|
Nog geen vrije pers |
|
De wrange grap die rondging op een recente bijeenkomst van hoofdredacteuren uit het Midden-Oosten was dat nieuws wordt gecontroleerd door ministeries van mis-informatie. Maar het goede nieuws dat tijdens het World Editors Forum in Istanbul, Turkije, werd onderstreept, was de opkomst van zelfbewuste nieuwsgaarders in dat deel van de wereld waar persvrijheid geen al te bekend verschijnsel is. Terwijl landen als Bahrein, Jordanië en Qatar onlangs hun beruchte ministerie van informatie hebben gesloten, zorgen internet, satellietschotels en het ‘Al Jazeera-effect’ voor een mate van persvrijheid die in het gebied ongekend is. Daoud Kuttah, oprichter van AmmanNet in Jordanië, zei dat censuur vanuit de overheid weliswaar nog altijd speelt, maar dat de nieuwsconsument een belangrijk punt heeft gewonnen: ‘Een buitenlandse krant aan de grens weigeren, heeft geen enkele zin meer: ze staan allemaal op internet.’ Iedereen die wil, kan ze lezen op een computerscherm. Bovendien is er een explosie van weblogs, voor veel mensen een bevrijdende manier om zelf mee te draaien in het mediacircus. Voorbeeld: in Irak zijn er zo’n 18 duizend; vier jaar geleden waren dat er nog welgeteld 830, wist Mashallah Shamsolvaezin, ex-redacteur van diverse hervormingsgezinde kranten uit Iran, te vertellen. Nu Irak is bevrijd van het regime van Saddam Hoessein, biedt het land een mooi voorbeeld van de gretigheid naar onafhankelijk nieuws. Grote steden kenden een explosie aan internetcafés en overal verschenen satellietschotels, ooit strikt verboden in Irak. Binnen enkele weken na de val van Saddam waren er alleen al in Bagdad zo’n 150 nieuwe kranten, schrijft Hassan M. Fattah – die er zelf eentje begon, Iraq Today – in het Britse Prospect (maart 2004). En hoewel de journalistieke kwaliteit over het algemeen aanvankelijk belabberd was – hilarisch was de ‘onthulling’ in een Irakese krant dat Amerikaanse soldaten speciale brillen droegen waarmee ze door vrouwenkleding konden kijken – hebben een aantal sterkere titels de concurrentiestrijd overleefd. Maar een nog grotere horde voor de Irakese kranten dan de concurrentie is het beleid van de nieuwe regering. Deze heeft, zo schrijft Fattah, een gedragscode voor de media opgesteld, op basis waarvan publicaties kunnen worden verboden wanneer ze oproepen tot geweld of steun betuigen aan de Ba’ath-partij. Journalisten die de regels schenden, kunnen worden gearresteerd. Precies hierin schuilt een tegenstrijdige ontwikkeling in het Midden-Oosten. Want terwijl de Verenigde Staten de democratisering van het gebied – te beginnen in Irak – hebben ingeluid, wordt een fundamenteel democratisch recht ontnomen: het recht op een vrije pers. Veel Arabieren hebben de indruk dat de Amerikanen er alles aan doen om ieder kritisch geluid over hun campagne voor democratie in het Midden-Oosten te onderdrukken. Meermalen is Al-Jazeera openlijk beticht van propaganda en stemmingmakerij, maar ook is de zender slachtoffer geworden van Amerikaanse censuur. Wanneer er weer een video van Osama bin Laden was vertoond of een gast in een talkshow de Amerikanen had beschimpt, volgde onmiddellijk een represaille: kantoren werden gesloten, journalisten geweerd bij persconferenties. Hoewel de relatie weer goed lijkt te zijn, getuige de toestemming aan Al-Jazeera om de Republikeinse Conventie uit te zenden in september, blijft het een broos huwelijk. Een meer subtiele poging om invloed te hebben op de Arabische beeldvorming van Amerikanen was de lancering, begin dit jaar, van Al-Hurra, een satellietzender die vanuit Washington tegenwicht moet bieden tegen Al-Jazeera en Al-Arabiya, de andere grote Arabische satellietzender. Maar Arabische commentatoren onthaalden Al-Hurra – met zijn eenzijdige nadruk op het goede werk van de bezettende macht – met een lading kritiek: was dít een voorbeeld van de onafhankelijke pers die bij een democratie hoort? Op het World Electronic Media Forum in Genève, eind vorig jaar, zei Wadah Khanfar, managing director van Al-Jazeera dat zijn zender de eerste pan-Arabische televisiezender was die een platform bood aan beide kanten van een verhaal en aan controversiële onderwerpen. ‘Wij kunnen de vijandelijkheid van dictatoriale Arabische regimes nog wel begrijpen’, zei Khanfar, verwijzend naar de voortdurende dreiging van een ban. ‘Maar de kritiek van Amerika is strenger, ruwer. We dachten dat we dezelfde internationale regels toepasten: objectiviteit, balans, belichten van diversiteit van meningen.’ Ook vanuit de Amerikaanse mediawereld is kritiek op de invloed op de Arabische pers. Inter Press Service (26 mei 2004) citeert een cynische Reese Erlich, een buitenlandcorrespondent met twintig jaar werkervaring in het Midden-Oosten: ‘Er zijn manieren waarop de Amerikaanse overheid legitiem de negatieve berichtgeving kan terugdringen. Als president Bush een einde wil maken aan de akelige beelden van dode Irakese burgers, zou hij Amerikaanse troepen kunnen bevelen om daarmee te stoppen.’ De toekomst is hoe dan ook onzeker voor Al-Jazeera, in de jaren negentig ontstaan uit de resten van een mislukt avontuur van de BBC. Sjeik Hamad bin Khalifa al-Thani, emir van Qatar, nam het station over om zijn kleine staat meer internationale aanzien te geven, maar staat nu al jaren onder hoge politieke druk om de op westerse leest geschoeide onafhankelijke opstelling van de journalisten in te dammen. Qatar zou op diplomatiek niveau al zo’n 450 officiële klachten hebben ontvangen over de zender die zich zo graag presenteert als de Arabische evenknie van CNN. Ondanks het feit dat Al-Jazeera vaak zelf onderwerp van het nieuws is – of juist daarom – maakt de zender nog steeds geen winst. Adverteerders willen zich liever niet profileren op een zo gevoelige zender: een veeg teken voor een vrije Arabische pers. Vanwege het uitblijven van winst, vermoedt Prospect (april 2004), komt de toekomst van Al-Jazeera nu ook financieel op het spel te staan. Vanuit Washington is meermalen aangedrongen op vervanging van de complete journalistieke staf. De emir van Qatar zou vermoedelijk van een financiële kostenpost zijn verlost, als hij gehoor geeft aan die wens. Toch is er optimisme in de Arabische mediawereld. Op de eerder genoemde conferentie van hoofdredacteuren in Istanbul werd gewezen op de honderden studenten die jaarlijks hun diploma halen. Zij zijn opgegroeid in een tijdperk van internet en satellietschotels: zij laten zich niet de mond snoeren. |
© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright) |