|
De nieuwe directeur |
|
Elke maand trekken studenten vanuit heel Noord-Amerika zich terug op een campus op Bainbridge Island, een ongerept stuk land van honderd hectare, gelegen op een tochtje met de veerboot vanuit Seattle. De campus straalt het gevoel uit van een new-agecommune. Fruit- en groentetuinen bloeien naast milieuvriendelijke gebouwen. Hergebruikt water stroomt door vijvers die wemelen van de planten, kikkers en vissen, en komt er aan de andere kant weer uit, schoner dan kunstmatig gezuiverd water. Het lijkt een plek waar je heengaat om de buitenwereld even te vergeten. Maar de bedrijfskundestudenten komen hier juist om de buitenwereld ingrijpend te -veranderen. Als leden van het Bainbridge Graduate Institute leren ze over hoe duurzaam ondernemen het traditionele bedrijfsleven op zijn kop kan zetten. De meeste studenten hebben een voltijdsbaan naast de avondcolleges die ze via de computer -volgen, en ze verzamelen zich eens per maand in Bainbridge voor intensieve, vierdaagse studieblokken. ‘Wanneer je naar Bainbridge komt, sluit je je aan bij een netwerk van duurzame professionals die innovatief willen zijn’, zegt Melissa Dingmon, hoofd toelatingen en een oud-studente van Bainbridge. ‘De studenten hier willen werken op een -manier die de behoeftes van mensen vervult door middel van producten en diensten zonder daarbij schade toe te brengen aan de gezondheid, de lokale gemeenschap en de aarde.’ Bainbridge, opgericht in 2002, beschouwt zichzelf als een baanbrekende duurzame MBA-opleiding. Andere opleidingen in de Verenigde Staten sloten zich al spoedig bij de beweging aan. Vandaag de dag biedt meer dan een handvol instituten een onderwijsprogramma aan gericht op groene MBA’s. Ook traditionele business-schools over de hele wereld leggen zich meer toe op duurzaamheid. Sommige hebben centra voor sociale innovatie opgericht; andere hebben specialisaties geïntroduceerd in ethiek en milieu. In Nederland hebben de Rotterdam School of Management, de Maastricht School of Management en Nyenrode Business University allemaal duurzaamheid tot een onderdeel van hun programma’s gemaakt. ‘Het is erg spannend om de energie te zien die overal wordt gestoken in het herontwerpen van het curriculum’, zegt Nancy McGaw, vice-directeur van het Business and Society Program van het Aspen Instituut, dat MBA-opleidingen aanmoedigt om sociaal en milieubewust rentmeesterschap te promoten. ‘We constateren dat universiteiten over de hele linie duurzaamheid omarmen. Het aantal vakken met sociale en milieugerelateerde inhoud neemt toe, terwijl die inhoud intussen steeds verfijnder lijkt te worden.’ En dat komt geen moment te vroeg. De afgelopen twee jaar heeft de ene na de andere financiële ineenstorting plaatsgevonden, van de hypotheekcrisis tot de wereldwijde recessie. Met de nog steeds kwetsbare wereldeconomie zijn topmensen uit het bedrijfsleven, experts en politici op zoek naar innovatieve oplossingen, precies het soort dat deze nieuwe lichting MBA’s graag implementeert. Tegen het midden van de jaren negentig hadden business-schools de onplezierige reputatie verdiend de rudimentaire organen van het hoger onderwijs te zijn: ze waren er nog wel, maar niemand wist nog precies wat hun functie was. De scholen letten op de toelatingsscores van de binnenkomende studenten en de salarissen van de uitgaande alumni, en boden in de tussentijd een voorspelbare opleiding in boekhouden en management. De groene MBA wilde hier verandering in brengen. Het idee is traditionele onderwerpen te integreren in een omgeving die een weerspiegeling is van modern ondernemen. Studenten komen niet langer uitsluitend om basisvaardigheden te leren of winstgevende contacten op te doen. Ze leren het thema duurzaamheid toe te passen in elk aspect van het ondernemen. ‘Voor ons gaat dit niet om het introduceren van zomaar een marginaal alternatief’, zegt Nicola Acutt, vice-decaan van de Presidio School of Management in San Francisco. ‘Het raakt de kern van zakendoen in de 21e eeuw. We bieden een curriculum aan dat ontworpen is om mensen te helpen leiding te geven met een veel breder stel vaardigheden en competenties, en om uitdagingen op een pragmatische en praktische manier aan te pakken.’ De Presidio School of Management is opgericht in 2003, kort nadat Bainbridge zijn deuren had geopend. Sindsdien hebben zo’n twaalf instituten hun voorbeeld gevolgd, met name in de Verenigde Staten, maar ook in Australië (Griffith Universiteit) en Groot-Brittannië (Norwich Business School, dat onlangs een MBA in Strategic Carbon Management introduceerde). Hoewel nog slechts enkele van deze programma’s zijn geaccrediteerd, heeft dat bedrijven er niet van weerhouden hun alumni in dienst te nemen. Duurzame MBA’s -hebben onderdak gevonden bij ondernemingen als Coca-Cola en speelgoedfabrikant Mattel. Anderen hebben hun eigen bedrijf opgezet. Kevin Maas zette zijn bij Bainbridge opgedane ervaringen om in het bedrijf Farm Power, een energiecentrale in de staat Washington die boerderij- en voedselafval recyclet tot elektriciteit. Jamie Simon gebruikte haar opleiding bij Presidio om haar werkgever Red Bull over te halen een nieuwe afdeling Duurzaamheid op te richten, waar ze nu leiding aan geeft. ‘Destijds was er geen duurzaamheidsafdeling en stond die ook niet op de planning’, zegt Simon. ‘Dat wil niet zeggen dat ze toen geen milieubewuste en sociaal verantwoorde dingen deden, het werd alleen niet vanuit één departement gecoördineerd. En als het gaat om het bepalen van doelen en indicatoren en het managen van je mondiale voetafdruk, is het juist erg belangrijk dat de structuur staat.’ Kevin Hagen studeerde in 2005 af aan Bainbridge en ging werken bij REI, de grootste retailer van buitensportartikelen in de Verenigde Staten, waar hij momenteel directeur maatschappelijk verantwoord ondernemen is. ‘In mijn ogen,’ zegt hij, ‘lopen MBA’s die anno 2009 zonder de basisvaardigheden en -competenties met betrekking tot duurzaamheid afstuderen vanaf het begin achter de feiten aan.’ Gretigheid om te veranderen behoort normaal gesproken niet tot de sterke punten van de academische wereld. Academici zijn beroepsmatig behoedzame mensen die even rigide zijn in hun denken als geworteld in hun vakgebied. Het was tegen deze achtergrond dat duurzame MBA-programma’s zich aan het begin van deze eeuw losmaakten van de gevestigde orde en instellingen oprichtten als Presidio en Bainbridge. Maar in de jaren daarna bleken traditionele business-schools van over de hele wereld verrassend ontvankelijk te zijn voor het idee van duurzaamheid. Een indicator daarvoor is het Beyond Grey Pinstripes-onderzoek, dat elke twee jaar business-schools rangschikt op basis van de mate waarin ze sociaal en milieubewust rentmeesterschap integreren in hun vakkenaanbod en faculteitsonderzoek. Toen het onderzoek van start ging in 1998, was het nog moeilijk genoeg scholen te vinden die goed scoorden. Tegenwoordig is het een uitdaging om de winnaar te bepalen, juist omdat zoveel business-schools zoveel duurzamer zijn geworden. ‘Bij managementopleidingen zien we een steeds genuanceerder begrip van wat rentmeesterschap nu precies inhoudt’, zegt McGaw van het Aspen Instituut, dat het onderzoek uitvoert en deelnemende scholen voorziet van middelen als case-materialen, -lesprogramma’s over innovatie en prijzen voor pionierende faculteiten. ‘We geloven niet dat er slechts één model is dat alle scholen zouden moeten adopteren’, zegt McGaw. ‘We denken dat er vele manieren zijn om dit te doen. Ook geloven we dat een eenzijdige nadruk binnen het curriculum op het bereiken van kortetermijn financiële resultaten schade toebrengt aan ons collectieve welzijn.’ Een programma dat elk jaar hoog scoort in het Beyond Green Pinstripes onderzoek, is de Rotterdam School of Management (RSM) van de Erasmus Universiteit. In het meest recente onderzoek staat zij vijftiende, en derde in Europa, achter Instituto de Empresa en ESADE business school, beide uit Spanje. De RSM biedt naast een voltijds MBA een deeltijds Executive MBA-programma en een bacheloropleiding. Duurzaamheid speelt een belangrijke rol binnen elke opleiding. De school gelooft dat een goed begrip van de klimaatcrisis en een solide basis in duurzaam ondernemen essentieel zijn voor het creëren van succesvolle bedrijven in de 21e eeuw. Natuurlijk duurt het in een land dat grotendeels op of onder het zeeniveau ligt niet lang voordat het kwartje valt. ‘Het is duidelijk dat we ons realiseren dat klimaatverandering een steeds groter probleem wordt en een erg urgente kwestie is’, zegt Gail Whiteman, directeur van het Sustainability and Climate Research Centre van de RSM. ‘We zijn geen ingenieurs die zich richten op sterkere dijken; in plaats daarvan onderzoeken we hoe managementtheorie en -praktijk ons allemaal naar een meer koolstofneutrale wereld kunnen loodsen.’ Het Sustainability and Climate Research Centre concentreert zich op onderzoek naar duurzaam ondernemen, een onderwerp dat er dringend om verlegen zit. Minder dan twee procent van de artikelen in de gerenommeerde academische tijdschriften gaat over klimaatverandering of duurzaamheid. Een van de huidige onderzoeksvragen van het Centre is hoe grote bedrijven de koolstofvoetafdruk van grote steden beïnvloeden. Uiteindelijk hoopt Whiteman tot een dataset te komen die laat zien hoe uiteenlopende plekken als Amsterdam, Londen, New York, Mumbai en Sjanghai hun negatieve impact op het klimaat kunnen verkleinen door een duurzame aanpak van ondernemen. ‘Dat is een van de vele innovatieve onderzoeksgebieden van het centrum’, zegt Whiteman. ‘Al denk ik niet dat je ooit genoeg kunt doen. Het merendeel van het denkvermogen bij de meeste business-schools is nog steeds gericht op een -traditionele bedrijfsvoering. We hebben dus een paradigmaverandering nodig. Het gaat niet om een duurzaam college hier en daar. De vraag is: hoe kun je het mainstream -maken?’ Een gunstig voorteken is in ieder geval dat duurzaamheidscentra als die in Rotterdam zich over de hele wereld verspreiden. In 2003 verwelkomde de Saïd Business School van de Oxford Universiteit het Skoll Centre for Social Entrepreneurship, dat jaarlijkse conferenties over sociale innovatie organiseert en wereldwijd sociale ondernemers ondersteunt. INSEAD in Fontainebleau, Frankrijk, heeft zelf ook een Centre for Social Innovation gelanceerd, net als de Stanford Graduate School of Business in Californië, die volgens de Beyond Grey Pinstripes de beste school ter wereld is wat betreft duurzaam ondernemen. ‘De wereld is veranderd,’ zegt Kriss Deiglmeier, directeur operationele processen van Stanford’s Centre for Social Innovation, ‘en we zitten met deze wereldwijde problemen die moeten worden aangepakt. MBA-programma’s hebben de verantwoordelijkheid de volgende generatie leiders op te leiden… Het is geen wedstrijd als tussen Coke en Pepsi. We willen allemaal dat er meer gebeurt. Hoe meer scholen zich aansluiten, hoe groter het draagvlak wordt voor deze waarden en praktijken.’ In Nederland hebben ook andere business-schools flink aan de weg getimmerd op dit gebied. Nyenrode Business University opende onlangs een Centre for Sustainability, dat zich concentreert op duurzaam management en ethiek, en de Maastricht School of Management veranderde zijn Centre for Excellence in een Sustainable Development Centre. De Maastricht School of Management onderscheidt zich ook doordat zij haar studenten zowel opleidt op de campus in Maastricht als via de verschillende zogeheten outreach programs over de hele wereld. De school is verbonden met universiteiten uit allerlei landen, van Peru en Nigeria tot China, waarvan de professoren volledig toegang genieten tot het Maastrichtse curriculum en lesmateriaal, zodat ook zij hun studenten bekend kunnen maken met de nuances van een duurzame economische opleiding. ‘Het concept duurzame ontwikkeling is verweven met alles wat we doen’, zegt Anneloes de Graeff, marketing- en communicatiemanager van de opleiding. ‘Zelfs bij het vak financieel management kiezen we de duurzame benadering. Het gevolg is dat we duurzame managers afleveren, en niet slechts mensen die gaan voor geld en persoonlijk gewin.’ Dit jaar studeerde aan de Harvard Business School, de oudste MBA-opleiding van de Verenigde Staten, de honderdste lichting af. Maar deze was anders dan voorgaande. Voor de eerste keer ontvingen meer dan de helft van de afgestudeerden hun diploma pas nadat ze de MBA-eed hadden afgelegd, een door de studenten zelf afgenomen belofte ‘het algemeen belang te dienen’. De eed is het geesteskind van Max Anderson, uit de klas van ’09, die iets wilde creëren dat leek op de eed van Hippocrates, die dokters afleggen. ‘De MBA in zijn algemeen wordt tegenwoordig met argusogen bekeken’, zegt Anderson. ‘Business-schools hebben de crisis niet voorzien, MBA’s zijn betrokken bij de crisis en bij het publiek is de indruk ontstaan dat als je een MBA hebt, je alleen met je eigen belang rekening houdt. Als dat de uitgangspositie is voor ons MBA’s, dan is dat geen beste.’ Sinds het debuut van de eed in mei hebben studenten van de beste business-schools over de hele wereld hem ondertekend, onder wie die van alle drie de eerdergenoemde Nederlandse MBA’s. Het geeft goed weer hoe serieus de jongste generatie MBA’s haar verantwoordelijkheid neemt ten opzichte van maatschappij en milieu. Business-schools mogen dan stapsgewijs duurzaamheid adopteren, maar het zijn de studenten die ermee aan de haal gaan: zij zijn het die sociale innovatieclubs oprichten, conferenties over ethiek organiseren en hun zomers doorbrengen met maatschappelijke projecten. Zo hebben studenten van de Wharton Business School in de Verenigde Staten microfinancieringsprojecten in Philadelphia opgezet en zijn ze een sociaal adviesbureau gestart. Studenten van Harvard hebben een sociale innovatieclub opgericht die is uitgegroeid tot de grootste club van de campus, met meer dan negenhonderd leden. Studenten aan Stanford gingen na de orkaan Katrina naar New Orleans om ondernemers te helpen groene duurzame bedrijven op te zetten. ‘De millenniumgeneratie heeft haar hele gewicht achter deze beweging gegooid’, zegt Liz Maw, de directeur van Net Impact, een internationale verzameling bedrijfskundestudenten en professionals die zich inzetten voor positieve sociale verandering. Net Impact werd in 1993 door MBA-studenten opgericht en heeft tegenwoordig meer dan elfduizend betalende leden uit de hele wereld, inclusief Nederland. Veel van deze leden behoren tot studentenclubs, die champions nomineren die initiatieven ten behoeve van aanpassing van het -curriculum introduceren. ‘Het idee is studenten te laten samenwerken met de faculteit en het bestuur’, zegt Maw. ‘Als je nu een student bent, is een van de manieren om te pleiten voor curriculumverandering te laten zien wat andere scholen momenteel doen om op het gebied van maatschappij en milieu vooruitgang te boeken. Daar ligt onze toegevoegde waarde.’ Net Impact organiseert ook een jaarlijkse conferentie over sociale verantwoordelijkheid, publiceert Businesses Unusual, een gids waarin studenten zelf aangeven hoe goed hun school scoort op het gebied van duurzaamheid, en werkt samen met het United Nations Global Compact aan het implementeren van de Principles for Responsible Management Education. De Principles, afgekort tot PRME, werden in 2006 opgesteld met als doel een wereldwijde standaard te introduceren voor duurzaamheid in business-schools. ‘Curriculumtransformatie en verandering moeten een duaal proces zijn’, zegt Manuel Escudero, hoofd academische initiatieven van het Global Compact en de ontwerper van de PRME. ‘De topdownbenadering is erg belangrijk, met de decaan en de andere bestuurders die de toon zetten en prikkels voor verandering creëren. Maar even belangrijk is de bottom-up-aanpak: je hebt studenten nodig die luidruchtig om verandering vragen.’ In de afgelopen twee jaar hebben de Rotterdam School of Management en 244 andere business-schools zich verbonden aan de PRME, waarvan vele op voorspraak van studenten. Zo benaderden studenten van de Thunderbird Business School in Arizona de Verenigde Naties om te kijken hoe zij hun bestuur konden overtuigen mee te doen. Escudero hoopt dat over vijf jaar minimaal tien procent van de elfduizend business-schools wereldwijd aangesloten zijn bij de PRME. ‘We geloven niet dat dit soort veranderingen van de ene op de andere dag plaatsvinden’, zegt hij. ‘Hoewel de crisis ons initiatief urgentie heeft gegeven, is het niet iets wat geïmproviseerd kan worden. Het heeft tijd nodig. Het is een kwestie van continue verbetering.’ Wat dat betreft, lijken de PRME op de MBA-eed, en op het Center for Social Innovation van Stanford, en op de vierdaagse studieblokken op Bainbridge Island. Bedrijfsleven, maatschappij en milieu zijn meer dan ooit verbonden, en omgaan met deze complexe dynamiek vereist een volledig nieuwe manier van duurzaam denken. Diegenen die zich dit realiseren, komen vooruit; diegenen die het niet snappen, doen slechte zaken. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright) |