|
Ik weet niet meer hoe oud ik was, toen ik leerde dat ik niet moest huilen. Niemand had me ooit zo letterlijk verteld, dat huilen niet was toegestaan bij dokters. Het stond nergens geschreven, maar de boodschap was helder. Afstand houden, noemden ze dat. Een manier om een 'klinisch onderscheidingsvermogen' in stand te houden. Je mocht je niet te veel aan een patiënt hechten, anders was je niet in staat om in te grijpen met het oog op zijn werkelijke belang. Het treurige is, dat ik daar intrapte. Niet bewust, wat alleen nog maar meer schade berokkende aan mijn menselijke gevoelens. Het was een sluipend wegwerken van mijn vermogen om medeleven met een ander mens te voelen en te uiten. Het wordt blijkbaar nog steeds 'onderwezen' bij medische opleidingen. Ik zie geen aanwijzingen dat de meeste dokteren in staat zijn om met hun patiënten mee te voelen. Niet dat ze onaardig zijn, of hen verwaarlozen. Ze brengen het gewoon niet op om menselijk medeleven jegens hun patiënten te tonen. Dat zou op een of andere manier afbreuk doen aan hun rol van medicus. Als die rol een hiërarchische is - die van heelmeester - dan is hun terughoudendheid misschien noodzakelijk. Als hun rol holarchisch is - die van helper van wegbereider van de heling - dan is het delen van emoties onmisbaar. Zowel de patiënt als de arts kan zich niet veroorloven om minder dan menselijk te zijn in de helende omgang met elkaar, want als daarvoor wordt gekozen, lijden ze daar beiden onder en worden ze erdoor aangetast.
Als ik kijk naar gezichten van patiënten uit het verleden die nog steeds door mijn hoofd spoken, dan zie ik hun onuitgesproken smeekbeden om troost van mijn kant, niet in de vorm van geneesmiddelen of medisch handelen - hoewel die uiteraard onontbeerlijk zijn - maar in de vorm van warm medeleven. In de vorm van even aanraken, een arm om je schouder, huilen of geruststellen, lachen, om zo mijn menselijkheid met hen te delen. Dat waren de dingen die zij hoorden te ontvangen en die ik moest geven. Dat ik hierin tekortschoot, kwam door mijn opleiding, door de voorbeelden die ons werden gesteld, door de angst voor afwijzing en mislukking als men constateerde dat ik me te veel in mijn patiënten inleefde. De trucjes om afstand van je patiënten te nemen leerde je vrijwel onbewust: de witte jas, mijn uniform, dat mij onderscheidt van de patiënt, de medische taal die me weerhield om recht uit het hart te spreken, de nadruk op handelen in plaats van er zijn, het gebrek aan tijd om uit te zoeken wie mijn patiënten werkelijk waren, en wat hun ziekte betekende in hun leven. En de constante druk op mijn leven, waardoor ik geen contact met mijn eigen gevoelens kon leggen, de noodzaak om ze te onderdrukken en mijn werk af te krijgen. Ik leerde overleven, en al doende vernietigde ik mijn menselijkheid. Het klinkt bijna misdadig dat ik me op die manier gedragen heb en toch werd het van me verwacht - ja, zelfs aangemoedigd. De herinneringen eraan zijn zo pijnlijk, dat ik ze haast niet kan verdragen, maar toch moet ik vergeving vragen aan hen die ik niet heb getroost toen ze dat het meest nodig hadden. Ik weet nog, dat ik in het derde studiejaar meeliep op de afdeling kindergeneeskunde. De specialist en ik werden naar de intensive care unit van neonatologie geroepen voor een te vroeg geboren kindje, dat net ter wereld was gekomen. Zijn longen werkten niet en hij was op sterven na dood. Ik zie nog zijn minuscule bleke lijfje liggen in de couveuse, zo eenzaam, vastgekoppeld aan elk denkbaar soort instrumentarium, slangen in alle bestaande lichaamsopeningen plus een aantal zojuist gemaakte. We voorzagen onszelf van handschoenen en operatiekleding om naar hem toe te gaan, voelden en duwden en luisterden, deden allerlei testjes, en lazen telkens maar weer zijn cijfermateriaal door. Het was duidelijk dat hij dood zou gaan, maar toch deden we alles wat we konden verzinnen om hem te redden. Hij stierf in de loop van de nacht, zestien uur oud. Nooit aangeraakt door een onbedekte huid, nooit vastgehouden, gewiegd, gestreeld, of gekust. Hij stierf alleen in een klein plastic kistje en ik heb nooit om hem gehuild - tot nu dan. Ik kan me nu niet meer indenken dat ik niet mijn masker en handschoenen afdeed om hem vast te houden, met alle slangen en machines en wat dan ook, en zijn zachte babyhuidje te strelen bij het einde van zijn korte bezoek aan deze aarde.
En ik herinner me Stella, die lag dood te gaan omdat ze kanker had aan haar eierstokken, in de laatste kamer aan het eind van een lange gang op de afdeling gynaecologie. Ze wist tientallen manieren te verzinnen om de verpleegsters mij naar haar kamer te laten roepen. Haar infuus deed zeer, haar voeten waren opgezwollen, ze had moeite met ademhalen. Elke smoes haalde me weg bij mijn eindeloze lijst met verplichtingen en putte mijn geduld uit. Ik heb vriendelijk genoeg voor haar gezorgd, maar voelde de druk om snel weer naar mijn andere taken terug te keren. Ik zie nu de smeekbede in haar gezicht voor me, in hoe ze deed. Ze wilde dat ik bij haar kwam zitten om te delen in haar angst en woede nu ze lag te sterven in het ziekenhuis, alleen. Ik hoor weer de ergernis in mijn stem als ik tegen haar praatte en zo weinig mogelijk tijd in haar kamer doorbracht. Hoe weinig dat ook was, het was veel langer dan bij de andere zieken en langer dan de specialist die haar behandelde aan haar besteedde. Het was dus mogelijk om nóg minder mededogen te hebben dan ik opbracht. Mijn afkeer van de dood was even sterk als bij haar, maar dat wisten we geen van beiden. We hadden elkaar kunnen helpen. Ik had haar hand kunnen vasthouden en haar beloven bij haar te komen wanneer ze me nodig had. Ik had met haar kunnen huilen. Ik had erbij kunnen zijn toen ze stierf. Maar ik vroeg de zusters me te bellen zodra ze was heengegaan, zodat ik haar officieel kon doodverklaren en het document van overlijden kon tekenen. Ik weet nog dat ik dacht, toen ik luisterde naar haar longen zonder lucht en haar stilgevallen hart, dat ik nu meer tijd zou hebben om mijn werk af te krijgen. Ik voel evenveel rouw voor mezelf als voor hen. Ik rouw om de dokter die ik had kunnen zijn, als het medische onderwijssysteem de menselijkheid in mij niet dood had gemaakt. Ik rouw om alle studenten medicijnen in opleiding en de co-assistenten, bij wie het mededogen systematisch wordt gedoofd opdat zij kunnen voldoen aan het artsenmodel dat nog steeds gangbaar is. Ik hoop vurig dat er spoedig medici zullen komen die in staat zijn en de vrijheid hebben om hun patiënten te omhelzen, hun hand vast te houden, naar hun verhalen te luisteren, en met hen te huilen. Dan zal ik pas beseffen dat de mensheid zichzelf kan helen, en dat er hoop is voor onze soort en onze planeet.
|