www.odemagazine.com

Marco Visscher and James Geary | 106 mei 2008 issue

Wereldredders

‘Links, rechts, links, rechts, links, rechts!’ Zo’n vijftig jonge vrouwen – in groene legeruniformen, op roze pumps, met roze baretten en een roze winkelmandje onder de arm – marcheren door de straten van Amsterdam. Vlak voor een groot warenhuis klinkt het ‘halt!’ van aanvoerder Kristja. ‘Stoere vrouwen... Verspreid!’ De vrouwen stromen het warenhuis binnen. Het koopleger zal er zoeken naar dierproefvrije cosmetica, biologische etenswaar en producten die onder eerlijke omstandigheden gemaakt zijn.

Het winkelende publiek deinst op deze najaarsmiddag eerst geschrokken achteruit, maar moet al snel glimlachen. Ah, zie je ze denken, de dames zijn bezig met een politieke actie. En het winkelpersoneel? Dat hoopt vooral dat de vrouwen snel ophouden met hun kritische vragen: ‘Hoe weet u zeker dat dit kussentje niet door kinderhanden is gemaakt?’ ‘Welk percentage van de verkoopprijs van deze chocoladereep gaat naar de cacaoboer?’

Ondertussen, in het kantoor van Stonyfield Farm in Londonderry, New Hampshire, in het noordoosten van Amerika, blikt medeoprichter en directeur Gary Hirshberg terug op zijn reis van ‘een langharige milieuactivist die altijd platzak was’ tot hoofd van Amerika’s bestverkopende merk biologische yoghurt. ‘Ik had helemaal niet de ambitie om een zakenman te worden’, zegt hij. ‘Hoewel ik diverse milieuorganisaties had geleid, wist ik erg weinig van hoe je een bedrijf moest leiden. Maar ik realiseerde me dat ik het kapitalisme moest omarmen als ik meer invloed wilde hebben. Het bedrijfsleven is nu eenmaal de enige machtsfactor die sterk genoeg is om te komen tot de verandering die we willen zien. Er is oneindig veel meer dan ik in deze rol heb bereikt dan ik op een andere manier had kunnen bereiken.’

Enkele jaren geleden verkocht Hirshberg tachtig 80 procent van zijn firma aan Groupe Danone, het Franse voedingsconcern met een omzet van dertien 13 miljard euro. Je zou denken dat de ethische waarden van Stonyfield zouden sneuvelen in de blinde zucht naar winstmaximalisatie, nietwaar? Mis!. Sinds Hirshberg invloed heeft op Danone is het distributiesysteem veranderd om de uitstoot van CO2 te verminderen, is videoconferencing geïintroduceerd om niet te hoeven vliegen naar belangrijke bijeenkomsten, zijn er programma’s voor een milieuvriendelijke verpakking en recycling ontstaan en is zijn er zelfs een aantal biologische zuivelproductlijnen op de markt gezet. Intussen boekte Stonyfield nog altijd jaarlijkse groeicijfers van zo’n 24 procent en ging tien 10 procent van de winst naar goede doelen die de natuur beschermen. Frank Riboud, de topman van Danone, vertelde aan The Wall Street Journal: ‘Stonyfield vertegenwoordigt een ethiek die we bij Groupe Danone moeten overnemen als we succesvol willen zijn in de 21ste eeuw.’

Wat hebben uiteenlopende organisaties als het Koopleger en Stonyfield gemeen? Beide zijn ze exponenten van ‘het nieuwe actievoeren’, een methode om positieve verandering te stimuleren met een mengeling van maatschappijkritiek en humor, kunstzinnige flair en zakelijke deskundigheid. Geen boycots of sit-ins. Geen demonstranten die zich met handboeien aan een hek hebben vastgeklonken en op hoofdkantoren opgehangen spandoeken. Nee, de nieuwe actievoerders – zoals de dames van het Koopleger en de directeur van Stonyfield – kiezen een andere benadering om de aandacht te trekken en politieke en maatschappelijke thema’s aan de orde te stellen. In plaats van een bestraffende vinger op te heffen maken ze ons aan het lachen of dwingen ze ons de beurs te trekken, terwijl ze ondertussen hopen ons geweten te prikkelen.

De boze, provocerende actievoerder bestaat natuurlijk nog steeds – en die is ook nog steeds nodig. Zo heeft de Sea Shepherd Conservation Society in maart een Japanse walvisvaarder door de ijskoude wateren van de Zuidelijke Oceaan achtervolgd om protest aan te tekenen tegen de walvisjacht, waar Japan zich nog steeds mee bezighoudt. Maar de nieuwe actievoerders zouden hun boodschap liever in legertenue of streepjespak overbrengen dan in een opblaasbare boot. Deze demonstranten doen een beroep op ons gevoel voor humor en ons belang als consument – en daarmee op ons verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van het milieu en ons rechtvaardigheidsbesef. Het resultaat: vooruitgang.

Sommige nieuwe actievoerders zijn grappenmakers. Denk maar aan de Yes Men, een groep Amerikanen die zich vorig jaar nog uitgaf voor vertegenwoordigers van ExxonMobil en de National Petroleum Council en in die rol een inleidende rede hield voor de grootste jaarlijkse olietop in Canada. Honderden oliedirecteuren luisterden met stijgende ontzetting naar de Yes Men, die het publiek verzekerden dat de olie-industrie bij een wereldwijde klimaatcatastrofe ‘de brandstofstroom zou veilig stellen’ door de miljarden mensen die zouden omkomen in olie om te zetten. Anderen zijn stand-up comedians, zoals Reverend Billy (echte naam: Bill Talen), die in Amerikaanse winkelcentra bidt voor de ziel van de zondaars die de afgoden van het consumentisme vereren.

Sommige nieuwe actievoerders zijn te vinden in de directiekamers van bedrijven, zoals de mannen van Google, Larry Page en Sergey Brin, die meer dan een miljard dollar via de charitatieve afdeling van het bedrijf hebben weggeschonken voor de strijd tegen klimaatverandering en armoede. Anderen bewegen zich op het terrein van de politiek. De voormalige Amerikaanse vice-president Al Gore is een lichtend voorbeeld. Met zijn film An Inconvenient Truth heeft hij het broeikaseffect – voorheen het exclusieve speerpunt van milieubeschermers – onder de aandacht van het grote publiek gebracht.

Net als alle ontluikende bewegingen heeft het nieuwe actievoeren (in ieder geval de lichtere variant ervan) een lange en eerbiedwaardige geschiedenis. ‘Het inzetten van humor als bijzonder wapen tegen bevoorrechting, rijkdom, oorlog en onrecht – een wapen dat vaak effectiever is dan serieuze, gesproken argumenten – is niet nieuw’,’ vertelt de cultuurhistoricus, politicoloog en schrijver van A People’s History of the United States Howard Zinn. ‘De prenten van [de Franse 19e-eeuwse negentiende-eeuwse karikaturist] Honoré Daumier, die priesters, wetgevers en de rijken bespotte, stonden ook in een lange traditie van tekenaars van spotprenten die gewaagde, geestige prenten maakten om een serieus standpunt uit te dragen. De tekenaars van nu zijn familie van de Yes Men en kornuiten.’

De boodschap is misschien niet nieuw, maar het medium in elk geval wel. ‘Dankzij televisie en internet zijn de beelden voor miljoenen mensen zichtbaar’,’ legt Zinn uit. ‘Ze hebben de aanzet gegeven tot het soort guerrilla-acties dat we sinds de jaren zestig steeds vaker zijn gaan zien. Door de nieuwe communicatievormen kan de hele wereld zien wat die grapjassen uitvoeren.’

Veel nieuwe actievoerders met humor hebben hun wortels in de jaren zestig en de ludieke acties van hippies zoals Abbie Hoffman. In de zomer van 1967 nam Hoffman samen met een groep andere Yippies – leden van de door Hoffman opgerichte Youth International Party (internationale partij van jongeren) – deel aan een rondleiding in de Beurs van New York en gooide honderden (merendeels valse) dollarbiljetten vanaf een galerij op de beursvloer beneden. Sommige handelaars vielen over elkaar heen in hun pogingen het geld weg te grissen. De media waren er snel bij en later die dag besteedde het televisiejournaal er aandacht aan. In zijn boek Revolution for the Hell of It schreef Hoffman: ‘Wij hebben de pers er niet bijgehaald. We hadden toen nog geen idee van zoiets als een media-event, zoals dat heet.’

Elena Simons, regimentleidster van het Amsterdamse Koopleger, weet precies wat een media-event is als ze zoiets organiseert. De overval op het warenhuis is een van de vele initiatieven van haar nieuwe en groeiende organisatie StoereVrouwen, die zo’n 160 leden telt in vijf steden in Nederland. Winkeliers die weinig of geen biologische, fair-trade- of diervriendelijke producten verkopen, worden daar geregeld toe gestimuleerd – via grappige militaire manoeuvres van vrouwen in een groen legeruniform en met een roze baret.

Op de website van de StoereVrouwen (stoerevrouwen.nl) wisselen de leden tips uit over maatschappelijk verantwoorde winkels, merken en restaurants. Want, zoals op de website staat: ‘Vrouwen houden van winkelen, van mode en van lekker tutten met elkaar’. Dat is belangrijker dan ooit, volgens de site, want door hun koopkracht kunnen vrouwen ‘de natuur redden, mensen ver weg een goed inkomen geven en dieren netjes behandelen.’

‘We knagen aan de fundamenten van ons stelsel’,’ verklaart Simons nuchter over het ongebreidelde gebruik van natuurlijke grondstoffen in het Westen. ‘Dan moeten we niet raar opkijken als we nu merken dat het bouwwerk aan het instorten is.’ Volgens Simons is het hoog tijd om de wereld te redden en door haar inspanningen op dat gebied wordt ze door sommigen ook wel ‘Wonderwoman’ genoemd – en, vooruit, ook omdat haar stichting Wonder (wonder.nl) heet.

Simons is echter op meer dan één gebied wonderlijk te noemen. In haar laatste boek, met de bescheiden titel Alle grote wereldproblemen en hun oplossingen: doe mee! wordt alles behandeld, van armoede tot oorlog en milieuvervuiling. Ze noemt zichzelf het liefst een ‘maatschappelijke uitvinder’ die ‘plezier wil maken met de samenleving’. Blijkbaar lukt haar dat goed. Zo toog ze met een groep uitkeringsgerechtigden naar een dure villawijk in Bloemendaal met een een mand vol cadeautjes – van bloembollen tot zelfgebakken taarten – om de rijken te bedanken voor hun gulle bijdrage aan het belastingsysteem dat deze uitkeringen mogelijk maakte. Dat was lachen.

En ze is niet bang om ernstige zaken met een fikse portie ironie aan te pakken. In 2003, toen het integratiedebat in Nederland een kookpunt had bereikt, publiceerde Simons Pret met moslims, waarin ze haar uitstapjes met moslims naar amusementsparken en winkelcentra beschreef, voorzien van plaatjes van Barbie met een hoofddoek om en Ken met een baard. Eind 2004 – toen steeds meer Nederlanders wraak zwoeren na de brute moord op Theo van Gogh – nam Simons Sinterklaas in de arm om de moslimgemeenschap te verrassen. ‘Mijn dag kon niet meer stuk, blikt Simons terug, ‘toen ik hoorde dat een oudere islamitische heer had gezegd dat dit precies het gebaar was dat ze nu nodig hadden.’ Sint werd terstond uitgenodigd om met de imam in de moskee thee te drinken.

‘Maatschappelijke thema’s waar we zwaar en ingewikkeld over doen, hebben behoefte aan vrolijke daadkracht’, zegt Simons. ‘Meningen en verhitte debatten zijn zinvol om een probleem helder te krijgen, positieve actie lost het probleem op. Plezier brengt mensen op de been en zorgt voor een stemming waarin problemen niet zo problematisch zijn.’

Voor sommigen is Simons misschien nog steeds extreem, maar meer conventionele varianten van haar geestige, provocerende aanpak zijn te zien bij filmmakers zoals Michael Moore (Bowling for Columbine, Fahrenheit 9/11, Sicko) en Morgan Spurlock (Supersize Me). Jim Hightower, de in Amerika populaire radiocommentator, formuleert het als volgt: ‘Ze beseffen dat de humor aan onze kant staat. Als je mensen aan het lachen krijgt, zullen ze zich ontspannen en meer bereid zijn te luisteren. Dichters, komieken en kunstenaars kunnen beter met het publiek communiceren dan politici, academici en zakenlui. Humor is de sleutel tot de geest.’

Humor mag dan de sleutel zijn tot de geest, maar worden er ook problemen door opgelost? Niet volgens Kalle Lasn, de oprichter van Adbusters, het in Canada gevestigde mondiale netwerk van kunstenaars en actievoerders ‘die de voortrekkers van het nieuwe maatschappelijke actievoeren van het informatietijdperk willen zijn’. Lasn vindt de nieuwe actievoerders wel leuk, maar voelt zich er niet door geïnspireerd. ‘Als we alleen maar lol maken verliezen we het. Er is meer nodig als we ons willen verzetten tegen het kapitalisme en de mediamacht van megabedrijven. Dan zijn een paar grappen niet genoeg.’

Lasn geeft de voorkeur aan ouderwetse, rechtschapen woede en verontwaardiging, omdat je naar zijn mening alleen daarmee iets gedaan krijgt. ‘Het nadeel van te veel parodieën, grappen en grollen is dat alles erdoor wordt gebagatelliseerd. We zullen tot het besef moeten komen dat we in een gevaarlijk tijdperk leven van klimaatverandering, een eindeloze oorlog tegen de terreur en een epidemie van psychische aandoeningen. Ik vraag me af wat je eraan hebt om alleen maar aardige video’s te maken en te verspreiden. Je hoort iets over een grap, stuurt die door naar een vriend en dan zitten honderdduizenden mensen te lachen en te klappen. Leuk hoor, maar wat heb je dan uiteindelijk bereikt?’

Lasn – die in zijn tijdschrift Adbusters zowel ruimte biedt aan vermakelijke parodieën op onze populaire cultuur als aan doorwrochte essays – gelooft dat linkse progressievelingen zich moeten afvragen wat er verkeerd is gegaan. ‘We moeten onze strategie heroverwegen vanuit het gezichtspunt van een verslagen leger. We moeten dat ouderwetse linkse hokje verlaten en met nieuwe, radicale ideeën komen, zoals ontmarketing en een economie op basis van de werkelijke prijs. Als we nu eerst de grote vragen gaan beantwoorden, kunnen we daarna misschien weer ruimte maken om lol te maken.’

De ‘zakelijke actievoerders’ zijn van mening dat ouderwetse verontwaardiging weinig uithaalt. ‘De wereld is niet meer bezig met de stelling dat er een probleem is, maar met de vraag wat we eraan kunnen doen’, meent Paul Hohnen, politiek directeur van Greenpeace International tussen 1993 en 1998. ‘Daar heb je een nieuw soort actievoerder voor nodig. Jezelf aan een boom vastketenen hoort bij de fase van bewustwording, maar nu zitten we in de fase van het zoeken naar oplossingen waarin al dat vastketenen aan bomen contraproductief kan zijn.’ Daarom zijn Hohnen en anderen van mening dat een zakelijker – misschien wel bedrijfsmatiger (geeuw!) – aanpak beter werkt.

Het echte nieuwe actievoeren zie je volgens Hohnen – , een voormalig Australische diplomaat die zich bij Greenpeace aansloot en nu werkzaam is als adviseur van bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties – , ‘bij de duizenden mensen die normaal gekleed gaan en in bedrijven, banken, universiteiten, overheidskantoren en maatschappelijke organisaties werken. Het is een klasse van schijnbaar saaie, onopvallende en alledaagse actievoerders bij wie een gestreept overhemd en een enkele stropdas nog het meest kleurrijke aspect is, maar die ondernemingen en andere organisaties op ingrijpende wijze kunnen veranderen. Dat zijn de mensen op wie ik mijn hoop heb gevestigd voor drastische en snelle veranderingen.’

Een van die onbekende actievoerders is Jeremy Leggett, eveneens een vluchteling van Greenpeace, die adviseur voor de olie-industrie was voordat hij bij de milieuorganisatie kwam en nu aan het hoofd staat van Solarcentury, de grootste leverancier van zonnepanelen in Groot-Brittannië. Leggett heeft een omweg gemaakt voordat hij de leiding kreeg over een bedrijf in zonnepanelen – en de bijbehorende charitatieve instelling SolarAid. Nadat hij aan Oxford was gepromoveerd in de geologie, begon hij aan een lucratieve loopbaan als adviseur voor oliemaatschappijen voor het zoeken naar oliebronnen, tot grote teleurstelling van zijn milieubewuste vader, die bioloog was. Nadat hij een aantal wetenschappelijke artikelen over het broeikaseffect had gelezen, zocht hij in 1988 een groenere bestemming. Hij werd actievoerder bij Greenpeace en lobbyde tegen de politieke invloed van de gas- en oliemaatschappijen, die vroeger van zijn diensten gebruikmaakten. Maar Leggett raakte gefrustreerd toen hij zag hoe weinig de protesten opleverden en vertrok in 1998 om Solarcentury op te zetten.

Solarcentury maakt en verkoopt efficiënte, esthetische zonnepanelen die vrijwel niet te onderscheiden zijn van gewone dakpannen. Het bedrijf is marktleider in zonnecellen in Groot-Brittannië en werd in 2006 door de Sunday Times het snelst groeiende Engelse bedrijf in technologie voor duurzame energie genoemd. De winst van Solarcentury vloeit naar SolarAid, dat bijdraagt aan de strijd tegen armoede en klimaatverandering door de armste gemeenschappen op aarde te voorzien van een bron van duurzame energie.

Ondanks het succes van mensen zoals Leggett, blijft het bestormen van de directievertrekken voor de zakelijke actievoerders misschien wel net zo moeilijk als het beklimmen van kantoorgebouwen was voor de stoottroepen van de directe actie. Paul Hawken, auteur van het klassieke boek over duurzaamheid The Ecology of Commerce en het vorig jaar verschenen Blessed Unrest, memoreert hoe hij een toespraak voorbereidde voor het bestuur van een conservatieve Amerikaanse industriestad, toen een collega zich behulpzaam naar hem toe boog en fluisterde: ‘Nou, dit wordt net zoiets als een muilezel leren viool spelen. De ezel vindt het niet leuk en het klinkt ook niet al te best.’

Duurzaamheid is naar Hawkens mening nog steeds een heikele kwestie, vooral in de Verenigde Staten. ‘Amerika komt helemaal achteraan, zoals bij alle bedrijfsproblemen die het milieu aangaan’, meent hij. ‘In Duitsland, Zweden en, Groot-Brittannië, staat het in het middelpunt van de belangstelling. In Japan is het een cruciale strategische kwestie op directieniveau. Maar in Amerika zijn er nog steeds directies die werkelijk vragen of dit een trend is, en zo ja, wanneer die voorbij gaat. Er gaapt een enorme kloof tussen de leiders die de wereld nodig heeft en degenen die over het geld gaan.’ Des te meer reden, vinden de zakelijke actievoerders, om je eigen mensen van binnenuit te laten werken.

Niemand vindt dat actievoeren louter leuk en aardig mag zijn, ook de gekste grappenmakers van de post-moderne protestbeweging niet. Hebben we de opblaasbootbrigades nog wel nodig? ‘Ja, meer dan ooit!’, vindt Jacques Servin, die in zijn activiteiten met de Yes Men beter bekendstaat onder zijn pseudoniem Andrew Bichlbaum.

Ook vinden niet veel mensen dat mannen en vrouwen in scherp gesneden zakenkostuums de aangewezen personen zijn om iedere kwestie aan te kaarten. ‘Zonder actie zou er niets gebeuren,’, meent Jim Hightower. ‘Er zijn altijd boze activisten geweest en die zullen altijd nodig blijven. Iedereen weet dat je zowel humor als verontwaardiging nodig hebt.’

Ook Hohnen dringt aan op een breed scala van protesten. ‘In sommige landen zijn spandoeken passé. In andere kunnen ze nog bruikbaar zijn. In weer andere zijn ze wettelijk verboden. De wereld heeft maatwerk nodig. De sleutel is dat je bij de nieuwe manier van actievoeren bedenkt hoe de meeste verbetering is te behalen met de minste inspanning.’

Hawken is het daarmee eens. ‘Dit is niet het moment voor gezellige theekransjes. Dit is een tijd voor veranderingen. Bedrijven hebben tientallen jaren de tijd gehad om duimen te draaien. Nu wordt het tijd voor actie, en ieder denkbaar geweldloos middel moet worden ingezet. We hebben actievoerders harder nodig dan ooit in de geschiedenis.’

De volgende keer dat u erop uitgaat om een goedkoop t-shirt te kopen, moet u dus niet gek staan te kijken als een stoer regiment de kledingafdeling overvalt. En de volgende keer dat u door de gangen van een groot of klein bedrijf loopt, moet u eens opletten wat de managers dragen. Sommigen hebben misschien wel een roze baret op.

James Geary is eindredacteur en Marco Visscher is redactiechef van Ode.

Bekijk video’s van Elena Simons, de Yes Men, Reverend Billy, Mr. Condom en andere actievoerders: odemagazine.com/activism


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright)