|
Een schoon initiatief |
|
In 1985 bedacht Peter Barnes een unieke manier om de wereld te veranderen. Hij richtte Working Assets op, een telefoonmaatschappij voor internationale telefonie, en beloofde een deel van de opbrengst te doneren aan vooruitstrevende organisaties zonder winstoogmerk. Een radicaal idee, maar wel heel effectief, want in de laatste twintig jaar heeft het bedrijf meer dan vijftig miljoen dollar gedoneerd aan goede doelen, zoals Greenpeace en Planned Parenthood. Nu komt Barnes, die in 1995 afscheid nam van zijn telefoonmaatschappij, opnieuw met een revolutionair idee, dit keer om het probleem van de klimaatverandering op te lossen. De Sky Trust, zoals Barnes het noemt, is een variatie op het zogeheten cap and trade-beleid; via dit beleid proberen overheden de vervuiling terug te dringen door emissievergunningen te verstrekken aan bedrijven die een emissieplafond krijgen toegewezen en de toegestane emissies als grondstoffen mogen verhandelen. In het model van Barnes, daarentegen, worden de vergunningen geveild en wordt het geld teruggegeven aan de bevolking. Barnes heeft er een boek over geschreven, Who Owns The Sky?, maar dit werd gepubliceerd in 2001, toen alle aandacht was gericht op de terroristische aanvallen op 11 september. ‘Mensen hadden toen andere dingen aan hun hoofd’, zegt hij. ‘Dit had minder prioriteit. Dat is nu wel anders. Al Gore, voormalig vice-president van de Verenigde Staten, won een Academy Award voor zijn documentaire An Inconvenient Truth, en kreeg vervolgens de Nobelprijs voor de Vrede, samen met het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Momenteel ligt een wetsvoorstel in de Amerikaanse Senaat om een cap-and-trade-systeem in te voeren. Alle belangrijke democratische presidentskandidaten zijn voorstander van strengere CO2-maatregelen. Ook de Europese Unie overweegt haar cap-and-trade-beleid aan te scherpen, dat vanaf het begin al te zwak was om voldoende effect te sorteren. Het Verdrag van Kyoto loopt af in 2012 en is een extra stimulans om meer internationale maatregelen te nemen. Er zijn veel ontwikkelingen, zegt Peter Dorman, milieueconoom aan het Evergreen State College in de staat Washington. ‘Men overweegt serieus een vergunningensysteem tot beleid te maken. Bestuurders beginnen in te zien dat het promoten van positieve alternatieven onvoldoende effect heeft, dat de CO2-uitstoot op de een of andere manier zal moeten worden teruggedrongen.’ Cap-and-trade-systemen reguleren de CO2-uitstoot via de markt: vervuilers hebben vergunningen nodig, maar die kunnen worden verhandeld of verkocht. De grote vraag naar vergunningen drijft de prijs op en hoge prijzen stimuleren bedrijven om hun behoefte aan vergunningen op de lange termijn te verminderen. De grote vraag is echter hoe de vergunningen moeten worden verdeeld en aan wie ze moeten worden verstrekt. Energiebedrijven stellen vaak dat vergunningen moeten worden weggegeven aan bedrijven en sectoren die in het verleden vervuilers waren, om de prijzen laag te houden. Volgens Jörg Haas, hoofd Ecology and Sustainable Development van de Heinrich Böll-stichting in Berlijn, heeft de Europese Unie echter duidelijke aanwijzingen dat dit een averechts effect heeft. De EU verstrekte gratis vergunningen aan voormalige vervuilers, maar de elektriciteitsprijzen zijn enorm gestegen, nutsbedrijven boeken recordwinsten en de CO2-uitstoot is toegenomen. Het probleem is het volgende: het principe van cap-and-trade is het via de markt reguleren van de CO2-uitstoot, maar het weggeven van vergunningen brengt deze markt uit balans. Dan kun je net zo goed geen maatregelen treffen. Vergunningen vertegenwoordigen een waarde, ook al rekent de regering er niets voor. Barnes heeft hiervoor een heldere vergelijking: als de regering alle kaartjes voor Champions League-wedstrijden gratis aan Shell zou geven, zou Shell mensen dan gratis toegang geven tot het stadion of de kaartjes tegen de marktprijs verkopen? Kortom, wanneer je vergunningen weggeeft, zullen bedrijven ze verkopen of de prijzen verhogen, zoals in Europa is gebeurd. ‘Zelfs vanuit een puur liberaal, vrij marktperspectief is het gratis verstrekken van vergunningen een slecht idee’, zegt Haas. Het alternatief en meteen een van de basisprincipes van Sky Trust is de vergunningen veilen en verkopen aan de hoogste bieder. Aangezien elk jaar minder vergunningen worden aangeboden, zal de prijs fors stijgen. Na een paar jaar kunnen de veilingen jaarlijks zelfs een bedrag van ongeveer 500 miljard dollar opleveren, zegt Dorman. Die kosten worden natuurlijk doorberekend aan de consument, zodat hij uiteindelijk overal meer voor gaat betalen. Kiezers hebben een hekel aan hogere prijzen, waardoor wetgeving op dit gebied moeilijk van de grond komt. Sky Trust lost dit probleem echter op door de opbrengst van de veiling aan de mensen uit te betalen, hen als het ware een cheque te geven. En dit zijn geen kleine bedragen. In het model van Barnes krijgt iedere Amerikaan maandelijks een bedrag van ongeveer 150 dollar; dat is voor een gezin van vier personen meer dan 7000 dollar. Daarmee kun je de hogere prijzen gedurende langere tijd compenseren. 'Uiteindelijk betalen we toch een hoge prijs voor de vervuiling van de atmosfeer’, zegt Dorman, ‘maar dankzij een organisatie als Sky Trust heeft de burger wel meer geld in zijn portemonnee.’Hoewel geen van de genoemde ambitieuze maatregelen zijn genomen, is er een lichte voorkeur voor het systeem van Sky Trust. Het idee van Barnes is geïnspireerd op het Alaska Permanent Fund, dat met de olieopbrengsten van de staat Alaska een beleggingsfonds heeft opgezet om scholen, wegen en andere publieke voorzieningen te financieren. Het fonds keert de aandeelhouders, burgers van Alaska, een jaarlijks dividend uit. Volgens sommigen gaat een Amerikaanse Sky Trust niet ver genoeg. ‘De atmosfeer is niet alleen van ons’, zegt Robert Costanza, directeur van het Gund Institute for Ecological Economics aan de University of Vermont, in de gelijknamige staat. ‘Uiteindelijk moeten we wereldwijd opereren.’ Costanza stelt voor om emissieplafonds internationaal vast te stellen en vergunningen internationaal te veilen; het geld moet dan worden gestort in een trust en voor een deel worden aangewend voor de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen, terwijl de rest wordt teruggesluisd naar de bevolking. Ook al lijkt het onmogelijk dat wereldleiders in de politieke arena het ooit eens zullen worden over dergelijke verregaande internationale maatregelen, toch zegt Costanza: ‘We moeten ruchtbaarheid geven aan vruchtbare ideeën, om de mensen aan het denken te zetten. Het klimaat is er rijp voor. Hiermee kunnen we de klus klaren. Laten we dus goed nadenken over wat we ervoor overhebben.’ Janet Paskin is financieel journalist in New York. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright) |