|
Het geluid van stilte |
|
De hemel is helder en onbewolkt: rond de Baai van San Francisco is het een schitterende dag. Maar ik heb vandaag geen tijd om ervan te genieten; ik sta op het punt hem voor een deel door te brengen in een vensterloze, geluidloze ruimte – een ‘anechoïsche’ of ‘dode’ kamer geheten – om erachter te komen wat echte stilte is. Beter gezegd: om te ontdekken of die eigenlijk wel bestaat. Het woord ‘anechoïsch’ betekent ‘zonder echo’ en een dode kamer – waarvan de wanden doorgaans zijn bekleed met scherpe punten, gevuld met isolatieschuim – is een ruimte die bedoeld is om echovorming van geluid dat erbinnen wordt gemaakt te voorkomen. Dode kamers worden gebruikt om microfoons en andere geluidsapparatuur te testen, maar het ontbreken van nagalm heeft een eigenaardig effect op onze oren. Het geeft een dof en verstopt gevoel omdat ons gehoor hier, in schril contrast met de geluiden die het de hele dag door opvangt, geen feedback van de omgeving krijgt. Zitten mensen lang genoeg in een beperkte ruimte zonder nagalm, dan melden sommigen dat ze hun eigen hartslag, ademhaling en andere lichaamsfuncties horen, oftewel hun eigen ‘auto-emissiegeluid’. Ik moet bekennen dat ik nooit zo over stilte heb nagedacht. Als we in het dagelijks leven al zo geteisterd worden door al het geluid dat op ons af komt in de vorm van getoeter en rinkelende mobieltjes, wie heeft er dan nog tijd – en gelegenheid – om echt te luisteren, zich af te vragen hoe het zou zijn als het enige geluid dat je kunt horen je eigen hartslag is? Bovendien: wie zit er te wachten op totale stilte? Ik heb van anderen die in een dode kamer hebben gezeten gehoord dat het griezelig is, dat je er een beetje gek van wordt... Dus rijd ik met een gevoel van zowel opwinding als ongerustheid van San Francisco naar de Universiteit van Berkeley. Daar ga ik het laboratorium bezoeken van Ervin Hafter, emeritus hoogleraar in de psychologie, om de dode kamer te zien die zijn team voor onderzoek gebruikt. Wanneer ik Tolman Hall nader, een gebouw dat in een vredig hoekje van de Berkeley-campus tussen de pijnbomen ligt, komt er een horde zorgeloze studenten naar buiten, klaar met het ochtendcollege en op weg naar de lunch. Ik laat het behaaglijke zonlicht achter me en baan me tegen de stroom studenten in een weg naar binnen. Nadat ik een donkere betonnen trap af ben gegaan, sta ik in een grijze kelder. Na een druk op de zoemer mag ik Hafters ondergrondse laboratorium binnen en brengt een onderzoeksassistent met een wilde haardos me door een gang naar het hoofdkantoor, een vensterloze, met tl-buizen verlichte ruimte die wordt gedomineerd door een warboel van computerapparatuur en stapels papier. Ik deins enigszins terug voor de steriele omgeving en de sfeer van isolement. De assistent stelt me voor aan Hafter, een lange man met ernstige bruine ogen en grijs, weerbarstig haar dat in plukken uitsteekt boven zijn oren. Sinds 1966 bestudeert Hafter auditieve waarneming, ruimtelijk gehoor en de uitwerking van een galmende omgeving op gebruikers van hoortoestellen en cochleaire implantaten. De dode kamer is, samen met een hoogst gecompliceerde combinatie van computerprogramma’s en luidsprekers, een vereiste om in zijn lab proefpersonen te kunnen testen. ‘Wat geluid betreft, bestaat het begrip nul eenvoudig niet’, legt Hafter uit, terwijl hij me meeneemt naar de kamer. Hoewel nul decibel in theorie de drempel aangeeft van ons vermogen om geluid te horen, kunnen sommige mensen toch geluid waarnemen in de negatieve decibelschaal. Daar verandert de afwezigheid van nagalm in de dode kamer niets aan. Onderzoeksassistent Swapan Gandhi, die tevens musicus is, vertelt me dat hij graag in deze kamer is omdat ‘je er dingen hoort waar je gewoonlijk geen aandacht aan schenkt’, zoals het geluid van je eigen polsslag. wanneer hafter de deur van de ka- mer openzwaait, zie ik dat de ruimte zo’n drie meter breed is. Het lijkt wel een soort koelcel in een slagerij. Er komt gedempt licht van twee peertjes die aan weerskanten aan het plafond bengelen. Mijn oren zitten meteen dicht, alsof ze vol watten zijn gepropt, waarschijnlijk omdat er op de wanden en het plafond eindeloze rijen uitstekende punten van glasvezel zitten die alle geluidsgolven absorberen. Ook de vloer is overdekt met punten; we lopen op een verend stalen net dat een stuk boven de eigenlijke vloer hangt, waarop kluwens elektriciteitssnoer her en der verspreid liggen over de punten. Ik wankel alle kanten uit op het stalen net, omdat ik laarzen met een hakje draag. Ik begin een schelle pieptoon in mijn oren te horen. Het is hier eng. Terwijl ik me probeer te concentreren op Hafters uitleg over de architectuur van de kamer, merk ik dat ik een beklemd gevoel op mijn borst krijg, puur van de zenuwen. Wat me verbaast, is dat onze stemmen niet gedempt klinken. Om de een of andere reden had ik verwacht dat onze monden zouden bewegen zonder dat er geluid uit kwam, alsof we in een soort geluidsvacuüm waren. Nadat we een paar minuten over zijn onderzoek hebben gesproken, zeg ik dat ik hoop iets van die auto-emissiegeluiden te horen waar ik over gelezen heb. Hafter is sceptisch, omdat deze dode kamer niet volledig geluiddempend is, al scheelt het weinig. Maar als ik stil blijf zitten, zegt hij, ‘hoor je je ademhaling. Je hoort het knorren van je maag. Je hoort van alles.’ Met die woorden laat hij me achter op de enige stoel in de kamer en zegt toe dat ik er zo lang in mag blijven als ik wil. De langste tijd die hij erin gezeten heeft, schat hij op een half uur, maar dat kan hij wel hebben, zegt hij, hij is eraan gewend. ‘Roep me maar voor je eruit wilt, want ik wil niet dat je valt’, zegt hij, bezorgd om mijn wiebelige schoeisel. ‘Licht aan of uit?’ ‘Eh, aan’, zeg ik, nerveus giechelend. Voor ik het weet, is de deur dichtgeslagen en zit ik alleen in het gedempte licht. Hafter kan me van buiten de kamer horen als ik iets zeg, maar ik kan niet horen wat er in de rest van het lab gebeurt. Hoewel het geruststellend is te weten dat ik maar hoef te roepen om er meteen uit te worden gehaald, heeft dit isolement toch iets verontrustends. Ik probeer roerloos en zonder geluid te maken te blijven zitten, volgens Hafters aanwijzingen. Ik word me bewust van mijn eigen ademhaling – die klinkt luid, onbeholpen, zoals die van Darth Vader in Star Wars. De beklemming op mijn borst wordt erger en verspreidt zich naar mijn bovenarmen. Ik wacht vijf minuten, tien minuten, en nog steeds heb ik niets van die zogenaamde auto-emissiegeluiden gehoord. Waarom kan ik mijn hartslag niet horen? Zo voel je je vast als je een hallucinerend middel gebruikt, denk ik, en zit te wachten tot het erin knalt. Na ongeveer dertig minuten realiseer ik me dat ik in een soort meditatieve toestand ben geraakt, alleen maar luisterend naar het ritmische geluid van mijn eigen ademhaling. Ik hoor zo nu en dan een enkel of dubbel pulserend geluid in het ene of het andere oor; misschien een aanpassing aan de afwezigheid van geluid? Of is het toch mijn eigen hartslag? Ik ben me hyperbewust van mijn lichaam, van het nu en dan optredende gerommel in mijn maag, het schrille gefluit van de lucht die mijn neus in- en uitgaat. Ik voel dat mijn lichaamstemperatuur iets gestegen is. Een paar minuten later ben ik zelfs een beetje duizelig. Mijn oren zitten dichtgepropt, alsof ik donzige oorwarmers heb opgezet. Ik voel me geïsoleerd, alsof de tijd stil is blijven staan. De wetenschappers weten dat ik hier ben en ik hoef maar te roepen, houd ik mezelf voor, maar toch voel ik me paranoïde. Het gepiep in mijn oren en de beklemming op mijn borst worden ondraaglijk. Het pulseren in mijn oren neemt toe, mijn adem gaat erger fluiten. Ik voel me niet geïnspireerd. Sterker nog, ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld. Steve Orfield zou me waarschijn- lijk wel wat redenen kunnen noemen waarom ik me door de stilte zo ongemakkelijk voelde. In zijn laboratorium in Minneapolis, in het midwesten van Amerika, bedrijft Orfield wat hij ‘perceptueel marktonderzoek’ noemt, oftewel: het meten van geluidskwaliteit. Van het gebulder van een Cessna en het geronk van een Harley tot het geratel van de harde schijf in je computer, alle producten geven wel een soort geluid, tientallen topbedrijven hebben al bij Orfield aangeklopt om er via uitgebreide consumententests achter te komen hoe het geluid van hun product macht of kwaliteit of luxe kan uitstralen. Maar consumententests vormen niet het hele plaatje bij Orfield Labs. Op het terrein van zijn bedrijf – dat beschikt over een gehoorzaal, een akoestisch simulatielaboratorium en een galmkamer – is een dode kamer die door Guinness World Records tot ‘de stilste plek op aarde’ is bestempeld. ‘Het is alsof je in een kamer zit die aan alle kanten is bekleed met een laag stof van dertig centimeter dik’, legt Orfield uit. ‘De vloeren, het plafond, de wanden, er is gewoon niets wat weerkaatsing kan oproepen.’ Maar deze dode kamer is bijzonder en veel geluiddichter dan die van het onderzoekscentrum in Berkeley. Het zeskantige vertrek zweeft op een vering in een betonnen put, die omsloten wordt door een tweede kamer, die weer omgeven wordt door een betonnen constructie van ongeveer drie meter dik. Toen de bouwer van de kamer bij een geluidsmeting op min 9,64 decibel uitkwam, besloot hij contact op te nemen met Guinness en... Nou ja, de rest is bekend. Orfield benadrukt dat naar technische begrippen de stilste plek op aarde eigenlijk niet stil is, net zomin als de symfonie van Cage. Het is eigenlijk gewoon een plek waar geluid niet kan nagalmen, het tegenovergestelde dus van bijvoorbeeld een kathedraal of een sportstadion. Maar toch, de Guinness-vermelding zorgt steevast voor bezoekers die even willen kijken. Het is op zijn minst een experiment in zintuiglijke onthouding. ‘We bieden iedereen die er 45 minuten in het donker in wil zitten een krat Guinness aan,’ legt Orfield uit, ‘maar daar gaat nooit niemand op in. De mensen zijn bang voor die kamer.’ Zelfs Orfield doet het niet. ‘Als ik er een half uur in zou zitten, zou ik het benauwend vinden’, lacht hij. ‘Zelfs als ik het tien keer achter elkaar deed, zou ik het nog benauwend vinden.’ Ik heb Ervin Hafters tijdrecord dan wel gebroken, maar mijn angst voor de kamer was er niet minder om. Plus dat ik het licht aan wilde houden. Gerry Popelka, hoofd Audiologie van de medische faculteit aan Stanford University in Californië en uitvinder van het digitale hoortoestel, kan uitleggen waarom stilte zo griezelig is. De oren kennen geen fysieke aanpassing aan stilte, zegt hij. Mensen zijn daarentegen zo gewend aan een overmaat aan geluid dat ze het verblijf in een dode kamer, die nagalm en geluid van buitenaf uitschakelt, juist als vreemd ondergaan omdat niemand dat ooit ervaart. ‘We lopen rond in omgevingen die van nature lawaaiig zijn’, zegt Popelka. En naarmate we in een meer gemechaniseerde maatschappij leven, komt er nog meer lawaai. Neem je nu al dat geluid weg, dan krijg je een andere gewaarwording. Maar aan je oren is helemaal niets veranderd. Het idee dat je je eigen bloed door je aderen kunt horen stromen is eigenaardig. Maar het is alleen eigenaardig omdat je het nooit eerder hebt gehoord.’ ‘Bovendien,’ vervolgt Popelka, ‘is er een emotionele en psychische reactie gekoppeld aan zo’n ingrijpende verandering in de zintuiglijke omgeving. Het is zoiets als bang zijn om naar de bovenste sport van een ladder te klimmen: als je het een flink aantal keren probeert, is het niet zo dat je botten minder broos zijn geworden door het oefenen, maar ben je gewoon minder bang geworden om te vallen en je te bezeren. Mijn systeem kreeg dus een shock door het feit dat ik niet aan deze vorm van stilte gewend ben.’ ‘Horen wordt sterk geassocieerd met taal en communicatie,’ zegt Popelka, ‘maar het verbindt ons ook met de omgeving.’ Zo volledig afgesneden zijn van die omgeving is, tja, beangstigend dus. Experts als Orfield en Popelka zeggen dat de jonge mensen van nu waarschijnlijk ernstiger gehoorverlies te wachten staat dan hun ouders, de babyboomers, domweg doordat ze opgegroeid zijn in het tijdperk van de walkman en de iPod. En hoe meer schade er optreedt door het dragen van oor- en hoofdtelefoons, hoe meer de luisteraar geneigd zal zijn het geluid harder te zetten, in plaats van zich aan te passen aan een lager volume vanwege zijn slechtere gehoor. Nadat ik meer dan een uur in de dode kamer van Berkeley heb doorgebracht, verkeer ik de rest van mijn bezoek aan het laboratorium in een staat van verdoving, die pas overgaat als ik de betonnen trap op en de deur uit kan stappen, het zonlicht in. Zo hyperbewust als ik me in de dode kamer was geweest van mijn ademhaling en het verstopte gevoel in mijn oren, zo scherp is nu mijn waarneming van het geluid van mensenstemmen en voorbijrijdende auto’s. In feite ben ik nog nooit zo dankbaar geweest voor die herrie, die heerlijke herrie. Omdat ik volwassen ben geworden in een tijd dat stilte wellicht iets van vroeger leek – of hooguit een teken dat de batterijen van je walkman leeg waren – zijn ‘de ongehoorde melodieën’ van de dichter Keats aan mij misschien niet zo besteed. Het mag tegenwoordig nog zo moeilijk zijn rust en stilte te vinden, ik zou waarschijnlijk nog minder zonder de drukte en het geroezemoes van het dagelijks leven kunnen. Drukte en geroezemoes horen er gewoon bij. De schoonheid van stilte zit in het oor van de luisteraar. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright) |