www.odemagazine.com

Jurriaan Kamp | 84 maart 2006 issue

Onverenigde staten van Amerika

In 1950 hadden de Verenigde Naties vijftig leden. Vandaag zijn 191 landen aangesloten bij de VN. Vrijwel al die nieuwe landen zijn ontstaan in Afrika, Azië en Europa. Met uitzondering van Guyana, Suriname en Belize kwam er op de Noord- en Zuid-Amerikaanse continenten sinds 1950 geen enkel nieuw land bij. Dat zijn feiten die Juan Enriquez interesseren. In zijn nieuwe boek, The Untied States of America (Crown, 2005), waarschuwt Enriquez voor het uiteenvallen van de Verenigde Staten en daarmee gepaard gaande verlies van de Amerikaanse status van supermacht. Dat is op zijn minst een uitdagende, afwijkende visie op een moment dat Amerika geldt als de enige, onaantastbare grootmacht. De Sovjet-Unie is verslagen. Het kapitalisme heeft, onder aanvoering van de VS, gezegevierd. Amerika krijgt weliswaar in toenemende mate te maken met een snelle opkomst van China, maar die economische uitdaging lijkt geen bedreiging te vormen voor het Amerikaanse leiderschap in de wereldpolitiek. De Amerikanen domineren de wereldgemeenschap, zoals de Britten dat honderd jaar geleden deden. Maar in die vergelijking schuilt ook een waarschuwing. In het begin van zijn boek legt Enriquez de lezer een experiment voor. Stel, u bent lid van het Britse kabinet in 1905. Aan de muur in de statige vergaderkamer in Downing Street 10 hangt een wereldkaart met daarop het grootste imperium dat ooit heeft bestaan: een grondgebied van bijna 30 miljoen vierkante kilometer, twintig procent van het land op aarde waarop bijna een kwart van de wereldbevolking woonde. De vraag: hoe ziet de wereld eruit over vijftig jaar, in 1955? Wat zou u hebben gedacht? Zou het Britse rijk groter worden? Of even groot blijven? Zou er iemand zijn geweest die had kunnen bedenken dat het Britse imperium tussen 1905 en 1955 volledig uiteen zou vallen? Dat het Britse grondgebied in 2000 nog maar nauwelijks 250 duizend vierkante kilometer zou bevatten? Stel nu, in 2006, dezelfde vraag aan George W. Bush: hoe ziet de Verenigde Staten er over vijftig jaar uit? Hoeveel sterren zullen de Amerikaanse vlag dan nog sieren? Nog steeds vijftig? De kans dat er op dit moment in Washington een prominente politicus rondloopt die zich een uiteenvallen van de Verenigde Staten kan voorstellen, lijkt te verwaarlozen. Maar wie het boek van Enriquez leest, beseft dat het zeer waarschijnlijk is dat het Amerika van 2056 niet hetzelfde machtige Amerika van 2006 zal zijn. Op basis van veel en origineel historisch, financieel, politiek en cultureel feitenmateriaal toont Enriquez overtuigend aan dat de toekomst weinig goeds voorspelt voor de eenheid van de Verenigde Staten. Ofschoon de titel en het onderwerp van zijn nieuwe boek dat niet meteen aangeven, wordt Enriquez gedreven door zijn liefde voor de wetenschap. De Amerikaan Enriquez is oprichter van het Life Sciences Project aan de Harvard Business School, directeur van Biotechonomy, een venture capital-fonds gespecialiseerd in bio(techno)logie, en eerder auteur van een boek over datzelfde terrein van de wetenschap, As The Future Catches You. Die biografie verklaart waarom Enriquez in december aanwezig is op de conferentie Celebrating a Decade of Genome Sequencing. De internationale top van de wetenschap op het gebied van DNA-onderzoek, genetica, biochemie en biologie heeft zich verzameld op de universiteit van San Diego die het onderzoek op dit terrein wereldwijd aanvoert. Ook voor de toevallige bezoeker wordt het snel duidelijk dat hier – grotendeels buiten het dagelijkse gezichtsveld van de politiek, de media en de burger – de toekomst van energie, voedsel, gezondheid en informatica, en daarmee van de samenleving, wordt gepresenteerd. Het congres illustreert hoe cruciaal vooraanstaand wetenschappelijk onderzoek is voor het toekomstig succes en de economische welvaart van een land. In opvolgende Powerpoint-presentaties wordt duidelijk welke enorme kansen de technologie biedt – en hoe eenvoudig het is om voorbijvarende boten te missen. Enriquez weet dat landen die wetenschap en onderzoek centraal stellen, de leiders van de toekomst zullen zijn. En hij ziet dat de Verenigde Staten – ondanks, bijvoorbeeld, de vooraanstaande positie van de universiteit van San Diego – het op dit cruciale terrein steeds meer laten afweten: een teken van de tanende sterkte van Amerika. ‘De toekomst van een land wordt bepaald door de wijze waarop een regering zijn burgers vandaag behandelt’, zegt hij. En wat dat betreft zijn de Amerikaanse prestaties mager. De zorgwekkende staatsschuld van meer dan 8 biljoen dollar is een eerste illustratie van het feit dat de Verenigde Staten bezig zijn hun toekomst te verkwanselen. ‘Het land naar een faillissement voeren, is sinds mensenheugenis het laatste dat een regering doet’, aldus Enriquez. ‘Je kunt niet ongestraft jaar in, jaar uit 5 tot 6 procent méér uitgeven dan het land verdient. Het is niet langer ondenkbaar dat de VS op een gegeven moment te maken krijgt met een tekort aan geld.’ Als verzachtende omstandigheid kan nog worden aangevoerd dat de Amerikaanse schuld per hoofd van de bevolking met circa 27.500 dollar in de westerse gelederen van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) nog niet eens zo slecht scoort. Maar dat geldt niet voor andere economische en sociale statistieken. Enriquez noemt er een paar: in reële dollars is het minimumloon in de VS sinds 1968 met 37 procent afgenomen; 11 procent van de Amerikanen heeft onvoldoende te eten; in 2000 gaf de federale overheid aan elk Amerikaans kind 2106 dollar uit, terwijl de uitgave per 65-plusser 21.122 dollar bedroeg. Enriquez citeert onderzoek dat aangeeft dat bij ongewijzigd beleid over tien jaar bijna de helft van het Amerikaanse overheidsbudget aan ouderen zal worden besteed. Vandaar zijn vraag: investeer je in de toekomst of in het verleden? Binnen twee generaties zal veertig procent van de Amerikaanse bevolking bestaan uit zwarten en Spaans-sprekenden. Beide groepen blijven thans zwaar achter in het onderwijssysteem. Ze behalen nauwelijks universitaire diploma’s en produceren vrijwel geen proefschriften en wetenschappers. En dat, terwijl landen als Finland, IJsland, Japan, Zweden, Denemarken, Noorwegen en Singapore de VS nú al voorblijven als het gaat om wetenschappelijk onderzoek. Dus trekt de Enriquez de conclusie: zonder gerichte investeringen in het onderwijs voor deze achterstandsgroepen kan de Amerikaanse wetenschap het huidige niveau niet handhaven. Niet alleen verzuimt de VS die vitale investeringen te doen, tegelijkertijd laat het land de staatsschuld verder oplopen doordat de regering-Bush zich meent te kunnen veroorloven de belastingen te verlagen en voor 200 miljoen dollar per dag oorlog te voeren in Irak en Afghanistan. Hij waarschuwt: ‘Sommige landen geven alles uit om te proberen te behouden wat zij vandaag hebben.’ Enriquez toont zich voorts ernstig bezorgd over de zelfingenomenheid die de huidige Amerikaanse politiek kenmerkt. Uit veel daden van de regering spreekt, aldus Enriquez, de overtuiging dat ‘onze manier van handelen de juiste is: wij weten hoe het moet’. Deze houding gaat gepaard met een ongezonde vermenging van wetenschap en religie. ‘Religieuze overtuigingen worden gebruikt om verkiezingen te winnen.’ Enriquez noemt als voorbeeld het van overheidswege gestimuleerde debat over de evolutie volgens Darwin versus de schepping volgens de Bijbel: ‘We gaan met de wetenschap om zoals met seks in de jaren vijftig.’ Hij voegt ironisch toe: ‘Laten we ophouden met wetenschappelijk onderzoek doen, want God heeft alle antwoorden.’ En hij schrijft met onverholen ergernis over de euthanasie van de comateuze Terry Schiavo die de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2004 wekenlang domineerde, omdat vooraanstaande Republikeinen zich tot zesmaal weigerde neer te leggen bij de weigering van het Hooggerechtshof om zich in deze particuliere aangelegenheid te mengen en zelfs in haast een wet invoerden om de rechters te dwingen ‘het leven te beschermen’. Een goede balans tussen wetenschap, geloof en ethiek vormt, volgens Enriquez, een essentiële basis voor een gezonde ontwikkeling van de staat. Binnen zo’n juiste balans bepaalt de aandacht voor de wetenschap de toekomstige welvaart van een land, is zijn overtuiging. Hij herinnert eraan dat de Britten in de jaren vijftig van de vorige eeuw het DNA ontdekten en dat het Britse wetenschappers waren die de basis legden voor klonen. ‘Maar ze hebben verzuimd die wetenschap in bedrijven te vertalen. Ze vonden het ongepast, niet ethisch, om geld te verdienen met wetenschap. Kijk eens waar de Britse wetenschap nu staat. Samenlevingen die hun voetbalsterren rijk maken en hun wetenschappers arm zijn gedoemd.’ Sinds de jaren zestig zijn vele grote bedrijven opgesplitst, omdat zij hun aandeelhouders niet meer konden aantonen dat het geheel meer waard was dan de onafhankelijke losse onderdelen. Juan Enriquez voorspelt dat minderheden dezelfde vraag aan staten zullen stellen. Wat hebben wij aan deze constructie? Behartigt dit land onze belangen op de beste wijze? ‘Het zijn vragen die in vele gevallen niet eenvoudig te beantwoorden zijn.’ Grenzen zijn uitermate fragiel. Vanuit de ruimte zie je ze niet. Alleen voor eilanden geldt een logisch geografisch bestaansrecht. Landen zijn geen voor de hand liggende constructies en ze worden daarom vooral bijeengehouden door vlaggen en volksliederen. Ofwel – in de visie van Enriquez – door ‘mythen’. En de kracht van die mythen reikt zover als de volgende generatie erin wil geloven. Anders gezegd: als de Amerikaanse Droom voor steeds minder Amerikanen uitkomt, komt ook de eenheid van de Verenigde Staten onder druk te staan. En vanzelf komen er dan vragen op of er andere constellaties zijn waarin dromen beter zijn te verwezenlijken? Maar Amerika is toch een stabiel land, gegrondvest op één taal en één religie? Enriquez wijst er fijntjes op dat hetzelfde geldt voor het Verenigd Koninkrijk dat steeds duidelijker uiteenvalt in Engeland, Schotland en Wales; en voor Spanje waar de Basken en de Catalanen morrelen aan de nationale eenheid. En, verwijzend naar de geschiedenis van de Verenigde Staten, voegt hij toe: ‘Als de ouders kunnen scheiden, kunnen de kinderen dat ook.’ De eerste voorzichtige tekenen van Amerikaanse desintegratie laten zich, volgens Enriquez, al zien. In Vermont bestaat een serieuze afscheidingsbeweging en er wordt zelfs gewerkt aan een onafhankelijkheidsverklaring. Verschillende staten in het noordoosten van de VS hebben een verbond gesloten om gezamenlijk het klimaatverdrag van Kyoto uit te voeren, terwijl de regering-Bush dat verdrag weigert te ondertekenen. En wat staat er sinds 2004 op de nieuwe nummerborden in Texas? It’s like a whole other country. Eerder al kondigde Texas af dat alle schoolkinderen elke ochtend niet alleen hun trouw dienen te zweren aan de Amerikaans vlag, maar ook aan de vlag van Texas. En in een opiniepeiling sprak 42 procent van de Texanen zich uit voor een grotere autonomie van Texas, mits dat binnen een confederatie van de Verenigde Staten tot stand zou kunnen komen. En dan is er Californië, de zevende grootste economie van de wereld, waar een groot deel van de bevolking – de Republikeinse aanhangers van gouverneur Arnold Schwarzenegger inbegrepen – uiterst ongelukkig is met de huidige conservatieve politiek in Washington. De onafhankelijkheid van Californië is een net iets te vaak gemaakte grap op feesten en partijen van de intelligentsia. Ook de inheemse Amerikanen eisen steeds nadrukkelijker aandacht voor het onrecht van de geschiedenis waarbij zij hun land verloren. Zo lopen er bijvoorbeeld rechtszaken waarbij inheemse volkeren hun rechten op eenderde van het grondgebied van de staat New York doen gelden. Zie hoe het verleden in Australië, Nieuw-Zeeland en Canada in de afgelopen twintig jaar heeft geleid tot ingrijpende discussies én correcties van het Terra Nullius-beginsel (de Europese pioniers hebben zich niemandsland toegeëigend) en het is nauwelijks voorstelbaar dat die herontmoeting met de geschiedenis de Verenigde Staten bespaard zal blijven. Tijdens zijn presidentschap heeft Bill Clinton al zijn excuses gemaakt voor de ‘illegale bezetting’ van Hawaii. En dan zet Enriquez nog een venijnige tijdbom in een P.S. in zijn boek: ‘Als slaven voor zo’n 40 miljoen dollar aan onbetaald werk hebben verricht tussen 1790 en 1860, dan zou de schadevergoeding thans 1,4 biljoen dollar bedragen.’ Ter ondersteuning van dit perspectief van desintegratie verwijst Enriquez naar het voorbeeld van de Europese Unie. De overkoepelende economische paraplu van de EU maakt het veel gemakkelijker voor kleinere eenheden om onafhankelijk te zijn. De globalisering biedt kleine landen voordelen die zij vroeger misten. Singapore en Hongkong, maar ook Luxemburg en Zwitserland hebben zich – ondanks hun geografische isolement – kunnen ontwikkelen tot uiterst succesvolle economische eenheden. Na deze scherpe en – als het gaat om de eenheid van de Verenigde Staten – sombere analyse is het opmerkelijk dat Juan Enriquez aan het einde van zijn boek schrijft dat hij geen doemprediker wil zijn. ‘Het is simpelweg mijn wens dat mensen beseffen wat zij doen en wat zij anders kunnen doen om datgene te voorkomen dat zovelen voor hen hebben meegemaakt’, schrijft hij. Door zijn boek heen draagt hij dan ook suggesties aan voor ander beleid. Daarbij staat aandacht voor wetenschap en onderwijs en voor minderheden en acherstandsgroepen voortdurend voorop. Waarom zou Nederland de leidende bloemennatie in de wereld zijn, terwijl het klimaat op vele andere plaatsen op aarde geschikter is voor de bloementeelt? Zo’n succes komt voort uit kennis. Uit een gerichte, continue aandacht voor wetenschap en onderzoek en ontwikkeling. Enriquez wijst op de prestaties van Finland dat binnen een generatie uitgroeide tot een digitale supermacht. En op IJsland dat dankzij grootschalige investeringen in onderwijs uitgroeide tot een vooraanstaande technologienatie. ‘Je kunt een succesvol land maken door het onderwijs te veranderen en te surfen op de golven van de technologie. Je kan een land maken en breken in maanden.’ Zijn creatiefste – maar politiek minst haalbare – oplossing betreft een wijziging van het kiesrecht. Om de wanverhouding tussen ouderen en jongeren recht te trekken, stelt Enriquez voor om ouders stemrecht te geven namens hun minderjarige kinderen. Het gezin van een echtpaar met vier kinderen heeft dan zes stemmen. Die wijziging zou een halt toeroepen aan het huidige beleid waar steeds het meeste geld naar ouderen gaat, omdat daar de meeste stemmen zijn te halen. ‘Als de stemmen van minderjarige kinderen meetellen, leidt dat tot investeringen in hun belangen. In goede scholen. En het is de vraag hoeveel steun er zou bestaan voor het voeren van oorlogen waar die kinderen als soldaten naartoe zouden worden gestuurd?’ In die laatste suggestie ligt de kern van de boodschap van The Untied States of America. Het toekomstig succes van een land begint met het gehoor geven aan de wensen en belangen van de burgers van vandaag. Die burgers van vandaag bepalen de economische macht van morgen. Economische kracht ligt aan de basis van de supermachtstatus van de Verenigde Staten. Juan Enriquez wijst erop dat die economische superioriteit in hoog tempo wordt verkwanseld met een beleid van hoogmoedige internationale politiek en decadente consumptie. Zulk beleid heeft alle voorgaande supermachten in de geschiedenis ten gronde gericht, waarschuwt Enriquez, als de spreekwoordelijke roepende in de woestijn. Maar als het aan hem ligt, bestaat er een alternatief voor de Onverenigde Staten van straks. Juan Enriquez: The Untied States of America: Polarization, Fracturing, and Our Future Crown Publishers ISBN 0307237524


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)