|
Je bent jong en je wilt wat geloven |
|
De laatste keer dat ik mijn vriend Torbjorn Askevold zag, zaten we okra met lamsvlees te eten in mijn appartement in de buurt van de ambassadewijk van Damascus. Deze theologiestudent van 22 jaar uit Noorwegen – nu vierenhalve maand in Syrië – leek nauwelijks zijn geduld te kunnen bedwingen tot hij voor een imam zou staan en hem kon zeggen: ‘Er is geen andere God dan Allah en Mohammed is zijn Profeet’. Die woorden zouden hem deel laten worden van de gemeenschap van moslims. Drie dagen later zat hij in een vliegtuig terug naar Oslo, geëvacueerd uit het land waarin hij ernstig gevaar liep. De christelijke oriëntatie van Torbjorn verschilde van die bij de meeste jongeren die ik kende bij ons in Europa. Hij had een loopbaan voor ogen als predikant in de Noorse Kerk. Hij geloofde oprecht dat Christus de zoon van God was, die voor onze zonden aan het kruis was gestorven. Toch stond Torbjorn nu op het punt zich tot de islam te bekeren, omdat dit geloof zo ‘helder’ was, zo ‘volledig’ en bereid om zich te mengen in aspecten van het openbare leven waaruit de Kerk van Noorwegen zich al lang geleden had teruggetrokken. Twee dagen na onze lunch mengde het geloof dat hij bijna had omarmd, zich inderdaad in het openbare leven – maar op een veel gewelddadiger manier dan hij had gewild. Dezelfde woorden die hij zou gebruiken om zijn bekering te bekrachtigen, waren de strijdkreet geworden van een woedende menigte die de Noorse ambassade aanviel, zijn vlag verbrandde en zijn vrienden bedreigde. Ik had in Damascus gesprekken gevoerd met jonge mensen uit het Midden-Oosten over de plaats die religie in hun leven inneemt. De hoofdstad van Syrië is een cruciale plek als je iets wilt begrijpen van de islam en het geloof van de Arabieren. De universiteit van Abu Nour is een favoriet reisdoel voor moslims met een niet-Arabische achtergrond die kennis van het geloof willen verwerven. Op een doordeweekse dag puilen de gangen van de universiteit uit van Indonesiërs, Pakistanen, Tsjetsjenen, Engelse en Amerikaanse moslims, allemaal onderweg naar colleges over de Arabische taal en de Koran. Ik ontmoette Torbjorn toen ik voor het eerst aankwam in Damascus, op een regenachtige kerstavond in het appartement dat mijn vriend Chad met Torbjorn deelde. De volgende zes weken leerden we elkaar redelijk goed kennen. Op die feestavond was ook Chad zelf aanwezig, die in Damascus was om zijn Arabisch bij te spijkeren, en twee Zuid-Afrikanen van Zuid-Aziatische afkomst die broer en zus waren. De zus, Semeya, droeg een hoofddoek. Ze was betoverend mooi. Torbjorn vertelde over zijn plannen om een loopbaan binnen de Kerk te volgen. Ik voelde me geïnspireerd door zijn roeping. Doordat we in de stad waren waar Paulus tot het christendom was bekeerd, stelde ik voor om, ondanks het slechte weer, een nachtmis te bezoeken. De twee Noren werden enthousiast over dat idee en we liepen in de richting van de oude stad, door Straight Street, die in de Bijbel vermeld staat als ‘de straat, genaamd de Rechte’. We raakten verdwaald. We haalden de katholieke en orthodoxe kerken door elkaar en gaven het ver na middernacht op – koud, nat en niet gezegend. De volgende paar dagen bracht ik veel tijd door in dit curieuze wereldje van Chad en zijn kring. De bijeenkomsten waren interreligieus, multicultureel en slaapverwekkend respectvol, maar de islam was alom aanwezig – al was het een soort hippie-islam, als zoiets mogelijk is. Je merkte het aan de sobere inrichting van de appartementen, de voorliefde voor gezichtshaar bij de jongens, de beheerste, onverstoorbare stemmen en de overdaad aan vruchtensap. Na een kerstdiner zonder wijn vertelde Even Nord, de Noorse kamergenoot van Chad, dat hij een plek wist waar we iets te drinken konden krijgen. Als schooljongens ontvluchtten Even en ik de anderen, op zoek naar een biertje. Al doende werden we betrapt door Semeya, de Zuid-Afrikaanse schone. Ze trok Even bij me weg en leek hem op gedempte toon verwijten te maken. Ze wist waar we heengingen en voelde zich ‘niet prettig’ over deze buurt. Het was fascinerend haar bezig te zien, haast verleidelijk kuis met haar hoofddoek en lange wimpers. Omdat Even zijn plannen verborgen hield en onze bestemming omschreef als een cafetaria, kon hij zich ten slotte van haar losmaken. Maar de Club voor Journalisten ís geen cafetaria. Het is een grote, naargeestige ruimte met een afgrijselijk interieur van blauw en goud. Zijn populariteit stoelt op het feit dat je in dit stadsdeel alleen hier iets kunt drinken. Even en ik nestelden ons onder de onbarmhartige TL-balken en hadden net een bier en een glas wijn besteld toen Semeya weer opdook. Ze zag eruit als een doodsbang, opgejaagd diertje. Ze liep snel naar ons tafeltje en begon tegen Even te mopperen over hoe onprettig ze dit allemaal vond. ‘Het vóelt gewoon niet goed’, fluisterde ze. Toen was ze weer verdwenen, net zo snel als ze was binnengekomen. Ik werd me snel bewust van de wonderlijke uitwerking die zowel de islam als Semeya hadden op Evens bestaan. ‘In het Westen hebben we het alleen maar over onze rechten,’ zei hij, ‘maar we zijn onze grenzen totaal vergeten.’ Hij vertelde dat hij en Torbjorn erg onder de indruk waren geraakt van Semeya’s spirituele zoektocht. Het klonk alsof ze hen beiden had bekoord met haar vroomheid. ‘Ze is hier om haar relatie met Allah te verdiepen’, zei hij bewonderend. Wat op mij overkwam als een fraai staaltje vrouwelijke finesse, was voor Even het bewijs hoe de islam de excessen van het moderne Westerse leven bestreed. ‘Het enige dat tegenwoordig nog immoreel is in het Westen’, zei hij, ‘is praten over iets als een moraal. Ik ben die genotzuchtige levensstijl zo zat, ik wil iets eenvoudigs.’ Hij was blond, atletisch gebouwd en knap. Ook wist Even het één en ander van Noorse death metal. Ik vermoed dat hij ook het één en ander wist van de Westerse excessen waarover hij het had. Maar ik deelde zijn pessimisme niet. Na een glas of twee namen we afscheid. Het was mijn eerste ervaring met dit soort gesprekken. De volgende dag ging ik de stad uit en reisde twee weken rond met mijn vriendin Ella. Toen ik terugkwam, kwam ik Chad en Torbjorn toevallig tegen op een makelaarskantoor, waar ik op zoek was naar een appartement. Torbjorn had zijn ouders meegenomen. Ik hoorde van Chad dat Torbjorn met Semeya op reis was geweest voor zijn ouders kwamen. Toen ik eenmaal was ingetrokken in een oud appartement uit de jaren twintig – niet ver van de Franse ambassade – vroeg ik Even om me mee te nemen naar de universiteit van Abu Nour. Op een dag gingen hij en ik na de lunch de deur uit en liepen dwars door de souk langs stalletjes vol dadels, olijven, vlees en bloedsinaasappels, langs reparatiewinkels voor elektrische apparaten en kamelenslagerijen. Daar ving ik mijn eerste glimp op van studenten van de Abu Nour. Er waren kleine Indonesische studenten met taps toelopende mutsen en pluizige baardjes, Afrikaanse vrouwen met kleurige sluiers, bleke Europeanen met rode baardgroei. Ten slotte kwamen we op een pleintje waar de witte minaretten van de Abu Nour duidelijk te zien waren. Het plein stond vol internetcafés, islamitische boekwinkels en een winkel die Shukr heette en gespecialiseerd was in stijlvolle islamitische kleding voor de Westerse markt. We waren op zoek naar Tariq, een man die bekend is bij alle nieuwkomers in Damascus. We troffen hem op een hoek van het plein, een grote, vlezige gestalte met een vriendelijke manier van doen. ‘Waar kom je vandaan, broeder?’ vroeg hij. En hij ratelde door: ‘Ik heet mensen uit alle landen welkom. Toen ik zelf in Europa was, was iedereen daar aardig voor me. Ik kan je helpen, broeder – en anders dan de meeste gidsen vraag ik je niet om geld.’ En anders dan de meeste gidsen die zeggen geen geld te willen, wilde Tariq het écht niet – en daar werd ik nog zenuwachtiger van. In een land waar volgens de geruchten tien procent van de bevolking verklikker is voor de mukhabarat (geheime politie), maakte ik me zorgen dat Tariq op een andere manier aan zijn geld kwam. Het was donderdag en we spraken af elkaar de volgende dag te ontmoeten, voor het vrijdaggebed. Onderweg naar huis pakte Even me plotseling bij mijn arm en we schoten een zijstraatje in, naast de belangrijkste souk. Even klopte op een deur van zwart metaal en na een korte poos deed een kleine Aziatische man in een grijs Arabisch gewaad open. Hij omhelsde en kuste Even uitbundig. Hij ging ons voor naar de zitkamer en toen door naar een andere ruimte die eruitzag als de werkkamer van een president, maar dan piepklein. Boven een groot bureau en een stoel hing aan de ene kant de vlag van Syrië met een foto van de president, aan de andere een vlag die ik niet herkende: rode strepen en gele sterren en manen op een zwarte achtergrond. We waren, zo bleek, in het hoofdkwartier van de Verenigde Bevrijdingsorganisatie van Pattani – waar ik nooit van gehoord had – en de kleine man was de leider ervan in Syrië. Er werden cakejes en frisdrank gebracht, en de man schilderde de ellende van zijn moslimvolk in het zuiden van Thailand tot in alle details. Een paar minuten later bracht hij zijn vrouw en pasgeboren baby te voorschijn. Toen stond hij erop dat we naar een film keken over een bloedbad in Pattani, waarin een Amerikaanse verteller met zachte stem uitweidde over de verschrikkingen van het Thaise regime van Thaksin Shinawatra. Toen het was afgelopen, zei de kleine man: ‘Pattani wil vrede, maar Shinawatra wil oorlog voeren.’ Hierna barste hij uit in maniakaal gelach en wees naar het achtergrondplaatje op zijn computer. ‘Hier staat “Thailand wordt vernietigd en Pattani zal verrijzen”.’ Opnieuw brulde hij zijn helse lach en we namen afscheid. De Abu Nour en zijn omgeving had voor mij de trekken gekregen van een konijnenheuvel vol figuranten uit een jihad-film. De volgende ochtend nam Tariq me mee naar de vertaalruimte van de moskee in de Abu Nour, waar je in een aantal talen kunt luisteren naar de preken en gebeden. Onderweg bekende ik dat ik niet wist hoe ik moest bidden. ‘Geen probleem broeder,’ zei hij, ‘dat leren we je wel.’ We gingen het immense gebouw binnen, waar al honderden andere mensen waren. Tariq ging me voor, een paar trappen op naar een balkon van waaraf ik beneden me honderden witte mutsen zag. Ik liep achter Tariq aan naar een zijkamer waar een handjevol studenten naar een preek op televisie zaten te kijken. Tariq zette me neer naast een gedrongen Zuid-Aziatische man die in het wit gekleed was. ‘Broeder, leer hem bidden, alsjeblieft’, zei Tariq en met die woorden ging hij ervandoor. Ik begroette Mohammed, die uit Australië bleek te komen, en bedankte hem voor zijn hulp terwijl hij me een koptelefoon aangaf. Toen de preek was afgelopen, stelde hij voor dat we onszelf ritueel ging reinigen. Ik volgde Mohammed naar de wasruimte. Hij leerde me om mezelf op islamitische wijze te wassen: je handen tot de ellebogen, je gezicht, een stuk van je haar, je voeten tot de enkels. Het leek hem op te vallen dat ik minder grondig was dan hij, en hij zei zachtjes: ‘De Profeet deed het altijd drie keer.’ Toen we terugkwamen in de vertaalruimte, waren er een paar bebaarde personages in lange gewaden op het podium verschenen. Mohammed fluisterde. De Abu Nour nodigde vaak gastsprekers uit, zei hij. Vandaag hadden ze de groot-mufti’s van Syrië en Bosnië op bezoek, naast de Syrische minister van Cultuur. Ik zette mijn koptelefoon op en luisterde naar een Engelse vertaling van de woorden van Salah Kuftaro, rector van de universiteit en zoon van de voormalige groot-mufti. Zijn toespraak bestond – net als degene die erna kwamen, behalve bij de groot-mufti van Bosnië, die de noodzaak van wederzijds begrip benadrukte – geheel uit opzwepende politieke taal. Elke keer was het stramien hetzelfde: de islam is een religie van vrede, tolerantie en zelfbeheersing. Dan een verwijzing naar de glorie van de islamitische geschiedenis en de noodzaak zich tegen de vijanden van de islam te weren. Vervolgens een dankzegging aan het huidige regime dat dit voortdurend doet. Kuftaro eindigde met de woorden: ‘Je kunt dezer dagen gemakkelijk mismoedig worden wanneer je de krachten ziet die tegen de islam opstaan. De islamitische wereld is versplinterd en diep verdeeld. Dat komt door het Westen en de invloed van Westerse ideeën. Eerst beroven ze ons economisch, dan roven ze ons land, en als ze daarmee klaar zijn, beroven ze ons ook nog van onze cultuur.’ Toen zijn toespraak was afgelopen, gingen we bidden. Ik had een globaal idee van wat ik doen moest en wist me er doorheen te slaan zonder al te veel de aandacht te trekken. Na afloop werd ik voorgesteld aan enkele ‘broeders’ uit Engeland en Amerika. Mohammed zei dat ik ze die avond zou kunnen spreken in de Kentucky Fried Chicken, maar ik sloeg de uitnodiging af. Toen ik terugliep door de souk, voelde ik me helemaal leeg. De toespraken hadden rancune uitgedragen. Ze waren afkerig van elke vorm van verzoening. Ik wist dat in een land waar het verboden is om over politiek te discussiëren, de moskee de enige uitlaatklep is voor dit soort emoties – maar ik vroeg me nog steeds af waarom de preken zó de confrontatie zochten om hun boodschap te kunnen overbrengen. Ik heb een paar dagen privégesprekken gevoerd met mensen die ik in de moskee had ontmoet, om een beter begrip te krijgen waarom ze hun leven in het Westen hadden opgegeven en zich tot de islam hadden gewend. De eenvoud, het wegruimen van de overbodige flauwekul van het moderne bestaan: het was een terugkerend element. Volledigheid hoorde er ook bij: één enkele goddelijke wijsheid die elk facet van het leven en het menselijk gedrag bestiert. En dan de dagelijkse routine: bidden en vasten brengt orde aan in de maalstroom van het leven. En identiteit: je voelt je deel uitmaken van een wereldwijde broederschap. Zo was er Fuad, een Aziatische Engelsman die zijn baan had opgezegd en naar de Abu Nour was gekomen. ‘Het was allemaal zo grijs’, zei hij. ‘Elke ochtend naar je werk rijden, je doen en laten wordt bestuurd door de prikklok, en als je binnenkomt wachten er tweehonderd e-mails op je. Ik ging inzien dat je dienstbaar moet zijn aan het bedrijf om succes te hebben. En waarvoor? Voor het geld? Ik koos ervoor me te onderwerpen aan iets dat echt waar is, iets dat werkelijk iets betekent.’ Er waren er velen zoals Fuad. Sinds ik drie maanden geleden aankwam in Istanbul – bij de start van mijn reis door het Land der Gelovigen die me ook zou terugvoeren naar mijn eigen wortels in Pakistan die ik lange tijd diep had weggestopt – was me opgevallen hoe de ‘volledigheid’ van de islam doorwerkte in de opvattingen binnen de taalkunde, natuurwetenschap en geschiedenis. Nadir, mijn gids en vertaler, legde me uit dat de geschiedenis zelf uit de islam voortkwam. In een bui van frustratie zei hij: ‘We hebben een geweldige historie gehad. Niet vóór de islam natuurlijk, maar sinds de islam.’ Met ‘we’ bedoelde hij de Syriërs, die ruim voor de komst van de islam het alfabet hebben bedacht. ‘Dit land heeft een geschiedenis van duizenden jaren, die zich uitstrekt tot ver voor de islam’, verbeterde ik. ‘Ja,’ antwoordde Nadir, ‘een geschiedenis zonder moraal.’ Zoiets had ik nog nooit gehoord, maar de visie van Nadir paste bij de allesomvattende aard van de islam. Had je de islam, dan had je niets anders meer nodig. ‘Als ik ooit één ding vind,’ zei Nadir, ‘één ding dat niet door de Koran wordt behandeld, dan zweer ik mijn geloof af.’ Maar Nadir zou dat ene ding nooit kunnen ontdekken, want de islam fungeerde als de bron van alles. In de tijd van deze ontmoedigende discussies met zowel Syriërs als buitenlandse bezoekers, kwam ik Torbjorn weer tegen. We spraken af te gaan lunchen in de oude stad, in een restaurant dat ooit een paardenstal was geweest. Door zijn vriendelijke gezicht was hij het soort persoon op wie mensen graag vertrouwen. Toen ik Torbjorn zag, overdacht ik hoe enorm geschikt hij was om predikant te worden. Ik vroeg hem naar zijn plannen. Hij antwoordde: ‘Ik heb een diepere belangstelling voor de islam gekregen.’ ‘Wat interesseert je dan zo?’ vroeg ik. ‘De manier waarop het geloof zich openlijk met de politiek bemoeit’, antwoordde hij. Dat was precies de kant van de islam die me tegenstond, maar Torbjorn vond dat de Kerk haar rol als platform voor politieke kwesties had opgegeven in een Europa dat te ver was doorgeschoten in de secularisatie. Hij benadrukte ook dat hij het prettig vond vijf keer per dag te bidden, dat dit geloof iets tastbaars had en raakte aan alle facetten van het leven van de aanhangers. Dat had ik nu al een miljoen keer eerder gehoord, maar nog nooit van een kandidaat-dominee die gewend was aan de immense sociale vrijheid in Scandinavië. De openheid van zijn denkwereld had iets aandoenlijks, net als zijn bereidheid een nieuw geloof toe te laten. Meer dan hij zelf besefte, had de open samenleving waarin hij had geleefd, zijn denken gevormd en zijn ommekeer mogelijk gemaakt. Maar was de situatie té open geweest? Zozeer dat hij nu het tegendeel wilde omhelzen? Ik vroeg hem of hij bang was dat zijn vroomheid zou afnemen zodra hij weg was uit een islamitische omgeving. Ik kon me een rituele reiniging moeilijk voorstellen tussen de cafés en houten Lutherse kerken in Bronnoysund, zijn vissersdorp in Noorwegen. ‘Nou ja, ik zal vijf keer per dag bidden’, antwoordde hij. ‘En ik heb de Koran.’ De volgende (en laatste) keer dat ik Torbjorn zag, lunchten we in mijn appartement. De razernij over de Deense kranten die enkele maanden eerder spotprenten over de profeet Mohammed hadden gepubliceerd, was net opgelaaid. Een Noorse krant had de plaatjes nu ook afgedrukt. Torbjorn had kritiek op het besluit van de krant. Volgens hem was het een klein, religieus flutblaadje met een minuscuul lezerspubliek. De beslissing had minder te maken met ‘vrijheid van meningsuiting’, vond hij, dan met een stunt om de oplage te vergroten. Torbjorn bleef die middag lang bij me en we spraken opnieuw over zijn bekering. Hij zei dat een vraag over de hoedanigheid van Jezus voor hem het grootste obstakel was. De moslims zien hem als een grote profeet en geven hem de titel Ruholla, ofwel ‘geest van God’. Maar ze aanvaarden niet dat Jezus de zoon van God is die voor onze zonden is gestorven. ‘Geen moslim kan accepteren dat Jezus de zoon van God is, omdat voor hen God een wezen zonder feilen is’, legde Torbjorn uit. ‘Hij komt niet op aarde om honger, armoede en de dood te ondergaan.’ Ik maakte me zorgen dat het geloof – niet de voorschriften, maar het gelovige gevoel en het grenzeloze karakter van dat geloof in de islamitische samenleving – de degelijke theologische scholing van Torbjorn aan het overspoelen was. Hij gaf het een beetje toe: ‘Ik heb de laatste tijd een sterkere invloed vanuit de islam ervaren, door vrienden en mensen die ik heb gesproken. Ik voel me een gespleten persoonlijkheid.’ De dag erop waren de spotprenten het onderwerp van de vrijdagse preek vanaf het spreekgestoelte in bijna elke moskee in Syrië. Even en ik gingen weer naar de vertaalruimte in de Abu Nour. Daar beneden was Kuftaro aan het woord: ‘De Europeanen zetten al hun krachten in om ons geloof te vernietigen.’ Niet één keer maakte Kuftaro een onderscheid tussen de kranten die de spotprenten hadden gepubliceerd en de landen waarin dat gebeurde. ‘Als alles wat ons heilig is, wordt geschonden,’ ging Kuftaro verder, ‘zullen wij onze ziel, geest en lichaam offeren voor U, o Profeet.’ Even en ik keken elkaar nerveus aan. Het was een huiveringwekkende gedachte dat in het hele land gelijksoortige preken klonken, aangehoord door zoveel mensen. Elke dag vonden nu demonstraties plaats op de stoep van Europese ambassades in Damascus. Even en ik liepen terug naar zijn huis. Hij bereidde een lunch voor een paar vrienden. We waren nauwelijks klaar met eten toen we een bekende uitroep hoorden opstijgen van de stoep beneden: ‘Er is geen andere God dan Allah, en Mohammed is zijn Profeet!’ We deden het raam open en zagen een kleine, maar strijdlustige groep van zo’n honderd mensen: vrouwen met hoofddoek, kinderen, oude en middelbare en jonge mannen. Onder de groene banier van de islam marcheerden zij in de richting van de Franse ambassade. Even en ik renden de trap af om naar de demonstratie te kijken. Hun boodschap was zo simpel dat ze in hun vrome slogans werden voorgegaan door een klein jongetje dat bij iemand op de schouders zat. Zijn schrille stemmetje verhitte de gemoederen. Een paar mannen die voorop liepen, begonnen schermutselingen met de politie die voor de ambassade was opgesteld. Ze duwden steeds harder tegen de linie politiemensen, maar hadden niet voldoende stuwkracht om er doorheen te breken. Eén demonstrant gooide wat vuilnis tegen de steile betonnen muur van de ambassade. Plotseling stapte een Syrische vriend van Even uit de massa naar voren. De man had meegelopen in de demonstratie, die van de Deense ambassade naar de Franse was getrokken. Hij was in een euforische stemming, lachte en maakte grapjes over het feit dat Even uit Noorwegen kwam. We liepen achter hem aan dieper de menigte in, maar die drong weer op tegen de linie politiemensen. Ik bleef stilstaan. Even en zijn vriend liepen verder naar voren door. Toen, zonder enige waarschuwing, draaide die vriend zich om en ging de massa toespreken. ‘Dit is mijn vriend! Hij komt uit Noorwegen en is een goed mens!’ Over de groep daalde een dreigende stilte. Ik vreesde voor Evens veiligheid. De vriend tilde Even op zijn schouders en zei: ‘Zeg iets voor je land.’ Als Even al bang was, liet hij daar niets van merken. Hij liet zijn blik kort op de menigte rusten en nam toen het woord in het Arabisch. ‘Dit is maar een ambassade’, zei hij met luide, heldere stem. ‘Dit is niet het land zélf. Dit incident is het gevolg van een gebrek aan begrip. We moeten elkaar beter leren begrijpen. Dan hebben we de kans om in eendracht te leven en kunnen we jullie het benodigde respect tonen. Inshallah, inshallah, inshallah!’ De massa brulde van instemming en iemand riep: ‘Hij heeft de islam geaccepteerd!’ Na afloop liepen we terug naar Evens huis met zijn Syrische vriend. ‘Ik wou dat ik meer had kunnen zeggen’, zei Even onrustig. De adrenaline was nog duidelijk merkbaar in zijn stem. ‘Ik kon de woorden niet vinden. Wat ik eigenlijk wou zeggen was: “We wéten dat jullie kwaad zijn, maar we weten nog steeds niet waaróm.”’ De volgende dag liep Even mee met een menigte die zijn Noorse ambassade in brand stak. Hij had gezegd dat hij uit Zweden kwam, maar werd ruw behandeld en van allerlei dingen beschuldigd. Op een bepaald moment was hij bang dat de groep zich tegen hem zou keren. Hij raakte verzeild in traangas van de politie en zocht met gewonden zijn toevlucht in de moskee. Maar het detail dat hem het sterkst was bijgebleven toen hij terugkeerde naar mijn appartement, was dat de menigte op straat had gebeden voor ze de ambassade aanviel. Ze hadden gebeden: ‘Onze ziel, ons bloed, barmhartig en zachtmoedig is onze Profeet.’ Die avond zouden enkele Noren in Damascus een etentje hebben, maar dat werd afgezegd, omdat de rellen voortduurden tot in de avond. Toen het nieuws zich over de wereld verspreidde, kondigde Noorwegen aan dat het zijn landgenoten liet terugkeren. Om vier uur ’s ochtends waren de eerste vliegtuigen al vertrokken. Het was erg verdrietig. Ik kende sommigen van hen. Ze waren gekomen met het idee om de gemeenschap te dienen en wilden graag deel uitmaken van de Syrische samenleving. Even besloot te blijven. Hij vond dat hij genoeg Syrische vrienden had die hem zouden beschermen als de zaak fout liep. Torbjorn wilde ook blijven, maar zijn ouders waren het er niet mee eens. De volgende ochtend belde hij me om te zeggen dat hij binnen een uur zou vertrekken, omdat werd gevreesd voor zijn veiligheid. ‘Ik weet zeker dat alles in orde is in Damascus,’ zei hij verontschuldigend, ‘maar nu heb ik toch een heel klein beetje twijfel in mijn gedachten – één procentje maar.’ Met toestemming bewerkt en overgenomen van Prospect (maart 2006), het Britse opinieblad dat complexe onderwerpen en lange artikelen niet schuwt, www.prospectmagazine.co.uk. Aatish Taseer is 25 jaar, geboren in Mumbai (voorheen Bombay), in een familie van moslims uit Pakistan en sikhs uit India. Hij is journalist, werkend aan een boek over de rol van de religie in het leven van jongeren in het Midden-Oosten. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2008 (further information in Privacy & Copyright) |