www.odemagazine.com

Nathalie Rothschild | 120 oktober 2009 issue

Laat de immigranten maar komen

Jason Riley, commentator van The Wall Street Journal, mist Ronald Reagan. Met instemming haalt Riley een uitspraak van Reagan aan over het land waarvan hij president was: ‘Iedereen die de moed en het verlangen heeft huis en haard te verlaten om in een ander land op een vreemde plaats te gaan wonen en de halve aardbol over te reizen, is hier welkom.’

Als conservatief aanhanger van de vrije markt vindt Riley de huidige discussie over immigratie deprimerend. ‘De nationalistische stemming, die de laatste jaren in bijna alle gesprekken op de radio, de televisie en de pers overheerst, staat haaks op [Reagans] stijl’, schrijft hij in Let Them In: The Case for Open Borders. Riley betreurt het dat schreeuwerige nationalisten en reactionaire populisten – soms als misplaatste verkiezingsstrategie – immigranten de schuld geven van de maatschappelijke en economische problemen. Voorstanders van immigratiebeperking begrijpen niet, stelt Riley, dat migranten de voorspoed van hun nieuwe land juist helpen.

Voor Riley zijn open grenzen onlosmakelijk verbonden met de ideologie van de vrije markt. Hij beklaagt zich erover dat ‘geen enkele zichzelf respecterende aanhanger van de vrije markt het in zijn hoofd zal halen wetten te steunen die het vrije verkeer van goederen en diensten over grenzen belemmeren, terwijl maar al te veel conservatieven tegenwoordig hun klassieke liberale principes verloochenen als het gaat om wetten die het vrije verkeer van de arbeiders die deze goederen en diensten produceren verhinderen’.

Net als vroeger worden buitenlanders tegenwoordig vaak schadelijk voor de samenleving genoemd: ze zouden banen inpikken, de lonen drukken, de sociale voorzieningen en natuurlijke reserves belasten en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid en identiteit. In dat klimaat vormt Let Them In, zoals de titel al zegt, een tegendraadse en positieve bijdrage aan het immigratiedebat. Het is een rationeel pleidooi om de grenzen open te stellen. Het huidige denken dat zich tegen immigratie en overbevolking keert, wordt in het boek in historisch perspectief geplaatst, zodat duidelijk wordt hoe schrikbarend weinig er is veranderd aan de taal, toon en vooroordelen van de tegenstanders van immigratie.

Toch is er een discrepantie tussen Rileys lof op de homo economicus en zijn bewondering voor de idealen en principes waar het Vrijheidsbeeld met zijn toorts van hoop voor staat. Net als Reagan in de jaren tachtig houdt Riley geen ethisch, maar een economisch pleidooi voor immigratie. Het is geen verdediging van de rechten van migranten, maar van de -behoeften van het bedrijfsleven. Zijn verhaal heeft niets van een beroep op de universele -vrijheid van verkeer.

Bij een onlangs gehouden debat onder auspiciën van de denktank International Policy Network in Londen begon Riley zijn inleiding met een voorbehoud. Hij is weliswaar voor open grenzen in de VS, maar dat is naar zijn mening geen praktische mogelijkheid voor de Europese Unie. Het stelsel van sociale voorzieningen in Europa gaat niet samen met vrij verkeer, betoogde hij, aangezien het migranten ervan weerhoudt toe te treden tot de werkende bevolking, waardoor de drang tot assimileren afneemt.

In de VS, zei Riley, wordt armoede beschouwd als een toestand die door hard werken kan en moet worden overwonnen, maar in Europa heerst een heel andere houding tegenover armoede. Riley legt in zijn boek uit dat migranten net zozeer op de economische kansen als op de principes en idealen van Amerika afkomen. ‘Buitenlanders vinden het prettig dat je meer kunt verdienen met hard werken, inzet of intelligentie’, schrijft hij. De sleutel tot het -succes van het Amerikaanse assimilatiemodel ligt volgens hem in het feit dat het er ‘niet -zozeer om gaat dat migranten onze cultuur overnemen, als wel dat ze onze principes overnemen’.

Hoewel Riley aloude vooroordelen en misvattingen over immigratie in Amerika – waaronder de ‘magneetwerking’ van de sociale voorzieningen – vakkundig ontkracht, ziet hij niet dat zijn redenering ook prima in Europa opgaat. Net als in Amerika zullen illegale migranten in Europa proberen ieder contact met de autoriteiten te vermijden. Bovendien kunnen buitenlanders toch al geen aanspraak maken op veel sociale voorzieningen. Bijvoorbeeld, in veel landen hebben tijdelijke migranten, werknemers uit andere dan EU-landen en migranten met een visum op grond van gezinshereniging geen recht op een uitkering, alleen in een enkel geval op huursubsidie. Mensen voor wie een immigratieverbod geldt – inclusief arbeidsmigranten met een tijdelijke werkvergunning – hebben geen recht op uitkeringen.

Wanneer migranten overheidssubsidies krijgen aangeboden, is het logisch dat ze daar gebruik van maken. In Groot-Brittannië mogen asielzoekers bijvoorbeeld niet werken, maar krijgen ze wel bonnen ter waarde van veertig euro per week. Hoewel dat nauwelijks genoeg is om van te leven, zijn die bonnen de enige bron van inkomsten voor asielzoekers. Het is niet bepaald eerlijk om hen ervan te beschuldigen dat ze ‘op de welvaartsstaat parasiteren’, zoals hun vaak wordt verweten, als die staat hen zelf verbiedt productief te zijn en hun daarvoor in de plaats een fooi geeft.

Ook in de Europese landen waar migranten meer aan sociale steun kunnen krijgen dan ze zouden verdienen als ze thuis waren gebleven, zouden ze nog meer verdienen als ze in het nieuwe land zouden werken. Zolang migratie kostbaar, riskant en emotioneel belastend is, heeft het weinig nut om naar een rijker land te gaan, slechts om een uitkering te krijgen. Het is een mythe dat het lucratiever is om van de steun te leven dan te werken. Er zijn misschien uitzonderingen, maar er zijn weinig mensen die de wereld af reizen louter en alleen om een beetje geld in een ander land op te strijken.

Riley heeft gelijk dat de beschikbaarheid van sociale voorzieningen tot afhankelijkheid kan leiden en inzet en ambitie in de weg staat, maar dat wijst eerder op een tekort van de welvaartstaat dan dat het een reden is om de vrijheid van verkeer te beperken. In het geval van Amerika is angst voor uitvreters volgens Riley weliswaar legitiem, maar het argument van de magneetwerking van de welvaartstaat ‘is nog steeds vergezocht’. Over het algemeen zijn migranten – legale en illegale – geen ‘extra monden om te voeden’: hij geeft cijfers waaruit blijkt dat migranten, in tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht, niet meer uitkeringen ontvangen dan de autochtone bevolking.

Er zijn allerlei redenen waarom mensen hun geboorteland verlaten. Sommigen zijn op de vlucht voor vervolging en -discriminatie, anderen willen in het buitenland studeren, werken of zich met hun familie herenigen. Wat alle migranten echter gemeen hebben, is hun streven naar een ander, hopelijk beter leven. Wie stelt dat migranten bereid zouden zijn om hun huis achter te laten en daarbij soms hun leven op het spel te zetten louter en alleen om een werkloosheidsuitkering op te strijken, bagatelliseert in wezen de ambitie en motivatie die Reagan – Rileys held – kennelijk zo bewonderde.

Riley ondersteunt zijn -argumenten met feiten, en brengt zijn boodschap vaak over via kleurrijke analogieën en anekdotes. Zo schrijft hij over de grensbewaking: ‘Het militariseren van de grensovergangen om de volgende Mohamed Atta tegen te houden is als het slikken van een laxeermiddel om psoriasis te behandelen.’ Het idee dat illegale immigranten een gevaar zouden zijn voor de binnenlandse veiligheid is een van de zes veelgehoorde argumenten tegen immigratie die Riley ontkracht in Let Them In. Hij wijst erop dat als immigranten meer legale alternatieven zouden worden geboden om Westerse landen binnen te komen, het aantal illegale grensoverstekingen zou afnemen en daarmee middelen zouden vrijkomen voor het aanpakken van ‘échte bedreigingen’.

Wat betreft de economie, zegt hij, zijn immigranten geen blok aan het been, maar een aanwinst; ze dragen bij aan de productiviteit en economische groei van een land en complementeren de autochtone beroepsbevolking in plaats van haar te vervangen.

Met betrekking tot inburgering wijst hij erop dat ras en herkomst altijd al een belangrijke rol hebben gespeeld in het immigratiedebat, waarbij hij schetst hoe de vaak schreeuwerige argumenten van tegenwoordig over immigranten die niet integreren, slechts een herhaling zijn van de paniek en vooroordelen die aan de oppervlakte kwamen tijdens eerdere immigratiegolven in de geschiedenis.

Een ander veelgehoord argument tegen elk soort opengrenzenbeleid is dat het een negatief effect zal hebben op het milieu. Riley is effectief in het doorprikken van mythes over overbevolking en legt hun antimenselijke drijfveren bloot. Hij citeert de econoom Thomas Sowell, die opmerkte dat de gehele huidige wereldbevolking gehuisvest zou kunnen worden in de Amerikaanse staat Texas, in vrijstaande bungalows – met vier mensen per huis – en met een doorsneetuin. (Texas is vergelijkbaar met de oppervlakte van Duitsland en Polen samen.) Lijkt dit misschien moeilijk te geloven? Riley schrijft: ‘Reken het maar uit: 691.021.206.689 vierkante meter in Texas, gedeeld door de wereldbevolking van grofweg 6.600.000.000 is 104,6 vierkante meter per persoon.’ En de bevolkingsdichtheid van al die mensen in Texas zou dan nog altijd drie keer minder zijn dan die van Amsterdam.

Rileys verdediging van open grenzen is een verfrissend geluid temidden van een verder overwegend negatief immigratiedebat, waarin migranten slechts figureren als parasieten, menselijke milieuvervuilers of slachtoffers van omstandigheden. Hij laat aan de hand van de ervaringen in de Verenigde Staten zien dat een maatschappij die vertrouwen heeft in zijn eigen waarden en koers, ook in staat zal zijn nieuwkomers te verwelkomen en op te nemen.

Het probleem is dat Let Them In niet het menselijke gezicht van massamigratie laat zien. De beweegredenen en aspiraties van migranten worden nauwelijks in ogenschouw genomen, omdat het boek geen pleidooi is voor een volledige vrijheid van verkeer. Riley tikt zijn conservatieve collega’s op de vingers voor het niet consequent naleven van de vrijemarktideologie wanneer ze grenzen open willen houden voor goederen en diensten, maar niet voor mensen. Maar Riley vergeet dat mensen niet te vergelijken zijn met goederen en diensten, omdat mensen een maatschappij nu eenmaal kunnen beïnvloeden en vormgeven zoals niet-levende dingen dat nooit kunnen. Daarom moet er een moreel en politiek pleidooi worden gehouden voor open grenzen, in plaats van uitsluitend een economisch pleidooi.

Mensen zijn niet slechts objecten om te importeren of exporteren, afhankelijk van de grillen van de markt. Het echte pleidooi voor open grenzen moet gebaseerd zijn op het principe van vrijheid van verkeer. Anders gaan de grenzen gewoon weer dicht op het moment dat de rekensommetjes even niet meer positief uitpakken.

Dit artikel verscheen eerder in Spiked, een online magazine over politiek, cultuur en samenleving (spiked-online.com).

Integratie: een kwestie van tijd

Hoewel Let them in, -het boek van Jason Riley (foto), het Amerikaanse immigratiebeleid bekritiseert en er een oplossing voor aandraagt, is zijn werk niettemin relevant voor Nederlandse lezers. Want ondanks de verschillen tussen de politiek-maatschappelijke situatie in Amerika en Nederland, zijn er voldoende overeenkomsten als het gaat om de sentimenten rondom immigratie: de onnodige vrees voor overbevolking (er is in werkelijkheid plek genoeg), de onnodige vrees dat immigranten baantjes afpakken (ze creëren werk) en de onnodige vrees dat ze massaal misbruik maken van de sociale voorzieningen (dat doen ze niet; vaak hebben ze er geen recht op).

Maar bovenal: er is de neiging om immigranten te argwanen voordat ze uiteindelijk in de samenleving zijn geïntegreerd. Riley beschrijft levendig de weerzin tegen de Ierse ‘invasie’ in het midden van de negentiende eeuw. Het waren arme boeren die in de Amerikaanse steden aan de oostkust bij elkaar gingen wonen, in wijken met veel criminaliteit en geweld. Het waren er zoveel, dat in 1850 meer dan een kwart van de inwoners van New York in Ierland was geboren. Door Amerikanen werden ze gezien als inferieur en achterlijk. Politici bespraken voorstellen om hen terug te sturen, voordat ze de nationale cultuur zouden vernietigen. Maar de Ieren assimileerden. Ze werden schrijvers, dokters, advocaten, leraren, zakenlieden (Henry Ford) en zelfs president (John F. Kennedy). Tegenwoordig is het percentage van Ierse Amerikanen met een universitaire graad hoger dan dat voor het landelijke gemiddelde, en ze verdienen gemiddeld meer dan Amerikaanse huishoudens. Kennelijk zijn de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van die Ieren nog best goed terechtgekomen.

Wie leest over de Ieren die massaal in Amerika arriveerden, kan niet anders dan denken aan de Marokkanen in de grote steden van Nederland – en aan de historische doorbraak die Ahmed Aboutalebs benoeming tot burgemeester van Rotterdam betekent. Het is een kwestie van tijd voordat de Marokkaanse gemeenschap de eerste president zal leveren en dat niemand daar raar van opkijkt. MARCO VISSCHER


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)