www.odemagazine.com

Stacey Kalish | 106 mei 2008 issue

‘Simon leeft!’

Simon Atem was zeven toen zijn oom voor zijn ogen door militairen werd doodgeschoten, terwijl hij Simons hand vasthield. Hij was op bezoek bij familie, op een dag lopen van zijn eigen dorp Aweng in Zuid-Soedan, toen een militie het dorp binnenviel en het vuur opende op burgers. Het laatste woord dat Simon zijn oom hoorde zeggen, was: ‘Rennen!’

Het was 1995 en de Tweede Soedanese Burgeroorlog woedde in zuidelijk Soedan. De niet-Arabische bevolking van het zuiden streed onder leiding van het Volksbevrijdingsleger van Soedan voor onafhankelijkheid van het door Arabieren beheerste noorden. Dorpen werden systematisch aangevallen door islamitische legereenheden, in een poging de christenen te verjagen. De volwassenen werden door de soldaten vermoord, de meisjes tot slavin gemaakt en de jongens vluchtten het oerwoud in.

Het bos waarin Simon na de moord op zijn oom vluchtte, was zo dichtbegroeid dat het overdag zo donker als de nacht was. De eerste drie dagen was hij helemaal alleen. Hij sliep in bomen, tussen de wilde dieren, zonder enige bescherming tegen de doornen en stekels.

Op de vierde dag vond hij andere groepen ronddwalende jongens. Deze krijgsbende, die uiteindelijk 27.000 ontheemde of verweesde jongens telde, kwam later bekend te staan als de ‘lost boys’ van Soedan. Samen trokken ze zeker honderd kilometer per dag zonder schoenen, kleren, water of voedsel. Ze dronken hun eigen urine en aten wilde vruchten en dode dieren om in leven te blijven. Na twee maanden bereikte Simons groep een vluchtelingenkamp van de VN in Dimma, in Ethiopië.

Simon heeft de daaropvolgende acht jaar maar nauwelijks overleefd. Na een jaar in de smerige, zware levensomstandigheden van het vluchtelingenkamp, werd in 1997 de Ethiopische regering verdreven en stuurden de rebellen de jongens terug naar Soedan. Toen ze niet snel genoeg weggingen, begonnen de rebellen op hen te schieten. Simon vertelt met zijn zachte, monotone stem met een zwaar Afrikaans accent over die tijd: ‘De vlucht terug was zwaar. Veel jongens werden doodgeschoten of door krokodillen opgegeten in de rivieren. Het was al bijna onmogelijk geweest om in Ethiopië te komen, maar de terugtocht naar Soedan was nog moeilijker.’

Toen de overgebleven jongens eindelijk de Soedanese grens bereikten, werden ze opgewacht door gewapende voertuigen die hen dwongen rechtsomkeert te maken. Ze trokken nog een maand door de woestijn en kwamen toen in een vluchtelingenkamp. De jaren daarop trok Simon heen en weer tussen vluchtelingenkampen in Soedan en Kenia, totdat hij in 2003 eindelijk een visum kreeg van de Canadese regering. De VN-vertegenwoordigers gaven voor Simon de valse leeftijd van eenentwintig jaar op, om hem met zijn aanvraag te helpen. In werkelijkheid was hij toen vijftien.

Simon is nu negentien, een lange jongen met ingevallen wangen en uitstekende botten. Zijn eerste reis met een vliegtuig vier jaar geleden staat hem nog helder voor de geest. Samen met vijftig andere jongens stapte hij in een toestel naar Canada. Hij kon onderweg niet slapen: deels van opwinding en deels uit waakzaamheid. Hij hield bewust de vliegroute in de gaten op zijn scherm, zodat hij kon zien ‘waar het deze keer heen zou gaan’.

Inmiddels woont Simon in Calgary en zit hij in zijn laatste jaar van de middelbare school. Hij woont in het souterrain van een huis van een andere Soedanese familie.

Simon heeft zijn eigen familie niet meer gezien sinds de dag dat zijn oom werd vermoord. Na de aanval was het te gevaarlijk om naar zijn dorp terug te keren. Jarenlang wist hij niet eens of zijn familie nog leefde. Na tien jaar hoorde Simon via Soedanese vrienden dat zijn hele familie nog leefde. Een jaar lang deed hij zijn best om contact te leggen en afgelopen december kreeg hij het eindelijk voor elkaar dat zijn moeder de vier uur durende rit naar de Soedanese hoofdstad Khartoum kon maken om te telefoneren. Nu kan hij om de drie maanden met zijn familie spreken. ‘We hebben een uur lang alleen maar gehuild’, weet Simon nog. ‘Ze dachten dat ik dood was. Ze hebben twee begrafenisplechtigheden voor me gehouden. Maar nee, Simon leeft!’

Onder het eten van kip met uiringen merkt Simon op: ‘Ik neem het de soldaten die dit hebben gedaan niet kwalijk.’ Hij draagt een gestreept overhemd met een boord en een hippe, gebleekte spijkerbroek met een dikke parka. ‘Ik neem het de regering kwalijk die er de oorzaak van was. Ken je ons gezegde? Als olifanten vechten, lijdt het gras.’

Simon weigert toe te geven aan gevoelens van woede jegens zijn belagers. ‘Ik zou kwaad kunnen zijn op de islamitische soldaten, om wat ze mij en mijn volk hebben aangedaan’, zegt hij. ‘Ik zou hen kunnen haten, maar dan zou ik precies zo zijn als zij.’ Simon concentreert zich liever op zijn overlevingsverhaal en zijn sterke behoefte het aan iedereen te vertellen. ‘Ik heb geen visitekaartje om af te geven, dus geef ik mensen mijn levensverhaal’, zegt hij. ‘Hoe meer ik erover praat, hoe meer mensen weten wat anderen doormaken.’

De integratie verliep makkelijk voor Simon. Hij is extravert en het kost hem geen moeite contact te leggen. Maar hij draagt zijn verleden altijd mee – en niet alleen wanneer hij zijn verhaal vertelt. Hij heeft nog steeds nachtmerries over zijn tijd als ‘verloren jongen’. Gelukkig heeft hij ook andere dromen. ‘Op een nacht lag ik te slapen en zag ik een mens’, legt Simon op zakelijke toon uit. ‘Die ging voor me zitten en zei: “Simon, er is iets wat je moet doen. Je moet een school bouwen. Je moet een plaats bouwen voor jonge mensen. Je moet anderen leren hoe je de moeilijkheden in het leven hebt overwonnen.”’

Toen Simon zes was, had hij ook zo’n droom, een droom die de inspiratiebron werd voor zijn huidige project: de bouw van een school in zijn geboortedorp Aweng. Kinderen in Soedan krijgen les onder een boom en schrijven vaak in het zand, omdat ze geen schriften of ander materiaal hebben. Ze hebben geen lesprogramma en de leerkrachten zijn de vaders en moeders die als vrijwilliger een dagje lesgeven, maar zelf nauwelijks geschoold zijn. Simon wil dat kinderen in staat worden gesteld hun verstand te gebruiken en het onderscheid tussen goed en kwaad te leren. ‘Als je niet naar school bent gegaan, kan iedereen zomaar komen zeggen dat je het geweer moet oppakken en moet gaan vechten. Dan weet je niet wat er eigenlijk aan de hand is. Daarom moet ik jonge mensen een opleiding geven, zodat ze de leiders van vandaag - niet alleen van morgen - kunnen worden.’

Al in de eerste week op zijn nieuwe middelbare school begon Simon steun te werven voor zijn inzamelingsplannen. Hij wist een fastfoodketen zover te krijgen om koffie en donuts te doneren voor maandelijkse ‘koffiekringen’ op zijn school, waarvan de opbrengst naar zijn Canadese Onderwijsfonds voor Zuid-Soedan gaat, en hij werkt met de school samen aan andere plannen om geld in te zamelen, zoals etentjes, kookboekverkopen en een Moederdag-race voor vrede. Hij trekt door heel Canada om medestudenten toe te spreken en werkt onder andere samen met het Canadese International Development Agency (CIDA).

MichÈal Montgomery, een in kinderrechten gespecialiseerde advocaat die Simon ontmoette op een congres van het CIDA, zegt: ‘Simon heeft de gave andere mensen tot actie aan te zetten. Als hij eenmaal heeft besloten dat je belangrijk voor hem bent, is hij ongelooflijk vasthoudend en hardnekkig. Hij gebruikt ons niet, maar stuurt ons. En dat is heel bijzonder voor iemand van zijn leeftijd.’

Onlangs kreeg Simon een aangename verrassing: een cheque van drieduizend dollar van iemand uit het bedrijfsleven die hij nog geen half uur had gesproken. Daarmee kwam de stand van de liefdadigheidskas op elfduizend dollar. Simon heeft zich tot doel gesteld om deze zomer de gewenste zestigduizend dollar te bereiken en naar Soedan terug te keren om de school te gaan bouwen. Dan zal Simon voor het eerst sinds hun scheiding worden verenigd met zijn familie – en zal één verloren zoon eindelijk weer naar huis terugkeren.

Hij lacht aanstekelijk na de vraag of hij op al zijn omzwervingen ooit de hoop heeft verloren. ‘Al moet ik moeilijke tijden doormaken, altijd is God er nog’, zegt hij. ‘God probeert alleen maar uit hoe sterk ik ben.’

Stacey Kalish is freelance journalist in Brooklyn, New York.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright)