|
Tot mijn grote ergernis wil mijn broer op feestjes altijd optreden. Meestal gaat hij dan zingen, zichzelf begeleidend op een speelgoedgitaar die nog valsere klanken voortbrengt dan hijzelf. De meeste gasten vinden 't fantastisch. Waarom toch, heb ik me altijd afgevraagd, want ik heb deze zingende jongen dagelijks om me heen en kan er niet veel bijzonders aan ontdekken. Daarom ben ik er altijd maar vanuit gegaan dat hij het uitbundig applaus aan het eind van zijn onverstaanbare optreden heeft te danken aan het feit dat hij mongoloïde is. Met spleetogen en één chromosoom minder verover je kennelijk de hele wereld. De optredens van mijn broer Wouter zetten me aan het denken. Op een bepaalde manier zet hij zichzelf te kijk. Is het gênant? Of juist vertederend? Een handicap roept nu eenmaal vragen op. Denk maar eens aan de situatie wanneer iemand in een rolstoel voorbij rolt. Kijk je de andere kant op? Maak je meer ruimte? Hoe zou jij je voelen als je in een rolstoel zat? Welke beperkingen geeft het? Deze vragen komen vanzelf in je op, dwingen je na te denken en verruimen zo je gedachtewereld. Dan realiseer je je dat een handicap alles behalve een feest is. Ik maak me dan ook vaak druk om mensen, die alles wat Wouter doet of zegt per definitie fantastisch vinden. Hij is er heilig van overtuigd dat vijf plus zes zeven is. En dat is niet fantastisch, dat is dom.
Dat Wouter de wereld zou kunnen veroveren, lijkt me dus teveel gezegd. Maar hárten verovert hij alsof het niets is. Wat hij ook doet, waar hij ook komt, mensen zijn bij zijn verschijning op slag vertederd. Bij de bakker, als hij op straat fietst: overal maken zure gezichten plaats voor een brede glimlach. Mensen worden prompt zachter, opener, warmer en vriendelijker. De oorzaak hiervan ligt, denk ik, bij Wouters onbevangenheid. Hij zal niet oordelen, niet aanvallen, van hem valt niets te duchten... Tegelijkertijd kan hij zichzelf ook niet verdedigen - simpelweg omdat hij daarvoor te dom is. En spierkracht heeft hij al helemaal niet. Vanuit deze zwakke positie kan hij maar één ding doen, en dat is accepteren en liefhebben. En zo dwingt hij zijn omgeving hetzelfde te doen. Er is immers geen enkele aanleiding om anders te reageren. Wouter kent geen wantrouwen. Door zijn onbevangenheid breekt hij meteen het ijs, dat binnen vriendschappen soms jaren nodig heeft om te smelten. En zelfs dán vertrouw je elkaar vaak nog niet volledig.
Naast onbevangen is Wouter ook ánders. Dit geeft hem veel vrijheden en privileges. Zo mag hij de hele zomer met een knalrode Feyenoord-muts op zijn hoofd rondlopen. Hij mag o-benen hebben. Met zijn driewieler mag hij het hele verkeer ophouden en vrolijk lachend zwaaien naar de auto's achter zich. Hij mag vals zingen. Op zich mogen wij dit ook allemaal. Ik zou het heerlijk vinden om bij elke gelegenheid die zich aandient, vol trots de aandacht te vragen en een lied voor iedereen te zingen. Maar dat dóe je gewoon niet. Zeker niet als je zo vals zingt als ik. Wouter doet dit wél, omdat hij zijn eigen gedragsnormen bepaalt. Het is leuk om met Wouter samen te zijn, want dan heb jijzelf ook het recht je afwijkend te gedragen. Alleen in het bijzijn van Wouter doe ik alsof ik in het concertgebouw een aria zing. En alleen Wouter heeft mijn variant op het Zwanenmeer gezien. In het bijzijn van Wouter krijg ik het gevoel dat ik niet perfect hoef te zijn. Dat ik mijn best niet hoef te doen. Hij heeft een gebrek, dus mag ik er ook best een hebben. Meerdere zelfs. Zijn gebrek maakt je losser. Je accepteert jezelf meer. Als Wouter weer eens bezig is met een van zijn shows, ga ik nog maar wat toastjes smeren. Ik ken die optredens onderhand wel. Maar deze keer gaat hij verder dan normaal. Naast zijn gezang en gitaarspel begint hij nu ook zijn publiek te dirigeren. Zingend geeft hij zijn commando's: 'En nu moet iedereen gaan staan.' Een enkele gast die blijft zitten, wordt persoonlijk toegezongen tot ook hij braaf meedoet met de rest. Op het laatst lijkt de hele huiskamer op een gekkengesticht. Mensen staan, gaan weer zitten, draaien rondjes, klappen in hun handen. Wat denken de buren wel niet. Wouter eindigt dit klapstuk met het commando dat 'iedereen moet gaan knuffelen', zijn favoriete bezigheid. En verdomd, alle gasten nemen de persoon naast zich liefdevol in hun armen. Zo knuffelt onze werkster met de advocaat van op de hoek en omarmt de buurman mijn tante met wie hij net kennis heeft gemaakt.Als Wouter een buiging maakt, barst er een oorverdovend geklap en gelach los.
|