbussen die CO2 absorberen, verf die als zonnepaneel elektriciteit genereert, beton dat van kleur verandert om afhankelijk van de binnentemperatuur zonlicht te weerkaatsen of op te nemen, tapijt dat fijnstof opneemt en zorgt voor een gezonder binnenklimaat – zijn soms moeilijk voor te stellen. ‘Braungart schets een ideale wereld in 2050’, meent Daelmans. ‘Voor de mensen die het nu moeten doen, is dat moeilijk.’ En dan is er nog de lange weg om in het bezit te komen van het cradle-to-cradlecertificaat, uitgereikt door EPEA, het consultancybedrijf van Braungart, dat is gevestigd in Hamburg. Een bedrijf moet eerst een lijst maken van alle ingrediënten van alle stoffen die het gebruikt om het product te maken. ‘Het is een eye-opener hoeveel ongewenste stoffen in alledaagse producten zitten’, zegt Daelmans. In een tapijttegel, zo ontdekte hij, bleken al gauw honderdvijftig chemicaliën te zitten: alledaagse stoffen die gebruikelijk zijn in de industrie, maar die lang niet allemaal worden goedgekeurd door EPEA, dat de lijst bestudeert en aangeeft welke stoffen niet voldoen aan de normen en moeten worden vervangen. Die vervanging vergt een nauwe samenwerking met leveranciers. Zo zoekt Ahrend nog steeds naar een oplossing voor het probleem van de wieltjes onder de bureaustoelen. ‘Alles wat slijt, waardoor deeltjes – hoe klein ook – in de omgeving terechtkomen, zouden biologisch afbreekbaar moeten zijn’, zegt Van der Palen. En dat gaat niet, want de wieltjes worden gemaakt van nylon, een aardolieproduct. Ahrend zoekt hiervoor vervangende grondstoffen. De normen van EPEA gaan verder dan bedrijven gewend zijn. Daelmans geeft een voorbeeld: de waterzuiveringsinstallatie die Desso installeerde voor de fabriek in Dendermonde. Desso heeft water nodig in het productieproces, waar het wordt verontreinigd met verfstoffen. Daarom wordt het water al jarenlang gefilterd voordat het terug de rivier in gaat. Vroeger was het doel om aan de door de politiek gestelde milieunormen te voldoen, zodat er niet teveel gifstoffen de fabriek zouden verlaten. Maar Braungart stelde de vraag: ‘Wil je aan de norm voldoen of wil je goed zijn voor het milieu?’ Nu staat er een nieuwe zuiveringsinstallatie, waardoor het gezuiverde water net zo schoon is als het rivierwater. Een onderneming die de filosofie van cradle to cradle omarmt, zal haar bedrijfsvoering opnieuw moeten bezien. Ahrend is overtuigd dat in de komende tien jaar alles anders zal zijn. ‘Onze klanten zullen geen kantoorinrichtingen meer kopen,’ beweert Van der Palen, ‘maar een gebruikscontract afsluiten.’ Bij zo’n contract koopt een bedrijf geen kantoormeubelen, maar huurt het kantoorinrichtingen. Ahrend blijft zo eigenaar van de meubels en kan er dus zelf voor zorgen dat de cirkel wordt gesloten, omdat het volledige controle over de meubels heeft. Momenteel gaan er bij Ahrend immense rollen staal de fabriek in. Een machine, gevangen in een zeventig meter lange kooi, snijdt, ponst en buigt het staal tot frames van bureautafels of onderdelen van kasten, zodat er jaarlijks ongeveer honderdduizend bureaus en kasten uit de fabriekshallen in Sint-Oedenrode komen. In de toekomst zullen er volgens Van der Palen ook gebruikte kantoormeubelen en onderdelen de fabriek in gaan. Die zullen daar worden gedemonteerd tot biologisch afbreekbare stoffen, die terug in de natuur kunnen, en grondstoffen voor nieuwe meubels, die terug in het productieproces kunnen. Ook de fabriek van Desso zal in 2020 geheel anders werken – en er zelfs heel anders uitzien, beweert Daelmans. ‘We recyclen dan alle grondstoffen en wekken alle energie zelf op, bijvoorbeeld met biogas.’ Alle tegels die het bedrijf zal produceren, zullen uiteindelijk weer terugkomen. Klanten zullen geen tapijttegels meer kopen, maar huren. In de fabriek van de toekomst staan machines waar tegels in gaan en waar alle grondstoffen gescheiden uitkomen. Daelmans laat een zak met vermalen tegel zien: een mengelmoes van allerlei materialen die vaak nog aan elkaar zitten. Hiervan moet alles tot op materiaalniveau – van kleurstoffen tot garen – worden gescheiden. Voor sommigen klinkt cradle to cradle als een moderne benaming voor wat gewoon recycling is. Niet waar, zeggen Braungart en McDonough. Wat we tegenwoordig kennen als recycling is eigenlijk ‘downcycling’, beweren ze. Een afvalberg met verschillende soorten plastics – vaak vermengd met organische stoffen, metalen en gifstoffen – wordt dan omgesmolten tot producten van mindere kwaliteit, zoals verkeerspaaltjes. Wanneer deze versleten zijn, belanden ze definitief op een vuilnishoop. Niet verwonderlijk noemen Braungart en McDonough hun aanpak ‘upcycling’: producten voegen iets toe. Wanneer het even kan, zou een product schadelijke stoffen uit het milieu moeten halen. Zo droomt Braungart van elektrische bussen die niet alleen geen CO2-uitstoot hebben, maar die ook kunststoffen bevatten die fijnstof opnemen. Wanneer de bus op zijn thuisbasis terugkeert, kunnen deze kunststoffen eraf worden gewassen en worden gebruikt als grondstoffen voor andere producten. Al rijdende maken deze bussen de lucht dus schoner. McDonough, de architect, droomt op zijn beurt van gebouwen die met zonnepanelen en windmolens meer energie opwekken dan ze gebruiken. (Zie een uitgebreid portret van McDonough in Ode 42, december 2001/januari 2002.) In feite draaien Braungart en McDonough het oude adagium van milieubeschermers om: ‘we produceren en consumeren de aarde kapot’ verandert in ‘we produceren en consumeren de aarde schoon’. Het dilemma tussen economische groei en een beter milieu is een vals dilemma, zegt de cradle-to-cradlefilosofie. Het is niet of of, maar en en. Cradle to cradle wordt door velen gezien als een mooie, aansprekende term voor bestaand duurzaam beleid. Braungart, sinds kort verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, spreekt dit fel tegen. Volgens hem gaat het niet over duurzaamheid. ‘Duurzaamheid is saai’, zegt hij in een gesprek met Ode (zie het kader hiernaast). Cradle to cradle is volgens hem een fundamenteel andere benadering, waarin vernieuwing en groei vooropstaan. Toch is cradle to cradle nog meer dan dat. De filosofie neemt immers geen genoegen met milieuneutraal; een bedrijf moet milieuverbeterend zijn. Zo overweegt Desso om het dak op de fabriek te vergroenen, waardoor de biodiversiteit langs de snelweg wordt bevorderd. Boven op de kantoorgebouwen van Desso zijn tuiniers al bezig een aantal daken te bedekken met tuinaarde, om een groen dak te creëren. ‘Het vergt een totaal andere manier van denken’, zegt Daelmans. ‘Je moet niet denken in duurzaamheid, of in minder. Je moet denken: welke positieve bijdrage kan ik aan het milieu leveren?’ |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright) |