|
'Omdat God fluistert' |
|
Ik luister niet. ‘Hurry up, Sir’, hoor ik nu nog dwingender naast me. Ik kom erachter dat ik nog maar een half uur heb om het hotel te bereiken; daarna zal het hele eiland stil zijn. De bezwete man pakt mijn koffers en haast zich naar een ronkende taxi. Ik sjok achter hem aan, verdoofd door de reis en de lome warmte die over me heen valt. Toen ik twintig uur geleden in Amsterdam in het vliegtuig stapte, sneeuwde het nog. Na een dolle rit, waarbij de chauffeur op elk kruispunt zijn best doet om monsters te ontwijken, kom ik vlak voor middernacht bij het hotel aan. Het is 6 maart 2008, de nacht waarop de Balinezen hun oudejaarsfeest vieren en ieder dorp heeft zijn eigen monsters gebouwd, soms meters hoog; ze worden ritueel door de straten gedragen. De volgende ochtend word ik wakker in een oorverdovende stilte. Alleen de vogels en de krekels weten niet dat het stiltedag is. Nyepi noemen de Balinezen deze eerste dag van het nieuwe jaar wanneer niemand praat, reist of werkt. Het is een dag van stilte, gebed en overpeinzing, zodat het nieuwe jaar schoon kan beginnen. Vanaf mijn balkon kijk ik naar de weelderige, groene vallei met op de achtergrond de blauwe schittering van de Indische Oceaan. Het wordt mijn eerste stiltedag sinds een paar jaar. Ik heb er zin in! Mijn gedachten dwalen af naar mijn eerste stilteretraite in de Toscaanse bergen. Na een week stil te zijn geweest, had ik wel voor altijd stil willen blijven. Nooit wilde ik mijn mond meer opendoen om woorden te spreken die de werkelijkheid toch maar zelden raakten. Nooit eerder had ik – juist door niets te benoemen – zo intens contact gevoeld met de dingen om me heen. Het leek wel of al mijn zintuigen wagenwijd openstonden – alsof ik voor het eerst een ijsje proefde, een zon zag ondergaan, een mens zag glimlachen. Wie nog niet weet hoe magisch de stilte kan zijn, heeft Annemieke Rodenburg niet ontmoet. Deze bevlogen vrouw organiseert al jaren stilteretraites voor jongeren tot 28 jaar en ziet iedere keer weer magie: ‘Na vijf dagen stil te zijn geweest, hebben jongeren vaak het gevoel een diepere vriendschap te hebben met de mensen met wie ze samen stil waren dan met vriendinnen die ze al tien jaar kennen.’ Hoe vreemd het ook klinkt, zegt Rodenburg: in relaties scheppen woorden vaak juist afstand: ‘Als je geen woorden meer kunt gebruiken om je achter te verschuilen, vallen je maskers af. Op een gegeven moment ben je niet meer bezig met aandacht van je omgeving te trekken. Je stapt uit je patronen en verhalen en komt in contact met een laag waarin alles en iedereen met elkaar is verbonden.’ Dat jongeren daar intens naar verlangen blijkt uit de grote belangstelling voor de stilteretraites die worden georganiseerd door haar Stichting Eigenwijze, die ze in 2000 heeft opgezet (eigenwijze.org). Zomerretraites zitten in januari al vol. Wie de schoonheid van stilte eenmaal heeft geproefd, is maar moeilijk te verleiden om weer in het lawaai van woorden en maskers te stappen. De Amerikaanse milieuactivist John Francis kan erover meepraten. Toen hij eenmaal had ervaren hoe heerlijk het was om zijn mond te houden, deed hij deze zeventien jaar niet meer open – althans, niet om te spreken. Aanleiding voor Francis’ besluit was een milieuramp in de baai van San Francisco. Toen twee olietankers daar in 1971 op elkaar botsten, nam Francis zich eerst voor om geen gebruik meer te maken van gemotoriseerd vervoer en vervolgens om geen gebruik meer te maken van zijn woorden – als gift aan de gemeenschap, zegt hij zelf. Tussen 1973 en 1990 maakte Francis slechts één uitzondering op zijn zwijgen: om zijn ouders te vertellen hoeveel hij van hen hield. Francis ontdekte in die zeventien jaar niet alleen de schoonheid van stilte, maar ook de effectiviteit ervan. ‘Omdat ik niet sprak, lette iedereen op’, zegt hij. Francis studeerde milieuwetenschappen en gaf zelfs stille gastcolleges aan de Universiteit van Montana. Doordat studenten van zijn gebarentaal en pantomime moesten zien te raden wat hij bedoelde, werden het heel andere lessen dan ze gewend waren. In plaats van alles voorgekauwd te krijgen, moesten ze nu zelf aan de slag. De jongeren, die toegaven in het begin ‘geschokt’ te zijn geweest door het feit dat hun docent zijn mond niet opendeed, vertelden na afloop dat ze veel meer hadden geleerd dan onder normale omstandigheden. Het leuke van Francis is dat hij al die jaren een relatief ‘gewoon’ leven leidde en zich niet, zoals de meeste mensen die langere perioden stil zijn, terugtrok uit zijn omgeving. Francis ging er juist op uit en werd een internationale beroemdheid die te voet dwars door Noord- en Zuid-Amerika wandelde. Slechts gewapend met een banjo, een rugzak en een open mind – en in het uiterste geval pen en papier – ‘sprak’ Francis met allerlei mensen over de belangrijke zaken van het leven en logeerde geregeld bij mensen in huis. Omdat er onderweg altijd mensen waren die hem een lift wilden geven – en hij uit principe geen gebruik wenste te maken van gemotoriseerd vervoer – had Francis een bordje bij zich waarop stond dat hij niet sprak en waarom hij dat deed. Voor Francis blijft het wonderbaarlijk hoeveel een mens kan zeggen zonder zijn mond open te doen en hoe diep relaties kunnen gaan wanneer je ‘niet meer liegt’. Liegen staat voor hem vrijwel gelijk aan praten, omdat hij er in de loop der jaren achterkwam hoe gemakkelijk we ‘leugentjes om bestwil’ vertellen en hoe vaak we ons achter woorden verschuilen. En hoewel niet iedereen blij was met zijn zwijgen – met name zijn vader had er grote moeite mee – waren veel mensen dat wel, onder meer enkele van zijn vriendinnen, die het volgens Francis ‘juist wel fijn vonden dat ik mijn mond hield’. John Francis heeft wel eens gegrapt dat de beslissing om zijn mond te houden voortkwam uit compassie met zijn medemens: ‘Ik praatte nogal veel.’ Net als Francis heb ik ook mogen ervaren hoe fijn mensen het vinden als je je mond houdt. Aan het eind van mijn stilteretraite in de Toscaanse bergen kreeg ik een briefje van een van de deelnemers: ‘Dear Tijn, it was nice meeting you and great not talking to you.’ Wie stil is, geeft de ander ruimte om ook stil te zijn, om zichzelf te zijn. Dat is misschien wel het grootste geschenk dat je iemand kunt geven. Wie stil is, kan er ook werkelijk voor de ander zijn. In het boek Planetwalker: How to Change your World one Step at a Time schrijft John Francis dat hij er eigenlijk nooit voor anderen was. Hij hoorde ze niet eens: ‘Voordat ik besloot om mijn mond te houden, luisterde ik eigenlijk nooit echt naar anderen – ja, net lang genoeg om te bepalen of hun ideeën aansloten op die van mij. Als dat niet het geval was, stopte ik met luisteren en raceten mijn gedachten vooruit om argumenten te bedenken waarmee ik de ander om de oren kon slaan.’ Volgens Francis betekent werkelijk stil zijn veel meer dan alleen maar je mond houden: ‘Stilte is een leegte. Het is de plek waar alles vandaan komt. Alle creatie komt voort uit de stilte. Door mijn ervaring van stilte kan ik nu niet alleen meer openstaan voor anderen, maar voor de hele schepping. Wanneer je in stilte staat, hoor je dingen die je nooit eerder hebt gehoord. Zaken waar ik het voorheen misschien mee oneens was, kan ik nu in een ander licht zien, met een dieper begrip.’ Ondertussen wordt op mijn exotische eiland het ontbijt in stilte geserveerd door een jonge dame met een glimlach die zo sereen is, dat ik er haast van schrik. Ik realiseer me dat deze introverte waardigheid een zeldzaamheid is in mijn deel van de wereld. Niet zo vreemd misschien, als je bedenkt dat wij ons nieuwe jaar meestal niet met stilte beginnen, maar met een kater. De rest van het jaar is vol afspraken. De meeste van mijn vrienden hebben agenda’s als spoorboekjes en zouden niet weten waar zij een moment voor stilte zouden moeten inlassen. Nee, dan de Balinezen... Die doen dat heel anders. De westerse ondernemers die ik hier ben tegengekomen, worden wanhopig van hun werknemers, die iedere dag wel een ceremonie lijken te hebben. We kunnen daar natuurlijk meewarig over doen en die arme Balinezen onpraktisch en improductief noemen, maar feit is dat het ze tot mooie mensen maakt. De Italiaanse psychotherapeut Piero Ferrucci zou trots op hen zijn. Volgens hem is stille contemplatie een basisbehoefte. Tijdens een interview met hem, jaren geleden, zei hij: ‘Onze cultuur lijdt aan een overdosis actie en een tekort aan contemplatie. Ik zie contemplatie als een basisbehoefte, die je zelfs bij dieren ziet. Denk maar aan honden of katten – die zie je vaak gewoon een beetje in de verte staren. Dat is, denk ik, hun eigen vorm van meditatie, hun manier om de accu weer op te laden. Wij hebben die behoefte ook. Maar we ontkennen die basale, fysiologische behoefte – alsof een hele samenleving vergeet naar de wc te gaan. Dat is ernstig!’ In veel ‘ontwikkelde’ landen heeft de op hol geslagen machine van de moderne 24-uurs economie de strijd tegen mensen die de tijd nemen ruimschoots gewonnen. Niks geen stiltedagen, niks geen autoloze zondagen, niks geen kooploze zondagen. In veel landen is het letterlijk nooit meer stil. Enkele jaren geleden was er een Belgische radiojournalist die de opdracht had om ergens in Vlaanderen vijf minuten stilte op te nemen. De arme man is maandenlang in de weer geweest, zowel overdag als ’s nachts. Steeds weer werden zijn opnames verstoord door treinen, auto’s, vliegtuigen, radio’s, stemmen, sirenes... In heel Vlaanderen – zo moest hij uiteindelijk concluderen – waren geen vijf minuten stilte meer te vinden. En dan is Vlaanderen nog heilig vergeleken bij een stad als Cairo. Recent onderzoek liet zien dat het geluidsniveau in die stad tussen zeven uur ’s morgens en tien uur ’s avonds gemiddeld op 85 decibel ligt. Dat is te vergelijken met het geluid van een grasmaaimachine die de hele dag staat te blèren of een goederentrein die op vijf meter afstand door je huis dendert. Wat is er toch aan de hand met de moderne mens, dat hij er alles aan doet om de stilte te verdrijven? Is hij er soms bang voor? De zeventiende-eeuwse Franse filosoof Blaise Pascal kon zich dat wel voorstellen: ‘De eeuwige stilte van die oneindige ruimte beangstigt mij’, schreef hij ooit. Ook Lama Drimed, boeddhistisch monnik van Amerikaanse afkomst, kan zich dat voorstellen: ‘Voor een labiele geest is stilte confronterend. Je kunt niet meer vluchten voor alle stemmen in je hoofd.’ Hij kan het weten, want hij leidt al twintig jaar stilteretraites en heeft zich meerdere malen voor perioden van drie maanden teruggetrokken om volledig stil te zijn. Het verbaast hem niets dat sommige instituten die stilteretraites organiseren hun deelnemers verplichten een psychologische test te ondergaan. Natuurlijk is het eng om geconfronteerd te worden met al die stemmen in je hoofd. Het is niet leuk om stemmen van pijn, wanhoop of depressie te horen. Het punt is echter dat het nog veel enger is om deze stemmen niet te horen. Stilte mag eng zijn, geen stilte is veel enger. De mens die niet af en toe stil is om contact te maken met zijn diepere kern, hogere zelf, zuivere ziel, boeddhanatuur of hoe je dat ook wilt noemen, raakt ‘van God los’. ‘Wie de stem van God wil horen, moet stil kunnen zijn’, vertelde een bevriende yogi mij. ‘Waarom?’, vroeg ik hem. Hij keek me aan alsof dat logisch was: ‘Omdat God fluistert.’ Het is warm geworden op mijn balkon. Het loopt tegen de middag en nog steeds heb ik niet gesproken. Dat is heerlijk, maar ik heb ook altijd een probleem met stilte. Als mijn geest stil is, word ik namelijk bevattelijk voor briljante ingevingen. Ik krijg dan altijd – en de klemtoon ligt hier op krijgen – de mooiste ideeën. Bang om ze te verliezen, ren ik dan naar mijn laptop om te trachten die flitsen van het sublieme vast te leggen. Een vruchteloze poging, ik weet het, maar ik kan het niet laten. Ook ik weet dat Thomas Keating heeft gezegd dat stilte de taal van God is en dat al het andere een slechte vertaling is. Ik blijf echter zoeken naar de vertaalslag. Ik ga onder een palmboom zitten – na mij ervan te hebben verzekerd dat alle kokosnoten eruit zijn gehaald, volgens insiders doodsoorzaak nummer 1 in Bali – en klap mijn laptop open. Wat was die sublieme flits ook alweer? O ja, het inzicht dat we bang zijn voor de stilte omdat ze ons herinnert aan onze grootste angst: de dood. Gautama Boeddha zei in zijn tijd (ongeveer de vierde eeuw voor Christus) dat we bang zijn ‘niets’ te zijn. Ik probeer me te herinneren wat de Franse monnik Matthieu Ricard daar ook alweer over zei, toen ik hem vorig jaar in Parijs ontmoette. Ricard zei toen ook dat de meeste mensen in een permanente staat van angst leven. ‘Dat komt doordat mensen niet in staat zijn om de werkelijkheid – de stilte – achter de verschijnselen te doorgronden. Het gevolg is dat zij zich vastklampen aan de verschijningsvormen: hun baan, lichaam, religie of ideeën. Maar dat zijn allemaal dingen die je kwijt kunt raken en dus is iedereen voortdurend bang.’ Toch kan ik me goed voorstellen dat mensen bang worden van het idee ‘niets’ of ‘leeg’ te zijn. Zou het helpen als we deze begrippen vervangen door woorden als ‘al’, ‘heel’, ‘compleet’, ‘vol’, ‘potentie’ of ‘levensenergie’? Want eigenlijk benaderen die kreten de werkelijkheid beter. Kwantumwetenschappers weten al langer dat de zogenaamde ‘lege ruimte’ tussen de atomen in feite propvol levensenergie is. Einstein sprak over dit veld als ‘de enige realiteit’. Wanneer je het zo bekijkt, is contact met deze onzichtbare dimensie niet iets om bang voor te zijn. Wie wil er nou niet aangesloten zijn op de oerkracht achter het leven zelf? Daar níet op aangesloten te zijn: dat is pas eng! Mensen die zichzelf niet de tijd gunnen contact te maken met deze achterliggende energie en intelligentie blijven ook verstoken van iets wat minstens zo vitaal is voor welzijn: inspiratie. Wetenschappers vermoeden dat dit kwantumveld ook de blauwdruk van de schepping in zich draagt. Het is een databank van alle informatie van alle tijden. Alle geniale ideeën, inzichten, wijsheden, symfonieën, mijmeringen en intenties liggen hier opgeslagen. Hierop afstemmen is toegang krijgen tot de bibliotheek van de schepping. En het enige wat je hoeft te doen, is stil worden en afstemmen. ‘Ware vernieuwing,’ zei de Duitse auteur en spiritueel leraar Eckhart Tolle, ‘kan alleen voortkomen uit contact met de tijdloze ruimte die achter de vorm verscholen ligt. Alleen in de stilte ligt de ware intelligentie. Alle andere vormen van creatie zijn oninteressant kopieergedrag.’ Echte (levens)kunstenaars kopiëren niet, maar stellen zich open voor de grotere intelligentie. Neale Donald Walsch zei eens: ‘De vraag is niet tegen wie God praat, maar wie er luistert.’ Het was bij hem helemaal niet vanzelfsprekend dat ‘God’ zijn boeken aan hem dicteerde; als Walsch ‘last had van zijn ego’, dan kwam er helemaal niets door. Een bevriend yogi zei het zo: ‘Luisteren naar God is het proces van plaats maken.’ Maar wie kan dat tegenwoordig nog? Wie, in een wereld waarin iedereen zijn uiterste best doet om naam te maken en punten te scoren, heeft de euvele moed om tegen de trend in te gaan? Welke rebel heeft het lef om stil te zijn en te luisteren? We leven duidelijk in een tijd waarin niet het oor, maar het oog dominant is. Het ‘oog’ staat voor de mannelijke aanpak – de penetrerende, beheersende, controlerende, uit de hoogte, afstandelijke, op (uiterlijke) zaken gerichte energie. In zo’n samenleving is er weinig ruimte voor de stille, ontvankelijke, vrouwelijke energie die wordt gesymboliseerd door de moederschoot, de aarde, de yoni (vagina), de schelp of het oor. Wanneer het ‘oog’ niet in evenwicht wordt gehouden door het ‘oor’, dan slaat het op hol en wordt destructief. De ‘doe’-energie wint het dan van de stilte. Wie niet meer kan stilstaan om te luisteren, hoort niet alleen zijn eigen stem niet meer, maar evenmin die van zijn medemens en de grotere omgeving. Dat is gevaarlijk. Duidelijker (en mooier) dan Joachim E. Berendt, auteur van Nada Brahma: de wereld is geluid, kan ik het niet zeggen: ‘De nieuwe mens zal een luisterende mens zijn, of níet zijn.’ De avond valt over mijn stille paradijs. De laptop is weer opgeborgen. Het is tijd voor meditatie. Ik herinner me nog hoe moeilijk ik dat twintig jaar geleden had gevonden. Met geen mogelijkheid had ik mijn geest tot rust kunnen krijgen. Inmiddels weet ik dat dat vrijwel onmogelijk is en dat het ook helemaal niet nodig is. De geest wordt vanzelf stil als er iemand is die wil luisteren. Zodra al die stemmen in je hoofd een keer werkelijk worden gehoord, houden ze namelijk vanzelf hun mond. Zo werkt dat met stemmen. Ga maar eens na: zolang je het gevoel hebt dat iemand jou niet echt heeft gehoord, blijf je het herhalen totdat er een keer wordt geluisterd. Eigenlijk is meditatie een ander woord voor luisteren. Letterlijk is het woord ‘meditatie’ opgebouwd uit twee Latijnse woorden: medio, dat ‘centrum’ betekent, en sto, oftewel ‘staan’. Meditatie betekent dus ‘in het midden staan’. Wanneer je in het midden van je eigen gedachtewereld staat, sta je in het oog van de storm – het enige punt waar het windstil is. Het is een kunst om daar te komen en een kunst om daar te blijven. Het is zo verleidelijk te worden meegezogen door al die emoties, verlangens, oordelen, gedachten, gewoonten... Als je in het oog van de storm kunt staan en van enige afstand al die stemmen kunt waarnemen, dan kun je er – zonder angst jezelf kwijt te raken – je volle aandacht aan geven. Als alle stemmen (niet alleen die van jou, maar van alles en iedereen) er volledig mogen zijn, dan gaat het leven zelf door je heen stromen. Je wordt de bedding voor het leven zelf. Het is dan alsof je niet meer bestaat, alsof je niets bent, of juist alsof je het leven zélf bent: alles dus. Om die reden noemt Annemieke Rodenburg stilte dé oplossing voor alle maskers: ‘Wanneer je in de stilte weer voelt wie je werkelijk bent, dan ervaar je zo’n grote mate van veiligheid, dat problemen oplossen als golven in de diepte van de oceaan. Stilte is een oplosmiddel.’ Dat is ook de reden waarom veel mensen die aan een stilteretraite hebben meegedaan maar met de grootste moeite te bewegen zijn om hun mond weer open te doen. ‘Wanneer ik hen aan het eind van de retraite vraag naar hun ervaring,’ zegt Rodenburg, ‘slaan de meesten hun beurt over. Ze willen zo lang mogelijk in de stilte zijn.’ Na zeventien jaar besloot John Francis om weer te gaan spreken. In zijn boek verwoordt hij het zo: ‘Nog één liedje voordat ik weer ga spreken. Wanneer de muziek stopt, verlaat ik voor het eerst in zeventien jaar die stille plek van binnen. “Dank je dat je er bent.” De woorden zijn haast niet te horen en de stem is onherkenbaar. Waar komen die woorden vandaan? Ik draai me om, maar er staat niemand achter mij. Ik heb die woorden zelf uitgesproken. Ik wacht op een bliksemflits uit de hemel, maar er gebeurt niets. Nadat deze woorden aan mijn mond zijn ontsnapt, bevind ik mij weer in de stilte die ik van binnen nog altijd in mij draag.’ Bij Francis wilde de bliksem niet inslaan, maar hier in Bali schieten de schichten over de oceaan. Terwijl donkere wolken zich bij het invallen van de avond boven mijn hotel samenpakken en de bliksem in de verte inslaat, voel ik mij vrij, gelukkig en geïnspireerd. En wat was er nou helemaal voor nodig? Niets. Er was letterlijk níets voor nodig. Veertig jaar nadat John Lennon Across the Universe schreef, lees ik zijn tekst ineens met andere ogen. Zou John de zin ‘nothing’s gonna change my world’ soms letterlijk hebben bedoeld? Om stil te worden, is helemaal niets nodig. En niets anders dan helemaal niets, ook dit artikel niet, gaat je helpen om stil te worden. Je kunt niet stil worden, je kunt het alleen maar zijn. Stilte is niet daar of straks, maar altijd hier en nu. Er is geen weg naar stilte, stilte is de weg. En als je jezelf na jaren van zoeken, verlangen, ploeteren, denken, argumenteren, bidden of mediteren dan eindelijk toestaat om gewoon stil te zijn, dan ben je eindelijk thuis gekomen. Je reis is dan ten einde, want verder dan de stilte kun je niet gaan. Ik trek de klamboe over mijn hoofd, knip het licht uit en kijk naar de lampen van de bootjes die in de verte op het ritme van de storm dansen. Ik benijd de vissers niet en val in slaap met de troostende gedachte dat je altijd veilig thuis kunt zijn – thuis in het oog van de storm. Tijn Touber is redacteur van Ode. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright) |