www.odemagazine.com

Natalie Righton | 107 juni 2008 issue

'Wie wil er nou vluchteling zijn?'

Zanoessi Nimir (12), vluchteling uit Darfur, wist te ontkomen toen soldaten schietend zijn dorp aanvielen. Nu woont hij in een vluchtelingenkamp in Tsjaad.

‘Ik was met mijn moeder op het platteland geiten aan het hoeden, toen ik in de verte zag hoe ons dorp werd aangevallen door soldaten. Ze schoten in de lucht en staken huizen in brand. Iedereen rende alle kanten op. Ik stond verstijfd van angst te kijken. Mijn vader, broertjes en zusjes waren nog in het dorp, dacht ik. Vanaf toen ging alles heel snel. Mijn moeder greep me bij mijn pols en trok me mee. “Rennen! Nu!”, riep ze.

Toen we bij wat struiken gingen uitrusten, vertelde mijn moeder dat ze met mijn vader had afgesproken dat we elkaar in Tsjaad zouden zien als het ooit oorlog zou worden. We liepen drie dagen door de woestijn. We hadden bijna geen eten en drinken bij ons, omdat we zo plotseling waren gevlucht. Onderweg was veel gevaar. De Soedanese soldaten die ons dorp aanvielen, wilden niet dat we de grens zouden oversteken, dus patrouilleerden ze overal. Ik heb ze een paar keer in de verte voorbij zien komen in grote pick-up-trucks. Dan verstopten we ons achter dorre struiken. We hadden geluk dat het heel hard waaide toen wij vluchtten. De woestijnwind zorgt namelijk voor zandstormen en daardoor zien de militairen je slecht. Je wordt er onzichtbaar van.

Toen we eindelijk aankwamen bij een groot meer in Tsjaad, zag ik mijn vader, broertjes en zusjes terug. Ik was zo gelukkig! Na een paar dagen kwam er een witte meneer in een witte auto en die vertelde ons dat hij ons ging helpen. Hij zei dat hij de Verenigde Naties was. Blijkbaar was het een belangrijke meneer, want mijn vader moest precies vertellen wat er was gebeurd en waar we vandaan kwamen. Pas na een paar uur praten geloofde hij ons en mochten we het kamp in. De meneer zei: “Sorry, maar er zijn veel arme mensen die vlak bij het kamp wonen die net doen alsof ze vluchtelingen zijn. Die arme mensen willen ook graag eten, drinken en een tent.” Nou, zo had ik er nog nooit over nagedacht. Wie wil er nou vluchteling zijn?

Inmiddels wonen we nu al vier jaar in een vluchtelingenkamp van hem. Ik mis mijn dorp wel, maar voor de rest ben ik hier best gelukkig. Ik heb bijna nooit honger of dorst, zoals vroeger. Zelfs mijn beste vriend Idris uit mijn oude dorp woont hier! Samen gaan we vaak voetballen.’

Lobsang Lungtok (12, rechts op de foto) trok met zijn ouders de besneeuwde bergtoppen van de Himalaya over om Tibet te ontvluchten, waar boeddhisten worden vervolgd door de Chinese bezetters. Hij woont nu in een klooster in Kathmandu, Nepal. Lobsang is zijn kloosternaam. Voor de Chinese autoriteiten valt zijn familienaam niet te achterhalen.

‘Als ik terugdenk aan mijn vlucht naar Nepal, drie jaar geleden, kan ik nog bang worden. Overal in de bergen lag sneeuw, waardoor de paden niet meer zichtbaar waren. Als we niet zouden oppassen, zouden we zo in een ijsspleet vallen. Mijn ouders lieten daarom twee yaks – langharige, Tibetaanse buffels – voorop lopen, omdat zij bergpaden door de sneeuw heen kunnen ruiken. We overleefden de reis door in de voetsporen van de yaks te lopen.

Zo koud als tijdens die reis had ik het nooit gehad. Ik had een jas aan van yakvacht en schoenen met wol aan de binnenkant, maar het hielp niet. Van de drie mensen die met ons mee vluchtten, bevroren de tenen en vingers. De bevroren stukken waren helemaal zwart. Mijn vader zei dat ik niet moest kijken, maar ik kon het niet laten. Ik zal die kleur nooit meer vergeten.

Na zes dagen lukte het om de grens met Nepal te bereiken. Daar verstopte mijn moeder mij onder de stoel van een bus die naar Kathmandu vertrok. Ze zei dat ik stil moest blijven tot ik de stem van mijn tante zou horen die mijn naam riep. Zij zou mij in Kathmandu ophalen en verstoppen in een Tibetaans klooster. Toen gaven mijn ouders me een dikke zoen. Het was de laatste keer dat ik ze zag. Ze gingen terug naar Tibet, omdat ze in Nepal nooit werk of een verblijfsvergunning zouden krijgen, legden ze uit. Maar echt gesnapt heb ik het nooit.

Ik heb mijn ouders nu drie jaar niet gezien. Ik mis ze heel erg. Toch ben ik blij dat ik in Nepal woon en niet meer in Tibet. Ik kan nu elke dag naar school en mijn droom is uitgekomen: ik ben een echte Tibetaanse monnik. Ik ben erg gelukkig hier.’

Fatima Hussein (11, rechts op de foto) was zeven, toen Ameri­kaanse bommen op Bagdad vielen. Haar vader werd doodgeschoten voor zijn winkel in gordijnstoffen. Daarna besloot haar moeder dat het gezin naar Jordanië zou vluchten.

‘Vroeger woonde ik in een mooi huis met twee verdiepingen in Bagdad. We hadden meubels, een televisie en zelfs internet. Ik had ook een mobieltje. Ik had veel speelgoed, wel twee zakken vol. Elke dag speelde ik buiten met mijn beste vriendinnetjes Nina, Seja en Zaha. In Jordanië, waar we bij mijn oom wonen, is ons huis heel klein en kaal. We hebben geen schilderijen aan de muur en geen tafel, stoelen of bedden, maar wel één bank. Eten doen we zittend op de grond.

Ik heb hier niet veel eigen spulletjes, want toen we vluchtten uit Irak, mochten we niet teveel meenemen. Mijn opa in Bagdad heeft beloofd goed op mijn speelgoed te letten. Hij zegt dat ik alles terugkrijg als het weer vrede is in Irak. Opa bezoekt soms ook mijn vriendinnetjes en zegt dat het heel goed met ze gaat. Maar als ik bel, krijg ik ze nooit aan de telefoon.

Sinds kort ga ik naar school in Jordanië. De kinderen in mijn klas zijn erg aardig. Dit jaar ben ik ook voor het eerst op schoolreisje gegaan. We gingen naar een pretpark. Ik vond de achtbaan het engst. Ik moest gillen toen we naar beneden gingen. Maar de juffen die achter mij zaten, gilden nog veel harder. Dat vond ik heel grappig.

Later als ik groot ben, wil ik graag dokter worden. Dat is een heel handig beroep, heb ik bedacht, want als ik ooit zelf gewond raak in een oorlog, kan ik mezelf beter maken.’

Louisa Maria Velasquez (12, links op de foto) vluchtte uit haar dorp in de jungle van Colombia, waar rebellengroepen, paramilitairen en het leger met elkaar vechten. Ze woont nu met haar moeder en vier zusjes in een sloppenwijk in Barrancabermeja, in het noordoosten van Colombia. Haar vader is de bergen in gevlucht.

‘Ik ben opgegroeid in de jungle. Ik maakte hutten van bananenbladeren en speelde verstoppertje met mijn zusjes. Ik woon nu in een sloppenwijk met honderden mensen dicht op elkaar. Ik mis de stilte en boompje klimmen. We zijn hier in de stad erg arm en ik heb vaak honger. De bananen die hier groeien, mag je niet zomaar plukken, zoals in de jungle; je moet ervoor betalen.

De muren van ons huisje zijn van hout en de vloer is van aangestampte aarde. Overal in het huis zitten gaten en kieren. In het regenseizoen in juli wordt het plotseling koud en dan zit ik te rillen op mijn bedje. Het dak lekt. Mijn moeder en ik zetten dan overal pannen neer om het water op te vangen. Papa schrijft mij vaak brieven en hij belt. Hij zegt dat hij ons mist. Ik mis hem ook. Als de oorlog voorbij is, komt hij weer naar huis, heeft hij beloofd. Maar wanneer dat is, weet ik niet.

Mijn leven is niet alleen maar ellende, hoor. Ik speel lekker veel buiten, volleybal bijvoorbeeld. En ik heb een eigen hoelahoep. Later als ik groot ben, wil ik salsadanseres worden. Ik oefen vaak bij mijn tante, want zij heeft een cd-speler met muziek. Iedereen bij mij in de buurt kan salsadansen. ’s Avonds hoor je uit allerlei huizen salsamuziek en zie je mensen dansen. Kinderen oefenen samen met hun ouders of met elkaar. Ik wil salsa­danseres worden. Dan mag ik elke dag mooie kleren aan.’

Deze verhalen en foto’s zijn bewerkt en overgenomen van Gevlucht uit Tibet, een boek van journalist Natalie Righton en fotograaf Ton Koene, die wekenlang hebben opgetrokken met jonge vluchtelingen. Het boek (voor kinderen vanaf acht jaar) verschijnt in juni bij uitgeverij Lemniscaat en kost € 19,95, waarvan € 2,50 gaat naar projecten voor gevluchte kinderen.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)