www.odemagazine.com

Jay Walljasper | 71 november 2004 issue

Het wonder van de iep

Ik zit nu in wat ik soms gekscherend Ode Internationals Redactiekantoor voor het Westelijk Halfrond noem, ofwel de extra slaapkamer van mijn huis in Minneapolis, Minnesota, Verenigde Staten. Tenminste, zo noemde ik het tot vorige maand. Toen verhuisde Jurriaan Kamp, de hoofdredacteur van Ode, met zijn gezin van Rotterdam naar Californië. Nu noem ik mijn kantoor het Commandocentrum Westelijk Halfrond, Afdeling Oost en laat ik Jurriaan en Hélène de Puy, medeoprichter van Ode, de zaken in het westen regelen. Volgens Jurriaan heeft het kantoor in zijn nieuwe huis uitzicht op de baai van San Francisco en de beroemde prachtige heuvels aan de oevers daarvan. Dat klinkt schitterend, maar toch betwijfel ik of zijn uitzicht mooier is dan wat ik hier in de Afdeling Oost zie als ik uit het raam kijk. Ik kan de hele dag genieten van een stel grote iepen in de tuin van mijn buren. Tegenwoordig hebben nog maar weinig mensen het voorrecht te weten hoe majestueus Amerikaanse iepen eruitzien, met slanke stammen die uitlopen in een doolhof van elegant gekrulde takken en een dik, groen bladerdek. Als ik uitgeput ben van alle deadlines, of somber over het nieuws van de dag, of gewoon moe en chagrijnig, dan staar ik naar die bomen en voel ik een nieuwe golf van energieke mogelijkheden door me heen gaan. De Engelse romantische dichter Shelly noemde dichters ooit ‘de niet-erkende wetgevers van de wereld’. Voor mij zijn bomen de niet-erkende therapeuten van de wereld. De afgelopen paar maanden waren somber hier in Minneapolis vanwege de iepenziekte, die sinds 1976 de helft van onze iepen heeft gedood. Dit jaar was de sterfte langs de straten van Minneapolis nog hoger dan anders. Maar eigenlijk hebben we nog geluk – de meeste plaatsen in het zuiden zijn al hun iepen al tientallen jaren eerder kwijtgeraakt. De dag die ik zo lang had gevreesd, kwam deze herfst. Een van de iepen voor mijn raam droeg het vonnis in de vorm van een fel oranje streep rond de stam – het teken dat hij met de kettingzaag zou worden neergehaald. Een aangetaste boom kan de schimmel snel overdragen op andere iepen in de buurt. Mijn zoon Soren en ik wandelden toevallig net voorbij op de ochtend dat werklui de boom kwamen omzagen. Mijn vaderlijke impuls was zijn ogen bedekken, maar ik wist dat ik de tragische stomp die we de volgende keer zouden zien onmogelijk zou kunnen verbergen. Soren had een beter idee: ‘Laten we de boom omhelzen als afscheid.’ En dat deden we dus. Hoewel je iemand met mijn politieke standpunten gerust een ‘bomenknuffelaar’ zou kunnen noemen, kon ik me niet herinneren ooit daadwerkelijk een boom te hebben omhelsd. Ik voelde de energie als het ware door de bast stromen toen ik mijn armen om de stam sloeg. Een paar uur later, toen ik terugkwam van een paar boodschappen en aan mijn bureau ging zitten, zag ik dat de boom er nog steeds stond. Ik rende naar beneden, door de achtertuin en naar de straat om te zien of het waar was. Ja! Onze boom leefde nog! De buurman legde uit dat hij het afgelopen najaar preventieve behandelingen tegen de iepenziekte had laten uitvoeren en dat hij aan de bomenkappers had gevraagd nog één keer te onderzoeken of het echt nodig was om de boom te vellen. Zij concludeerden dat de boom gezond genoeg was om in elk geval nog één jaar te blijven staan – en misschien wel langer. Ik bedankte hem voor het redden van de boom en hij antwoordde lachend: ‘Nee, het was Soren die hem heeft gered – met zijn omhelzing.’ Dus nu ervaar ik, terwijl ik genietend naar die iep kijk, een nieuw gevoel van mogelijkheden in de wereld. Hoezeer ik me af en toe ook op de proef gesteld voel en hoe slecht het land en de wereld er soms ook aan toe lijken te zijn, ik kan nog steeds hopen. Want, zo constateer ik als ik uit het raam kijk, wonderen bestaan wel degelijk.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)