www.odemagazine.com

Nurit Peled-Elhanan | 80 oktober 2005 issue

De stem die begrijpt wat het einde van alles betekent

Ik draag deze toespraak op aan een Palestijns meisjevan 13 jaar, Iman El-Hamas, dat zich op 4 oktober 2004 bij mijn 13-jarige dochter in het ondergrondse koninkrijk van dode kinderen heeft gevoegd – een koninkrijk dat almaar groter wordt en zich onder onze voeten uitbreidt terwijl ik spreek. Ik zou tegen haar willen zeggen: ‘Maak je geen zorgen, Iman. Je zult een warm welkom krijgen en niemand zal je pijn doen om de eenvoudige reden dat je over straat naar school loopt of omdat je een hoofddoekje draagt. Rust in vrede, meisje: in jouw nieuwe wereld is iedereen gelijk.’ Ik dank u hartelijk dat u mij heeft uitgenodigd om te spreken over de strijd om vrede in mijn land. Ik zeg ‘mijn’ land, maar ik weet eigenlijk niet of ik het nog wel mijn land kan noemen. Wat van mij is in dit land wordt bepaald door datgene waarmee ik mij kan vereenzelvigen – en het is erg moeilijk om je ergens mee te vereenzelvigen in een land waar de Dood aan de macht is. De Dood heeft mij een nieuwe identiteit en een nieuwe stem gegeven – een stem die zo oud is als de wereld zelf. Het is de stem van onze bijbelse moeder Rachael die om haar kinderen weende en ontroostbaar was. Deze nieuwe identiteit en stem overschrijden iedere nationaliteit en religie, zelfs de tijd. Deze nieuwe identiteit domineert alle andere identiteiten en deze nieuwe stem overstemt alle andere stemmen die ik in mijn leven heb gekregen. Mijn dochter is gedood, omdat ze als Israëlische is geboren, door een jongeman zonder hoop die zelfs bereid was zichzelf en anderen te doden om de simpele reden dat hij Palestijn is. Een journaliste vroeg mij ooit hoe ik betuigingen van deelneming van de andere kant kon accepteren. Ik antwoordde haar dat ik die níet accepteerde, en dat ik, toen de burgemeester van Jeruzalem mij wilde condoleren, naar mijn kamer ging, omdat ik hem niet wilde spreken of de hand wilde schudden. Want voor mij zijn het niet de Palestijnen die de andere kant vormen. Voor mij is de hele bevolking van het gebied, en van de hele wereld, altijd al verdeeld geweest in twee totaal verschillende groepen: vredelievende mensen en oorlogszuchtige mensen. Vandaag de dag regeert hier het koninkrijk van het kwaad, waar mensen die zichzelf leiders noemen op democratische wijze het recht hebben gekregen om te moorden en vernietigen, en zich zo verachtelijk en corrupt kunnen gedragen als ze maar willen, om jonge jongens te veranderen in professionele moordenaars, in de naam van ‘God’, ‘het behoud van de natie’, ‘de eer’ en als ‘vertoon van dapperheid’. Deze kwaadwillende mensen hebben echter nog een ander koninkrijk geschapen – een prachtig koninkrijk dat floreert en elke dag groter wordt, een koninkrijk dat leeft en ademt onder onze voeten, onder de grond waarop wij lopen. In dit koninkrijk woont mijn dochter, samen met de Palestijnse kinderen. Hier verblijf ik samen met de Palestijnse ouders van wie de meesten nog nooit een geweer in hun handen hebben gehad en die nooit gehoor hebben gegeven aan de opdracht mensen te vermoorden. Hier zit mijn dochter naast haar moordenaar, wiens bloed zich – vermengd met dat van haar – verspreidt over de stenen van de stad Jeruzalem, die dit tafereel onverschillig lijkt te aanschouwen. Ze liggen hier samen begraven en zijn teleurgesteld. De moordenaar van mijn dochter is teleurgesteld, omdat zijn zelfmoordaanslag tot niets heeft geleid. Er is geen einde gekomen aan de wrede Israëlische bezetting en hij is niet naar het paradijs gegaan. De mensen die hem hadden beloofd dat zijn daad waardevol zou zijn en ergens toe zou leiden, gaan gewoon door alsof hij nooit heeft bestaan. Mijn dochter is teleurgesteld, omdat zij geloofde dat haar niets kon overkomen, dat haar ouders en haar land haar voor elk gevaar zouden behoeden, dat al die lieve kleine meisjes die in hun dorp over straat lopen om naar dansles te gaan, niets kon gebeuren. En allebei zijn ze teleurgesteld, omdat het leven gewoon doorgaat alsof hun bloed nooit is vergoten. Ze zijn allebei het slachtoffer geworden van zogenaamde leiders die hun moordzuchtige spelletjes spelen, waarbij ze onze kinderen als marionetten gebruiken, en ons leed als voedsel om door te kunnen gaan met hun wraakzuchtige campagnes. Voor hen zijn kinderen niet meer dan nummers, en is leed een politiek wapen. Zij weten dat zij alleen maar een God hoeven te vinden die doden voorschrijft om meer jonge, enthousiaste, kleine soldaten toe te voegen aan hun gelederen. Elke leider vindt wel zo’n God in zijn bijbel, of zijn mythen. Uit naam van de God van de joden of de God van de moslims plegen zij hun misdaden, terwijl de mensen in Ierland en Oost-Europa elkaar vermoorden uit naam van de christelijke God, in zijn diverse vormen. En nu moorden de verlichte leiders van het Westen in de naam van de god van vrijheid en democratie.Maar in werkelijkheid maken deze oorlogsstokers gebruik van door de mens gemaakte goden – de god van het racisme en de god van de hebzucht en grootheidswaan. Dit is niet nieuw in de geschiedenis van de mensheid. Mensen hebben God altijd al gebruikt als excuus voor hun misdaden. Onze kinderen leren al op heel jonge leeftijd over de geprezen leider Jozua, die de hele bevolking van Jericho in de naam van God heeft omgebracht. Ze leren over de profeet Eliyahu, die de 450 priesters van Baäl vermoordde, omdat ze een andere religie aanhingen, en over de profeet Elisha, die met de hulp van God de dood veroorzaakte van 42 kinderen die hem bespotten om zijn kaalheid. En dan heb ik nog niet over de aanbeden koning David en zijn verschrikkelijke heldendaden. In een samenleving die moorden toestaat als een middel om sociale en religieuze problemen op te lossen, en waarin mensen zichzelf zien als de afstammelingen van bijbelse helden, overschaduwen deze verhalen het verhaal over God die zei: ‘Verhef nooit uw hand tegen een kind.’ Wij kunnen kinderen ook leren over God die zei: ‘Ik zal genade betonen aan hen die geen genade hebben ontvangen, en tegen hen die niet bij mijn volk horen, zeg ik: “Jullie zijn mijn volk”.’ Ik ben ervan overtuigd dat wij onze kinderen er alleen van kunnen weerhouden zich bij de kwade krachten te voegen – de kwade krachten van de Israëliërs en de Palestijnen – door hun te leren dat het vermoorden, uithongeren of vernederen van onschuldige mensen onvergeeflijke misdaden zijn. Door zijn langdurige, wrede bezetting maakt Israël het jonge Palestijnen erg gemakkelijk om de weg van het terrorisme te kiezen. Maar terrorisme overheerst aan beide kanten. Een goed georganiseerd leger dat een hele bevolking terroriseert, is nog misdadiger dan een guerrillagroepering. Een ‘verlichte’, moderne regering die het doden van onschuldige burgers voorschrijft, is even slecht als een ultra-conservatieve guerrillaleider over wie weinig bekend is en die zich nauwelijks vertoont. Voor mij zijn Saddam Hussein, Ariel Sharon en George Bush – senior en junior – één pot nat, want ze hebben allemaal pijn en verderf gezaaid onder onschuldige bevolkingen. Als we onze kinderen niet vertellen dat dit de daden zijn van gewetenloze moordenaars, zullen we nooit leiders krijgen die doden als oplossing van sociale en politieke problemen afwijzen. Omdat in Israël tegenwoordig geen sprake is van een noemenswaardige oppositie, zijn de politieke verschillen tussen ‘links’ en ‘rechts’ van geen belang, want beide zijden gaan akkoord met de wreedheden. Daarom denk ik dat een publieke, scherpe veroordeling van de daders door de hele wereld van essentieel belang is. Het wordt tijd dat we duidelijk maken dat de dood van een kind – of het nu Servisch, Albanees, Irakees, joods of Palestijns is – de dood van de geschiedenis en de toekomst van de wereld vertegenwoordigt. Deze stem hebben politici en generaals altijd genegeerd – met name in Jeruzalem dat iedereen beschouwt als de gouden stad, terwijl de stad in werkelijkheid bestaat uit stenen, ijzer en lood. Het wordt tijd dat deze stem alle andere overstemt, want na het geweld is dit de enige stem die begrijpt wat het einde van alles, ook oorlog, betekent. Het is de stem die begrijpt wat algemeen bekend is in het ondergrondse koninkrijk van vermoorde kinderen, namelijk dat er geen verschil bestaat tussen bloed, dat er weinig voor nodig is om een kind te doden, en dat er veel voor nodig is om het in leven te houden. Deze stem begrijpt dat het beëindigen van een oorlog betekent dat onderhandelingen een echte dialoog moet zijn – gesprekken waarin beide zijden het met elkaar eens worden en elkaar niet op de knieën dwingen. Een oorlog beëindigen betekent dat het je niet kan schelen welke vlag op welke berg wordt geplant, dat het je niet interesseert tegen welke God mensen hun gebeden zeggen, dat niets belangijker is dan ervoor te zorgen dat een klein meisje veilig naar dansles kan gaan. Ik doe een beroep op alle ouders die hun kinderen nog niet verloren hebben, en op alle ouders die dreigen hun kinderen te verliezen. Als wij onze stem niet verheffen tegen politici door onze kinderen te leren hun moordzuchtige voorbeeld niet te volgen, en als wij niet naar de stem van vrede uit het ondergrondse koninkrijk luisteren, valt er binnenkort niets meer te zeggen, te schrijven of te beluisteren – behalve de eeuwige stem van de rouw en de verstomde stemmen van dode kinderen. Daarom verzoek ik u om onze kinderen te redden. Help ons de wereld stil te laten staan bij de dood van de kleine Iman, te kijken naar haar lichaam, doorzeefd met twintig kogels, en naar het eenentwintigste kogelgat in haar slaap. En laat iedereen zich samen met ons afvragen waarom er een straal bloed over haar zachte wang loopt. Nurit Peled-Elhanan is een Israëlische vredesactiviste en docent talen en pedagogie aan de Hebreeuwse Universiteit. Haar enige dochter, Smadar Elhanan, werd op 13-jarige leeftijd gedood tijdens een zelfmoordactie in Jeruzalem in 1997. In 2001 ontving Peled-Elhanan de Sakharovprijs voor vrijheid van denken en de verdediging van de mensenrechten van het Europees Parlement. Deze tekst is een combinatie van twee toespraken van Nurit Peled-Elhanan: op de Israel-Palestine Day of Engagement (Londen, juli 2002) en op het Europees Sociaal Forum (Londen, oktober 2004).


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)