|
'We moeten wel. Anders is de groeiende wereldbevolking niet meer te voeden.' Zo klinkt de edelmoedige mantra van de biotechnologie. Met vergelijkbare argumenten werd destijds kernenergie gepropageerd. Alsof er geen alternatieven zijn. Om het meteen duidelijk te stellen: het is uitstekend mogelijk om de groeiende wereldbevolking te voeden zonder biotechnologie. Sterker nog: zonder bestrijdingsmiddelen en zonder kunstmest. De moderne biologische landbouw - en dat is iets heel anders dan de 'middeleeuwse' voorstelling van een ploegende boer achter een knol - biedt de mensheid een gezonde, veilige en duurzame voedselvoorziening. Het is een leugen dat alleen grootschalige - en chemische - landbouw voldoende voedsel oplevert voor de snel groeiende mensenmassa in de ontwikkelingslanden. Zoals de Indiase auteur en milieuactiviste Vandana Shiva het zegt: vijftig procent van het voedsel in Afrika wordt - vooral door vrouwen en zonder moderne hulpmiddelen - geteeld op twee procent van het totale landbouwgrondgebied; de andere helft van het Afrikaanse voedsel wordt geproduceerd op de overige 98 procent van het landbouwareaal door grootschalige bedrijven - vaak onder westerse invloed of bestuur - met veel kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Bij wie moet je nu zijn voor de oplossing van de honger in Afrika?
Niet biotechnologie is het antwoord op het voedselvraagstuk, maar een kritische bezinning op het thans allesoverheersende streven naar vrijhandel. Als gevolg van een reeks van internationale handelsakkoorden sinds de Tweede Wereldoorlog gaan tarwe- en rijstkorrels tegenwoordig als schroevendraaiers of videorecorders over de wereld. Maar vrijhandel gaat over marktsignalen - wie kan waar de goedkoopste videorecorders maken - niet over honger. Daarbij komt, dat de vrijhandel in agrarische producten oneerlijk is, omdat westerse boeren profiteren van vele directe of indirecte subsidies. Met die steun produceren zij overschotten, die vervolgens goedkoop van de hand worden gedaan in ontwikkelingslanden. Die gang van zaken ondermijnt de lokale voedselvoorziening in de Derde Wereld - daar waar de honger is. Boeren in Chili, Mexico en Afrika produceren thans appels en peren voor de Europese en Amerikaanse markt als het voor die vruchten op het noordelijk halfrond geen seizoen is. Vrijhandel ontmoedigt het produceren voor de lokale markt en dat is voor iets essentieels als voedsel uiteindelijk gevaarlijk. Chilenen, Mexicanen, Afrikanen, de bewoners van andere ontwikkelingslanden moeten hun voedsel steeds meer kopen - als zij daar tenminste geld voor hebben - van westerse multinationale concerns, die dat in hun land importeren. Dagelijks krijgt een miljard mensen niet genoeg te eten en dat wordt slechts erger als de beschikbaarheid van voedsel verder wordt gekoppeld aan geld. In de wereldsupermarkt 'concurreren' thans consumenten met een jaarinkomen van 25 dollar met consumenten die 25 dollar per uur of zelfs per minuut verdienen. Dergelijke onevenwichtigheden verklaren waarom begin jaren tachtig ten tijde van hongersnoden in Afrika niettemin boten vol (vee)voedsel vertrokken uit Afrikaanse havens. Want inderdaad: het grootste deel van het voedsel dat ontwikkelingslanden zelf verbouwen, dient voor de vleesproductie in het Westen - zo vergt de Nederlandse vleesproductie de graanoogst van een gebied zeven keer (!) zo groot als Nederland in de Derde Wereld. Dit soort wantoestanden zullen door de biotechnologie - alle mooie woorden ten spijt - alleen maar toenemen als straks de voedselproductie afhankelijk wordt van dure 'technologische' zaden, die een Indiase of Keniaanse boer zich niet kan veroorloven. Want het doel van de vrijhandel is geld verdienen, niet honger bestrijden. Wat dat betreft is het saillant, dat veruit de meeste agrarische handel plaatsheeft tussen mensen die al voldoende te eten hebben.
Met de vrijhandel komt de monocultuur. Allerlei bewoners van deze aarde eten tegenwoordig tarwe, ofschoon zij daar tot voor kort nog nooit van hadden gehoord. Stelt u zich voor dat u - dankzij de vrijhandel - nergens meer vlees kunt krijgen, alleen nog maar sojabonen. Die eenzijdigheid speelt ook in de productie. Indiase boeren teelden nog maar enkele decennia geleden 50.000 verschillende soorten rijst, thans ten hoogste een paar dozijn. Maar er was een goede reden voor al die verschillende soorten: niet elke graansoort groeit overal op aarde even goed. De rogge die in Noord-Frankrijk groeit, kan in Argentinië heel kwetsbaar zijn. En dat verklaart waarom bijvoorbeeld in Brazilië tot vijf jaar geleden jaarlijks gemiddeld twintig nieuwe ziekten of plagen in de landbouw voorkwamen en thans elk jaar al meer dan 300. 300. Geïndoctrineerd door de vermeende successen van de Groene Revolutie lossen de Braziliaanse boeren dat groeiende probleem standaard op met het gebruik van meer bestrijdingsmiddelen. En dat is een doodlopende weg, zoals bijvoorbeeld hun Indiase collega's thans in toenemende mate ervaren. Ruim dertig jaar na de successen van de jaren zestig loopt de Groene Revolutie in India vast. Het grondwaterpeil is dramatisch gezakt en ongedierte is resistent geraakt tegen de excessieve hoeveelheden bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Voor vele gewassen daalt de opbrengst per hectare. Het probleem is dat, de Indiase boeren met irrigatie, kunstmest en bestrijdingsmiddelen gewassen zijn gaan telen die niet goed gedijen in hun omgeving. De tegenbeweging tekent zich dan ook af: boeren keren terug naar het planten van inheemse gewassen met behulp van natuurlijke, biologische bestrijdingsmiddelen, zoals een extract van de inheemse neemboom dat de katoenplant effectief beschermt. Hun opbrengst per hectare loopt weer op… en zij produceren weer voor de lokale markt. Dergelijke ontwikkelingen bieden het beste bewijs dat de biologische landbouw in staat is de chemische landbouw te # ANOT ="ÛG J vervangen en de wereldbevolking te voeden. Want het feit dat de Afrikaanse boeren op dit moment niet de Afrikanen voeden, betekent nog niet dat zij dat niet kunnen. Er zijn wereldwijd - van Honduras en Senegal tot de Filippijnen - opmerkelijke successen geboekt met het omschakelen van industriële landbouw naar biologische landbouw met inheemse gewassen, waarbij oogstverbeteringen tussen vijftig en honderd procent worden gerapporteerd. Maar zelfs als er geen sprake is van een verhoging van de directe opbrengst van een gewas, brengt de omschakeling meer voedsel met zich mee. Want als er geen chemische bestrijdingsmiddelen meer worden gebruikt, keren ook nevenopbrengsten - zoals slakken, maar ook vissen en vogels - terug op of rondom de akkers. Bovendien laten de boeren hun exclusieve aandacht voor één gewas - meestal een graan - los. Combinaties blijken meer op te brengen. Een akker die het hele jaar alleen met maïs wordt beplant, brengt minder op dan een akker die met een combinatie van bijvoorbeeld maïs, bonen en pompoen wordt ingezaaid. In het koudere Westen zal de omschakeling naar biologische landbouw - naar verwacht - een vermindering van de oogsten met twintig procent tot gevolg hebben. Maar die twintig procent komt mooi overeen met de doelstellingen van de Europese Unie en de Verenigde Staten om de huidige overschotten met ongeveer een vijfde te beperken. Omschakeling naar biologische landbouw garandeert niet zonder meer succes. De moderne biologische boer is niet iemand die alleen maar de chemische middelen in de schuur zet en verder boert als zijn grootvader of als een dromerige idealist. In succesvolle gevallen is er steeds sprake van intensieve ondersteuning, vooral ook met wetenschappelijk onderzoek. Welke biologische alternatieven zijn er voor chemische bestrijdingsmiddelen? Welke gewassen kunnen het beste worden gecombineerd? Wat is de ideale gewaswisseling? Na hoeveel jaar mag hetzelfde gewas weer worden geplant? In ontwikkelingslanden is extra werkgelegenheid op het land - bijvoorbeeld omdat er meer moet worden gewied - een positief effect. In het Westen, dat op zoek is naar hoogwaardige banen, biedt extra schoffelwerk geen passend werkgelegenheidsperspectief en is het bijvoorbeeld van belang om te onderzoeken hoe onkruid kan worden bestreden zonder extra uren wieden. Er moet dus veel onderzoek worden gedaan. Maar de overheidsgelden vloeien wereldwijd nog steeds voor het leeuwendeel naar de conventionele landbouw. Ook in Nederland geniet - in de woorden van prof. dr E. Goewie van de Landbouwuniversiteit in Wageningen - 'Star Wars in de polder' immer onbetwist de prioriteit. 'Voedseltechnologen en genonderzoekers hebben de wind mee. Het vertrouwen in bestrijdingsmiddelen staat echt veilige, gifloze vormen van landbouw in de weg.' Recentelijk werd de staf van Goewie's ecologische faculteit zelfs beperkt. Maar mét aandacht en onderzoek kan de biologische landbouw zich wereldwijd verder ontwikkelen als een betrouwbaar, gezond en veilig alternatief. Goewie: 'We hebben nog lang niet alle hulpmiddelen van de natuur gebruikt om maximaal te produceren. We hoeven helemaal niet naar kunstmest en gentechnologie te grijpen.' Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) concludeert in een recent rapport, dat het - bij de huidige stand van zaken - mogelijk is om tien miljard mensen te voeden zonder gif en kunstmest: 'Een duurzame voedselvoorziening stuit dus niet in de eerste plaats op grenzen van de fysieke milieugebruiksruimte voor de wereld als geheel. Het zijn eerder politieke en sociaal-economische factoren die bepalend zijn voor de mate waarin de wereldbevolking kan worden gevoed.' De laatste voorspellingen van de Verenigde Naties wijzen er overigens op, dat de wereldbevolking die tien miljard niet eens zal halen, maar zich over veertig jaar tussen 7,5 en acht miljard zal stabiliseren. In meer dan vijftig landen, waarin bijna de helft van de wereldbevolking woont, is al geen sprake meer van bevolkingsgroei.
Biologische landbouw is te duur, werpen critici tegen. De voedselprijzen zouden te veel stijgen. Op dit punt is er vooral sprake van stuivertje wisselen door consument en belastingbetaler: wat de consument minder aan gangbare voeding uitgeeft, betaalt hij meer aan belastingen die nodig (zouden) zijn om de schadelijke gevolgen van de gangbare landbouw te bestrijden. Het Centrum voor energiebesparing en schone technologie becijferde onlangs dat de milieuschade in de vorm van verzuring, vermesting en verdroging door de Nederlandse landbouw - gemeten naar de doelstellingen van het Nationaal milieubeleidsplan - tussen vier en zeven miljard gulden per jaar bedraagt. Die onbetaalde rekening van de gangbare landbouw bedraagt zo'n 250 tot 500 gulden per hoofd van de bevolking per jaar. Dat is tien procent van de totale levensmiddelenconsumptie van ongeveer 4000 gulden per persoon per jaar. Thans liggen de prijzen in de natuurvoedingssupermarkt gemiddeld vijftien procent boven de prijzen in de gewone supermarkt. Dat verschil neemt al af - vijf jaar geleden was dat nog 25 procent - omdat de kosten dalen door de groei van de biologische consumptie. Met andere woorden: als de milieuschade wordt verrekend, zouden de prijzen in de natuurwinkel niet hoger liggen dan bij de 'gewone' kruidenier. De vervuiling in de gangbare landbouw is enorm. Recentelijk investeerden Britse waterleidingbedrijven ruim drie miljard gulden in filters om achtergebleven bestrijdingsmiddelen en kunstmest uit het drinkwater te kunnen zuiveren. Ten opzichte van de jaarlijkse Britse agrarische productie staat dat bedrag voor honderd gulden per geproduceerde kilo voedsel. Frans onderzoek wijst uit, dat in de bodem van veel wijngaarden in Bourgogne minder biologisch leven zit dan in die van de Sahara. En in eigen land is een fietstocht langs sloten in het Westland een schokkende ervaring. Milieuorganisaties beschuldigen de tuinders er zelfs van, dat zij nog steeds hier en daar het al lang verboden bestrijdingsmiddel DDT gebruiken. Nergens in de wereld wordt er per hectare meer gif gebruikt dan in Nederland. Er wordt geknoeid en gemorst met grote schade voor bossen, heide en grondwater tot gevolg. Volgens prof. Goewie is negentig procent van het gebruikte gif ballast die ervoor zorgt dat tien procent effectief is. Maar al die bestrijdingsmiddelen vervuilen intussen wel.
Het gif vervuilt niet alleen, maar verdrijft ook vogels en andere dieren, die op de akkers geen voedsel meer vinden. In Engeland heeft - naast de gekke-koeienziekte - ook de 'stilte' op het platteland bijgedragen aan de recente snelle opmars van biologische consumptie en biologische landbouw. Want dat is duidelijk: de biologische landbouw zit in de Europese Unie - in navolging van de Verenigde Staten - in de lift. Per jaar neemt het Europese biologische landbouwgebied met 25 procent toe. Maar het totaal bedraagt nog steeds nauwelijks 1,5 procent van het gehele landbouwareaal van de vijftien landen van de Europese Unie. In Zweden en Oostenrijk is al bijna tien procent van het landbouwgebied biologisch. Maar ook Duitsland (drie procent) en Denemarken (2,5 procent) doen het veel beter dan Nederland, waar slechts 0,8 procent van de akkers op biologische wijze wordt bebouwd. Nederland kampt met de wet van de remmende voorsprong. Nergens anders is de chemische landbouw zo geperfectioneerd. Vandaar dat Nederland met een klein landbouwgebeid is uitgegroeid tot de derde agrarische exporteur ter wereld. Het is dan ook ingewikkelder om de grootschalige Nederlandse monocultuurbedrijven om te schakelen dan de kleinschaliger bedrijven in landen als Zweden en Oostenrijk. Maar ook in Nederland versnelt thans de groei - vooral doordat steeds meer melkveehouders omschakelen. Zij krijgen hogere prijzen voor biologische melk. In 1998 groeide het aantal Nederlandse biologische boeren van 800 naar 1000 en daarmee steeg het groeipercentage, dat al jaren op ongeveer tien lag, naar 25. Een onderzoek van het weekblad Boerderij geeft aan, dat een kwart van de boeren in Nederland graag wil omschakelen. Steeds meer boeren willen niet langer meewerken aan het produceren van overschotten die nergens kunnen worden afgezet en waarvan de productie slechts het milieu vervuilt.
Het doorbreken van de biologische landbouw in Nederland stuit vooralsnog ook op een gebrek aan belangstelling van de consument. De Nederlandse consument is verwend met goedkoop voedsel en toont zich op dit gebied weinig kwaliteitsbewust. Een tomaat moet er mooi uitzien, de smaak is van secundair belang. De tuinders ondervonden al eens, dat bijvoorbeeld Duitsers daar anders over denken. In eigen land nemen toonaangevende koks inmiddels het voortouw: zij kopen bijvoorbeeld vooral biologische witlof in, omdat die meer smaak heeft en minder water bevat waardoor zij er beter mee kunnen koken. Voormalig minister van landbouw Van Aartsen - die de biologische landbouw 'de voortrekker' van de landbouw van de toekomst noemde - trok in 1996 zestig miljoen gulden uit om de afzet van biologische producten verder te bevorderen. Met enig succes. Recent onderzoek geeft aan dat zes procent van de Nederlandse consumenten vaak of meestal biologische voeding koopt en 25 tot dertig procent soms. Het verkoopkanaal verandert ook. Vroeger waren onbespoten biologische producten alleen te koop in reform- en natuurvoedingswinkels. Thans wordt de helft van de biologische voeding in de gewone supermarkt - aangevoerd door Konmar en Albert Heijn - verkocht. De belangstelling van de gewone supermarkt is doorslaggevend. Zo kreeg de biologische landbouw in Denemarken een enorme impuls, toen de supermarktketen FDB vijftien jaar geleden uitdrukkelijk koos voor het aanbieden van biologische producten. De gewone supermarkten verlossen de biologische landbouw ook van het deprimerende imago van verschrompelde appeltjes en zanderige andijvie. De kwaliteit van de producten van de biologische landbouw laat zich uiterlijk niet meer onderscheiden van de producten van de gangbare landbouw. De variëteit is toegenomen, zodat de consument in de winter niet meer is veroordeeld tot kool en wortels, maar ook een kropje geïmporteerde biologische sla kan eten. Daarbij komt, dat de laatste jaren het aanbod van kant-en-klare biologische voeding is gegroeid en daarmee wordt aangesloten bij de servicetrend in het gangbare voedingskanaal. Een recente campagne van Greenpeace, Milieudefensie, de Stichting Natuur & Milieu en de Consumentenbond zal de biologische sector verder stimuleren. De organisaties waarschuwen tegen de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen in land- en tuinbouwproducten. Met name in sla, paprika's en aardbeien zouden regelmatig meer giftige residuen zitten dan toegestaan. Het is gebleken dat, bepaalde stoffen die als bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, bij dieren die er - bijvoorbeeld via het grondwater of in sloten - mee in aanraking komen, ernstige verstoringen van de hormoonhuishouding kunnen veroorzaken. De dieren - krokodillen in een natuurgebied in Florida, zeehonden in de Waddenzee, maar ook ijsberen op Spitsbergen - blijken zich niet meer te kunnen voortplanten. Er zijn afwijkingen aan de voorplantingsorganen en het immuunsysteem geconstateerd. De toezichthoudende instanties betwisten deze effecten niet, maar stellen dat de doses waarin consumenten deze middelen binnenkrijgen zo klein zijn, dat er 'geen effecten te verwachten zijn'. Ofwel: de mens kan wel tegen een stootje. De milieuorganisaties brengen daar tegenin, dat van vele landbouwmiddelen het effect op mens en milieu onvoldoende bekend is en dat daarom voorzorgsmaatregelen op hun plaats zijn.
Het is gecompliceerd om wetenschappelijk aan te tonen dat biologische voeding gezonder is dan de productie van de gangbare landbouw. Het is niet eenvoudig vast te stellen waardoor iemand ziek wordt; meestal is er sprake van een samenspel van factoren. Het meest spraakmakende onderzoek werd in 1996 gepubliceerd in het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet. Bij mannen die biologische voeding aten, bleek de concentratie spermacellen 43 procent hoger te zijn dan bij mannen die 'gewone' voeding aten. The Lancet stelde overigens zorgvuldig vast, dat vruchtbaarheid van meer afhangt dan van de spermaconcentratie. En het Britse wetenschappelijke tijdschrift New Scientist berichtte recentelijk dat de - met kunstmest en bestrijdingsmiddelen geproduceerde - hoge graanoogsten in ontwikkelingslanden vaak gepaard gaan met lage hoeveelheden mineralen en vitaminen in de granen. 'En omdat die granen vaak de lokale vruchten en groenten hebben verdrongen die traditioneel in die essentiële elementen voorzagen, is in het dieet van veel mensen in de Derde wereld thans sprake van gevaarlijke tekorten aan ijzer, zink, vitamine A en andere mineralen.' Tenslotte was er een aardig onderzoek waarbij bleek dat proefdieren - als zij de keus hadden - een duidelijke voorkeur voor biologische voeding lieten blijken! Deze onderzoeken wijzen in de richting dat biologische voeding gezonder - of in elk geval voedzamer - is. Maar onderzoek of niet, dat kun je je ook voorstellen. Planten halen hun voeding uit de bodem. Als die bodem vrijwel steriel is, omdat hij stelselmatig wordt bespoten en met steeds dezelfde gewassen wordt ingezaaid, is het bijna vanzelfsprekend dat die gewassen minder 'rijk' worden.
Het bewijs dat gif giftig is en dat dat via planten schade kan toebrengen aan de gezondheid van de mens, zal nog wel een keer worden geleverd. Maar belangrijker is, dat de moderne biologische landbouw aantoont dat dat gif niet nodig is. De mensheid is te voeden zonder het milieu verder te vervuilen. Daarvoor is ook de nieuwste chemische uitwas - de biotechnologie - niet nodig. Gesteund door wetenschappelijk onderzoek kan de natuur het zelf.
|