www.odemagazine.com

Michael Datcher | 85 april 2006 issue

Een cadeau

Iemand gaf me een keer een mooi steentje cadeau. Het was niet zo’n steen in een sierlijk doosje voorzien van deftig etiket. Dit was een heel gewoon steentje. Letterlijk een zwerfkeitje, echt van de straat. Ook heb ik mijn leven cadeau gekregen. Toen ik als baby ongewenst bleek, kreeg ik van mijn adoptiemoeder de kans aangereikt om gezond en in liefde op te groeien. Een reddingsboei die me behoedde voor de jeugdzorg die al klaarstond om mijn talenten te vermorzelen. Ik heb veel verstand van cadeautjes. Toen mijn trouwdatum steeds dichterbij kwam (17 mei 1997), piekerde ik me suf over het ideale cadeau voor Jenoyne Adams, mijn aanstaande. Ik wilde dat het tegelijk ontzettend origineel was, en ook echt nuttig. Een supergeschenk voor een juweel van een zwarte zuster. Jenoyne was al jaren bezig met schrijven aan haar roman-in-wording: Resurrecting Mingus. Het is verrassend makkelijk om aan een roman te beginnen, en verduiveld lastig om die vervolgens ook af te maken – vooral als je ook nog een volledige baan hebt. Jenoyne liep op de middelbare school al stage en verdiende vanaf die tijd een stressvolle boterham in het Amerikaanse bedrijfsleven. De werktijden, plus de dagelijkse machtstrijd op kantoor, waren niet erg bevorderlijk voor het voltooien van een veeleisend eigen project. Een week voor ons huwelijk zei ik tegen Jenoyne dat ik een cadeau voor haar had verzonnen. ‘Ik ga jou een jaar lang financieel onderhouden. Dan kun jij thuis blijven om je roman af te maken.’ Ze was in extase. In 1997 was ik drie jaar afgestudeerd en woonde ik in Los Angeles. Ik had net ontslag genomen als verslaggever bij de Los Angeles Sentinel en werkte nu voor mezelf als onbetaald dichter en slecht betaald freelance journalist. Ik schreef over politiek en cultuur voor diverse kranten en bladen. Gezien de wankele basis van het freelance-bestaan had ik mijn uitgavenpatroon altijd rustig gehouden. Degelijke gebruikte auto’s. Stijlvolle tweedehands-kleren. Liever een trui dan een torenhoge gasrekening. Vaak pasta, maar van een goed merk. Zelfs als artistieke vrek moest ik nog worstelen om het hoofd boven water te houden. Door te gaan trouwen, confronteerde ik mezelf daarom met een van mijn grote angsten: dat ik niet voor mijn vrouw zou kunen zorgen. Toen ik rondliep met het idee om Jenoyne een aanzoek te doen, belde ik met mijn moeder, Gladys, om haar raad te vragen. ‘Tja, ik wil haar dolgraag als schoondochter, maar luister jongen, als ik haar was zou ik jou niet willen. Je hebt een goede baan bij de krant opgegeven, omdat je zo nodig moest freelancen. Ik snap niet waarom je niks doet met dat doctoraal van je. Je hebt er hard genoeg voor moeten blokken. Ik zou je niet moeten, omdat je niet geschikt bent om voor een vrouw te zorgen. En het kan me niet schelen hoe progressief of modern – of hoe heet ’t allemaal – jullie zijn met z’n allen, maar een man moet kunnen zorgen voor zijn eigen vrouw. En het lijkt me niet dat jij dat kan.’ Niet het gesprekje dat ik had verwacht, en ook niet wat ik graag wilde horen. Ik had het al benauwd genoeg wat de huwelijkse economie betrof. Mammie had een feit aangestipt dat me bekend voorkwam. De financiële gezondheid van een gezin was in laatste instantie een afspiegeling van je manlijke vermogens. Als het gezin zijn geldelijke verplichtingen niet kon nakomen, leek het alsof de man zijn zaken niet op orde had. Tot dat moment had geldgebrek ervoor gezorgd dat ik vrijgezel was gebleven. Ik had zo vaak gehoord, dat de meeste scheidingen hun oorsprong hadden in financiële tegenslag – en ik had het cv van een dichter. Maar mammie vergiste zich. Ik wilde niet mijn hele leven schipperen. Ik besefte alleen dat ik voor mezelf was begonnen in een beroep met veel sterke concurrenten. Ik wist dat ik aan de beurt was als ik per se eigen baas wilde zijn. Mijn moeder had me, net als veel zwarte ouders, zo opgevoed dat ik een baan kon krijgen bij een fatsoenlijk bedrijf en een fatsoenlijke baan kon houden door een fatsoenlijke werknemer te zijn. De ouders van mijn blanke collega’s hadden hen zo opgevoed dat ze een eigen bedrijf konden beginnen en een fatsoenlijke baas zouden worden. Toen ik Jenoyne leerde kennen, was ik net begonnen aan mijn training als baas in wording. Ik schetste haar mijn Lichtend Pad richting literair en financieel succes. We hadden gesprekken over de obstakels en offers die bij een carrière horen. Ook al zag Jenoyne mijn voorgenomen pad wel zitten, toch kon ik mammies schrikwekkende oordeel niet van me laten afglijden – want ze had net zoveel indruk op me gemaakt dat ik het zelf ook geloofde. Ik kon mezelf als alleenstaande man al nauwelijks onderhouden. Als binnenkort gehuwde man had ik mijn vrouw een geschenk beloofd, en ik was er niet van overtuigd dat ik het echt kon waarmaken. Zodra ik Jenoyne had verteld dat ze dit cadeau kreeg, begon ik onmiddellijk en heel gedreven zoveel mogelijk freelance-opdrachten binnen te halen. De realiteit was dat ik toen al zeven dagen per week werkte om de vloedgolf aan klussen die over mijn bureau spoelde, de deur uit te krijgen. Ik verdiende een dollar per woord, doorgaans het maximum voor een ervaren freelancer die schrijft voor bladen als VIBE en Emerge – al betaalden sommige stukken niet meer dan dertig dollarcent per woord. Ik dacht dat ik mijn omzet best zou kunnen verdubbelen door nog harder te werken en mezelf een loeistrakke discipline op te leggen. Door absoluut alles uit elk van die zeven dagen te persen. Toen ons huwelijk twee maanden oud was, lag mijn plan volledig op koers. Ik had een aantal nieuwe klanten gestrikt en had me met militaire tucht op mijn werkschema gestort, dat elke ochtend van de week om kwart voor vijf begon. Ik perste er twee of drie artikelen per week uit. Maar het probleem met werken onder een deadline is, dat je altijd onder enorme druk moet presteren. Dag in, dag uit. Door de toegenomen werkdruk werd ook het stressniveau flink opgeschroefd. Ik raakte geprikkeld en mijn nonchalance begon te verdampen. Binnen drie maanden werd me duidelijk dat het extreem zwaar zou worden om dit cadeau vol te houden. Wat ik aan zielenrust inleverde, kreeg ik weer terug in de vorm van mannelijke trots. Ik vond het heerlijk om te zien dat Jenoyne ’s middags in bed lekker zat te schrijven. Het was fijn om te zien dat ze de kans kreeg om zonder afleidingen haar eigen literaire dromen waar te maken. Ik voelde me een Echte Man, ook al onderschreef ik die mythe van de Echte Man niet van harte. Ik genoot van het gevoel dat ik ‘goed voor mijn vrouw zorgde’. Er is vaak geschreven over de miserabele kwaliteit van de relaties tussen zwarte mannen en vrouwen. De beschuldigende vinger wijst doorgaans met de meeste nadruk naar de zwarte man. Het schijnt dat wij alleen maar willen neuken. We zitten voortdurend achter de tralies. Weten niet hoe we ons baantje moeten volhouden. Willen ons niet binden aan onze zwarte zusters, maar willen wel een vrouw met het mondje en het kontje van een zwarte zuster – zolang ze maar geen echte zuster hoeft te zijn. Als zwarte vrouw die een man zoekt, kun je hier niet zoveel mee. Er zijn zeker zwarte mannen die in deze groep thuishoren – ik ken er wel een stel. Tegelijk ken ik ook veel zwarte mannen met een sterk verlangen naar het ideaal van huisje, boomje, beestje. Een vrouw, dak boven je hoofd, kinderen die goed leren, een mooie auto. De Cosby Show, zeg maar. Ze snakken naar een leventje à la Cosby omdat dit zo anders is dan hun eigen ervaringen als kind. Net als ik willen ze de gaten herstellen in de ‘huisje, boompje, beestje’-droom, zoals ze die meekregen van hun alleenstaande moeders. Door de jaren heen hebben de scholen met kinderen van alleenstaande zwarte moeders slechte resultaten behaald. Gemiddeld slagen ze er maar zelden in om hen klaar te stomen voor de zware concurrentie op de banenmarkt. Veertig procent van de jonge zwarte mannen die de twintig weten te halen, zit gevangen of valt onder de reclassering. En dan is er het eeuwige probleem op de werkvloer waarbij de doorgaans blanke baas, een man, zich op zijn gemak wil voelen met een toekomstig personeelslid – en blanke mannen voelen zich gauw ongemakkelijk bij zwarte mannen. Als resultaat van deze feiten is het verlangen naar ‘settelen’ niet genoeg om het ook te kunnen doen. Sociaal-economische factoren kunnen groter en dreigender zijn dan de meest kolossale zwarte pik. Wij negers zijn meestal blut. Berooider dan een regenboog met maar één kleurtje. Zelfs als we ons inzetten voor onze droom en trouwen, zijn we bang dat we niet genoeg geld zullen verdienen om een gezin te kunnen onderhouden. Een situatie die fnuikend kan zijn voor de mannentrots van elke kerel en uitermate fnuikend is bij zwarte mannen, die toch al kansarm zijn. Dus in plaats van ons best te doen, gaan we lopen stunten. Gaan we onze manlijkheid afmeten aan onze score op de lijst van vluggertjes. Rokkenjagen gaat sneller dan settelen. Toen Jenoyne een paar maanden thuis had zitten schrijven, merkte ik dat ik steeds kritischer werd. De druk van de deadline, die me voorheen altijd tot mijn beste producten inspireerde, begon me nu op te breken. In de loop der jaren had ik bij mijn klanten een reputatie opgebouwd van razendsnel en flexibel. Als een blad in crisis zat en er binnen een paar dagen een hoogwaardig artikel moest komen, dan belden ze mij. De korte deadline stond gelijk aan een bonus bovenop mijn honorarium. Dat was inkomen dat ik niet mis wilde lopen, dus heb ik diverse keren opdrachten aangenomen onder volslagen idiote voorwaarden. Een stuk van vierduizend woorden dat op vrijdagmiddag werd besteld en maandagochtend klaar moest zijn. Tweeduizend woorden, opdracht op woensdag en vrijdag inleveren. Ik heb nog nooit een opdracht afgewezen. Wat de zaak nog ingewikkelder maakte: Jenoyne is opgevoed door haar vader, Virgil Adams, voorman bij een metaalconstructiebedrijf. Hij zorgde overal voor, en heeft grote offers moeten brengen om als alleenstaande vader zijn dochter groot te brengen. Vlak voordat ik mijn aanzoek aan Jenoyne deed, had ik een gesprek met meneer Adams om te zien of hij zijn zegen wilde geven aan onze trouwplannen. Tijdens dat onderhoud heb ik hem plechtig beloofd dat ik voor zijn dochter zou zorgen met dezelfde toewijding als hij had laten zien. Mijn persoonlijke toewijding deed me wel eens fronsen als ik merkte dat Jenoyne ietsje minder gedreven met haar schrijverij omging. Jenoyne was nooit eigen baas geweest, had nooit thuis gewerkt. Het is nogal een overgang als je een leven gewend bent waarin iemand anders zegt wanneer je wat moet doen, hoe je dat werk moet doen, hoe lang je op je werk moet blijven en wanneer je de werkplek mag verlaten. Jenoyne vond het lastig om voortdurend discipline op te brengen. Als ik dan merkte dat ze uitsliep tot half elf, midden op de dag televisie zat te kijken of het ene telefoontje na het andere pleegde, werd ik ontzettend pissig. Maar ik wilde mijn cadeau niet tegen haar uitspelen, dus hield ik mijn mond en ging door met mijn eigen werk. In die tijd probeerde ik, tussen mijn hectische freelance-bestaan door, ook nog mijn boek Raising Fences af te krijgen. Ik hoopte dat Jenoyne wat meer discipline zou tonen en echt aan de slag zou gaan. Na een maand of zes was er alleen een slag toegebracht aan mijn mentale evenwicht. Ik had zoveel stress dat ik de hele dag doorwerkte en dan in mijn slaap lag te woelen omdat ik aan allerlei taken niet was toegekomen. Mijn kritische opmerkingen zochten een weg van mijn onderbewuste naar de dichtstbijzijnde oorschelp van Jenoyne. Aanvankelijk werd de kritiek nog verhuld in vragen als: ‘Lukt het met het schrijven?’ en ‘Hoe laat was je vandaag van plan om op te staan?’ Maar mijn vragen werden al snel het kruisverhoor dat we kennen uit de rechtszaak tegen O.J. Simpson. ‘Je had gezegd dat je zou opstaan om tien uur en nu is het elf uur – voor de zoveelste keer. Hoe verklaar je dat?’ Ik voelde me in de maling genomen. Mijn offer, mijn mooie geschenk werd niet gewaardeerd. Nee, iemand veegde haar kont ermee af. Ik beulde me af als een weggelopen slaaf die zijn vrijheid wil kopen, en Jenoyne had een leventje als de bazin van de plantage. Met als resultaat dat ik de opzichter werd. Ik ging de uren dat ze schreef in de gaten houden en liet het haar weten als ze tekortschoot. Ik werd herboren als allescontrolerende kwelgeest. Ik had een hekel gekregen aan Jenoyne kabbelende bestaan, en dat voelde Jenoyne haarscherp aan. Ze kreeg een hekel aan mijn hekel. ‘Michael, ik zet mezelf al genoeg onder druk. Ik zit niet te wachten op nog meer druk van jou.’ ‘Als je eens uit je nest kwam met je luie reet, hadden we geen probleem.’ Mijn cadeau was ontspoord. Ik was met zulke nobele bedoelingen begonnen, maar dat leek niets meer uit te maken. Jenoyne en ik begonnen op elkaars zenuwen te werken. Bij het kleinste dingetje ontploften we al. Een dopje dat niet op de tandpasta zat, leidde onmiddellijk tot gekrijs. Een wc-bril die omhoog was blijven staan, maakte menige traan los voor de avond viel. Ons huiselijk leven was een vorm van waanzin, en het zou juist zo romantisch worden. Twee schrijvers, getrouwd, die samen thuis werken. Op papier een ideaal scenario. In werkelijkheid een soort koude oorlog die bij elke dag die verstreek meer op een echte knokpartij leek. Ik begon te twijfelen aan de wijsheid van mijn beslissing. Misschien had ik meer verantwoordelijkheid op mijn vork genomen dan ik aankon. Mocht dat zo zijn, dan zag ik nu geen uitweg. Vanaf mijn prille jeugd had mijn moeder me ingeprent dat je altijd een man van je woord moest blijven. Een toezegging doe je niet achteloos. Ik moest de afspraken omtrent mijn cadeau nakomen, want ik had het beloofd. Ik had hulp nodig. Ik voelde me totaal machteloos om de situatie te verbeteren. Op een dag besloot ik mijn vriend Kamau Daaood op te zoeken, oprichter en artistiek leider van World Stage, een centrum voor jazz en literatuur. Hij was al meer dan twintig jaar getrouwd met Baadia. Ik had hen nog nooit ruzie horen maken over een wc-bril. Ik haalde Kamau thuis op en we reden naar een heuvel met uitzicht over het strand van Dockweiler. Toen we de auto parkeerden, daalde de zon net af in de Stille Oceaan. Ik hoefde Kamau niet eens te vertellen wat er aan de hand was. Hij zag het aan mijn gezicht. Het eerste dat hij zei was: ‘In een huwelijk maak je van twee mensen één. En van twee mensen één maken, is meer dan alleen een vaag idee.’ Kamau moedigde me aan om hard te blijven werken en geduld te hebben. Hij vertelde me in vertrouwen over de strubbelingen die hij en Baadia in hun relatie hadden beleefd. Zijn openheid en nederigheid vond ik ontroerend. Een keer per week haalde ik Kamau op, of hij mij, en dan zaten we lang te praten in de auto. Soms gaf hij me heel praktische adviezen als: ‘Zorg gewoon dat die wc-bril omlaag blijft, brother.’ En andere keren luisterde hij alleen maar, terwijl ik doorratelde over Jenoyne die gewoon niet wist hoe goed ze het had. Uiteindelijk zei hij nadrukkelijk dat ik moest volhouden tot mijn cadeau van een jaar compleet was. ‘Kijk nou maar hoe de zaken er dan voorstaan, Michael.’ Ik weet zeker dat die gesprekken in de auto mijn huwelijk hebben gered. Er zou een postdoctorale opleiding voor ‘Getrouwde Stellen’ moeten bestaan. Met een korte cursus red je het niet. Mensen laten zich trainen voor een breed scala aan minder belangrijke vaardigheden. Zakendoen. Bungeejumpen. Computerprogrammeren. Maar mensen zoeken bij hun huwelijk niet graag bemoeienis van buiten. Vooral mannen niet – die vinden het al moeilijk om iemand ergens de weg te vragen. Alsof je toegeeft dat je de getrouwde staat niet aankan, wanneer je hulp zoekt bij je huwelijksproblemen. Nou, na zes maanden getrouwd zijn, weet vrijwel iedereen dat hij het huwelijk niet aankan. Maar we willen niet uit onze rol vallen, blijven de weg kwijt en eindigen in scheiding. Ik volgde Kamau’s goede raad op en telde hoeveel dagen er nog over waren van de 365. Jenoyne en ik maakten af en toe nog ruzie, maar ik kon mezelf nu iets beter beheersen. Ik wist dat ze financieel wat meer zou kunnen bijdragen zodra ze haar boek af had, en dan zou ik niet meer zo hard hoeven werken. Ik ploeterde dapper door. Tenslotte brak dag 365 aan – en Jenoyne was nog niet klaar. Vroeg in het jaar had ze er zo lang over gedaan om erachter te komen hoe ze aan de slag moest komen, dat het haar niet lukte om het hele project binnen een jaar af te ronden. Ik was zo teleurgesteld en kwaad dat ik me bijna niet kon inhouden. Ik zocht onmiddellijk Kamau op. ‘Je hebt je aan je woord gehouden, dus kun je nu je troefkaart spelen en eisen dat ze een baan zoekt. Maar wil je dat nou echt? Hoe vaak heb jij een opdracht te laat ingeleverd? Michael, in een huwelijk geef je niet het minimum, in een huwelijk doe je alles wat nodig is om dat huwelijk te laten slagen. En neem dit van me aan: dat betekent vaak dat je het maximum moet doen.’ De adviezen van Kamau stonden me geweldig tegen, maar ik kon ze niet negeren. Het kostte Jenoyne anderhalf jaar om Resurrecting Mingus af te maken. Het laatste halve jaar kwam ze echt in een prettig ritme en werkte ze heel hard. En meer vroeg ik niet van haar. Ik wilde dat ze mijn cadeau zou respecteren door haar grote literaire talenten doelgericht in te zetten. Bovendien voltrok zich nog een wonder gedurende de maanden twaalf tot en met achttien. Ik deed het maximum en mijn cadeau kreeg weer glans. In februari 2001 werd Resurrecting Mingus gepubliceerd door Simon & Schuster. In maart 2001 verscheen Raising Fences bij Riverhead. Beide boeken werden door de recensenten goed ontvangen en kwamen in het hele land op de bestsellerlijst. Ik laat nog steeds af en toe de wc-bril omhoog staan, en Jenoyne kan het dopje niet op de tandpasta houden, al zit het er met een massief gouden ketting aan vastgeklonken. Toch is onze relatie tegenwoordig een heel stuk veranderd. Veel mannen hechten aan het idee van de man als leider van het gezin. Kamau hielp me in te zien dat ik een leider kon zijn op het gebied van dingen gunnen. Van luisteren. Van bidden. Van ‘sorry’ zeggen. Van de ander iets vergeven. Van hulp zoeken bij een huwelijksbemiddelaar. Van het maximum doen. Als leider kan ik de gestelde doelen in mijn huwelijk niet altijd verwezenlijken, maar ik doe er wel mijn uiterste best voor. Zozeer dat het voor Jenoyne ook een prikkel was om zich meer in te spannen. Dankzij onze wederzijdse toewijding graven we aspecten van elkaar op met de beheerste omzichtigheid van ’s werelds beste archeologen. We hebben de oeroude formule van de liefde ontdekt. Twee mensen zijn één geworden. Michael Datcher is auteur van Raising Fences: A Black Man’s Love Story en schrijft onder meer voor The Washington Post en Los Angeles Times. Hij is leraar Engelse literatuur in Los Angeles. Met toestemming bewerkt en overgenomen van Rebecca Walker: What Makes a Man (Riverhead Books, ISBN 1573222690), een bundel verhalen van schrijvers die uiteenzetten wat het betekent om een man te zijn in een tijd dat niemand lijkt te weten wat het betekent om een man te zijn.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)