www.odemagazine.com

Donna Hicks | 106 mei 2008 issue

Gewoon respect

Aan een ronde tafel zitten twee mannen van achter in de vijftig op een armlengte afstand tegenover elkaar. Ze zitten wat te schuiven en kijken naar van alles, behalve naar elkaar. Ze zijn elkaars spiegelbeeld: uitdrukkingsloos, maar waakzaam, alsof ze zich opmaken voor de eerste aanval. De ene, Ronnie, een voormalig lid van het Ierse Republikeinse Leger (IRA), heeft eenentwintig jaar gevangenisstraf uitgezeten wegens poging tot moord op de man tegenover hem: een Britse politieagent, Malcolm, uit Southampton in Engeland.

Deze ontmoeting uit 2005 in een particulier huis nabij Belfast was georganiseerd door de BBC, voor de televisieserie Facing the Truth (De waarheid onder ogen zien). De opzet van het programma was slachtoffers en daders in het conflict in Noord-Ierland bij elkaar te brengen. Ik was als deskundige in conflictoplossing aan de Universiteit van Harvard uitgenodigd om de ontmoetingen te begeleiden, samen met aartsbisschop Desmond Tutu en Lesley Belinda, werkzaam aan de Tutu Foundation in Groot-Brittannië. Hoewel er in Noord-Ierland politiek flinke vooruitgang was geboekt, was er nog niet eerder openlijk aandacht besteed aan het menselijk leed als gevolg van de jaren van geweld en haat tussen protestanten en katholieken. Als er al een kans was op verzoening, moest iemand de deur naar de waarheid en naar herstel open zetten – en die moedige eerste stap werd gezet door de BBC.

Nog steeds ben ik onder de indruk van de wonderbaarlijke verzoening van Ronnie en Malcolm. Uit hun ontmoeting valt af te leiden wat er moet gebeuren als je het verleden wilt laten rusten nadat je in een persoonlijke relatie bent gekwetst. Hun ervaringen zijn niet specifiek voor de vernederingen die oorlog met zich meebrengt. Iedereen heeft ervaring met het slagveld. Relaties zijn het toneel waarop we onze menselijkheid of onmenselijkheid kunnen demonstreren. Wat er tussen die twee voormalige vijanden voorviel, is een mooi voorbeeld van de triomf van de menselijkheid.

In december 1974 was het conflict tussen de katholieken en de protestanten in Noord-Ierland op zijn hoogtepunt. De IRA had zijn bommen naar Engeland verplaatst, om de druk op de Britse regering op te voeren. Ronnie had met een ander IRA-lid dagenlang verscholen gezeten in een appartement in Southampton, wachtend op het bevel om een bom tot ontploffing te brengen, toen ze onverwachts door de Britse politie werden ontdekt.

Malcolm, een van de agenten die ter assistentie was opgeroepen, ging de IRA-leden achterna toen die vluchtten. Tijdens de achtervolging draaide Ronnie zich om en schoot Malcolm neer. Malcolm viel en Ronnie rende verder. Hij wist uiteindelijk Noord-Ierland te bereiken, maar werd een paar maanden later door de politie opgepakt. In plaats van zijn geplande trouwdag volgden zijn arrestatie en een veroordeling tot een lange gevangenisstraf.

Dertig jaar later stonden de camera’s klaar voor hun tweede confrontatie. Een ongemakkelijke stilte. Iedereen wachtte op een signaal van aartsbisschop Tutu, die in zijn eigen Zuid-Afrika talrijke ontmoetingen tussen slachtoffers en daders uit de tijd van de apartheid heeft begeleid. We hoopten allemaal op een teken van hem dat onze spanning zou wegnemen. Toen ging hij rechtop in zijn stoel zitten, leunde naar voren en met een brede lach op zijn gezicht heette hij beide heren welkom. Hij vertelde dat van hun gevraagd werd te vertellen wat er op de avond van de schietpartij was gebeurd en dat ze daarvoor alle tijd mochten nemen. Toen wendde de aartsbisschop zich tot Malcolm en vroeg hem te beginnen.

Verrassend kalm begon Malcolm zijn versie te vertellen van de gebeurtenissen op de avond dat hij door Ronnie was neergeschoten. Langzaam en weloverwogen vertelde hij tot in de dramatische details zijn verhaal. Toen hij beschreef hoe hij getroffen op de grond viel, brak zijn stem en stokte hij. Met gebogen hoofd begon hij te huilen. Het was de eerste keer in dertig jaar tijd dat hij over de gebeurtenissen van die avond sprak. Zelfs zijn kinderen hadden het verhaal nog nooit gehoord. Hij had zijn verdriet ingehouden.

Door zich kwetsbaar op te stellen in een situatie waarin hij werd gerespecteerd en beschermd, liet Malcolm zijn diep verborgen gekwetstheid zien en toonde hij zijn ongeschonden menselijkheid. Hij stelde niet alleen zijn eigen hart open, maar ook het onze.

Toen het Ronnies beurt was om te vertellen, schetste hij eerst een beeld van de politieke onderdrukking in Noord-Ierland die hem ertoe bracht zich bij de IRA aan te sluiten. Hij vertelde dat de katholieken werden gediscrimineerd. Hij zei dat de overheid werd gehaat vanwege de manier waarop de katholieken werden behandeld en hij zag geen mogelijkheid om langs politieke weg de situatie voor de katholieken in Noord-Ierland te verbeteren. Op zijn zestiende trad hij als vrijwilliger toe tot de IRA.

Hij beschreef een voorval dat zijn leven had veranderd: op een dag liep hij op straat met een vrijwilligster van de IRA, toen zij door het Britse leger werd doodgeschoten. Dat incident sterkte hem in zijn voornemen de gewapende strijd aan te binden tegen het onderdrukkende regime. Hij maakte duidelijk dat hij geen spijt had van zijn betrokkenheid bij de IRA; hij was er zelfs trots op.

Onder het vertellen toonde Ronnie de hele tijd een ijzeren vastberadenheid: hij was vastbesloten niet onder druk te zwichten en spijt of berouw te bekennen over wat hij had gedaan. Zijn lichaamstaal zond één boodschap uit: ‘Je krijgt me niet verder dan dit.’ Zijn gezicht stond strak en onverzettelijk: gespannen kaken en wijdopen ogen vol overtuiging. Op een gegeven moment vroeg ik of hij met Malcolm meeleefde toen hij hoorde wat Malcolm had doorgemaakt en wat zijn familie had ondergaan. Hij snauwde: ‘Natuurlijk leef ik met Malcolm mee! Ik leef met iedereen mee die te lijden heeft onder dit conflict... Vooral Malcolm.’

En voor het eerst zag ik hem oogcontact maken met Malcolm. De aartsbisschop zag het ook. Hij wendde zich tot Malcolm en vroeg: ‘Malcolm, wil je iets toevoegen nu je het verhaal van Ronnie hebt gehoord?’

Malcolm keek naar Ronnie en zei: ‘Nu ik jouw verhaal heb gehoord, realiseer ik me pas hoe moeilijk het moet zijn geweest om onder die omstandigheden op te groeien. En ik geloof dat ik precies hetzelfde zou hebben gedaan als ik in zo’n situatie was opgegroeid.’

Ik keek naar Ronnie, die perplex leek. Hij haalde diep adem, zette zijn ellebogen op tafel en leunde naar Malcolm toe. Ik zag zijn gezichtsuitdrukking milder worden en zijn schouders ontspannen. Malcolm vervolgde dat hij zonder twijfel razend zou zijn geworden als iemand die hem dierbaar was, werd gedood. Hij zei: ‘Ja, ik denk dat ik iemand zou kunnen vermoorden. Daar zal ik niet omheen draaien.’

In die paar ogenblikken – toen Malcolm Ronnies ervaringen erkende en omschreef – was tussen de twee mannen iets losgemaakt. Het waren niet meer twee mensen die van elkaar waren gescheiden door de tijd en de tragische gebeurtenis, maar mannen die met elkaar communiceerden en een opmerkelijke vertrouwelijkheid vertoonden. Het was of er niemand anders in het vertrek aanwezig was.

Aan het einde van de sessie gaf Ronnie te kennen contact te willen houden met Malcolm. Hij zei dat hij blij was dat Malcolm het had overleefd en ook dat hij hem een moedig mens vond.

In antwoord op mijn vraag ‘Vind je het moedig van Ronnie dat hij vandaag hier is gekomen?’, zei Malcolm tot slot: ‘Ja. Het is moedig om tegenover de persoon die je bijna hebt vermoord te gaan zitten en er niet onderdoor te gaan. Ik heb veel respect voor hem.’

Geïmponeerd bleven we zwijgend zitten. Uiteindelijk vroeg aartsbisschop Tutu de mannen hoe ze de sessie zouden willen besluiten. Ze keken elkaar even aan, stonden op en staken over de tafel heen hun hand naar elkaar uit. Die avond gingen ze Belfast in om samen te eten. Sindsdien hebben ze elkaar nog vaak ontmoet.

Wat gebeurde er tussen Malcolm en Ronnie dat hun uitzonderlijke verzoening mogelijk maakte? Het had niets te maken met vergeving: er werd geen vergeving gevraagd of geschonken. Wat er wel gebeurde, was echter even ingrijpend: ze respecteerden elkaars waardigheid en versterkten daarmee hun eigen waardigheid. Als relaties kapot worden gemaakt door vernedering, kunnen ze door respect worden hersteld.

Dankzij hun voorbeeld kunnen we in ons eigen leven misschien sneller op die dringende behoefte reageren voordat het onheil is geschied voor onszelf en voor degenen met wie we in conflict zijn. Misschien kunnen we leren dat we door anderen te vernederen onszelf tekortdoen en dat we door anderen te respecteren onze eigen waardigheid opbouwen. Die eigenwaarde is immers datgene waar we allemaal stilzwijgend naar verlangen en waar het allemaal om te doen is.

Donna Hicks is verbonden aan het Weatherhead Centrum voor Internationale Aangelegenheden van de Universiteit van Harvard en geeft workshops in respect en waardigheid.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright)