www.odemagazine.com

Jurriaan Kamp | 18 januari/februari 1998 issue

Huize Weltevree

Nergens in de wereld zo veel wordt 'gedoe-het-zelfd' als in Nederland. Mensen willen creatief zijn. En dus struikel je in de meest saaie nieuwbouwwijken over dakkapellen, pergola's, beschilderde voordeuren en tuinkabouters. Uit al die creativiteit spreekt één boodschap: 'hier wonen wij'. Die eigenheid is belangrijk voor ieder mens. Daarom is het ook zo funest dat veel mensen moeten wonen in omgevingen waarin zij zichzelf niet of nauwelijks kunnen uitdrukken. Wie wordt 'opgeborgen' in een flat wordt welhaast gedwongen om in de weekeinden met zijn auto in een file te gaan staan op weg naar bos of strand. En dat is nog een positieve 'ontsnapping'. Een creativiteit dodende woonomgeving kan ook leiden tot ernstige frustratie. Als je thuis niet positief kunt creëren, lokt dat negatieve creatie uit. Het geweld van voetbalsupporters bijvoorbeeld.

Een eigen huis is een van de beste investeringen voor een gezonde samenleving. Mensen die een eigen plek hebben waaraan zij kunnen knutselen, creëren minder files, zijn minder boos en minder somber. Maar niet elk eigen huis biedt evenveel mogelijkheden voor creativiteit. De wens van de meeste Nederlanders is duidelijk: uit diverse onderzoeken is gebleken dat de Nederlander het liefst woont in een vrijstaand huis met een tuin erom heen. Dat zijn mooie dromen, denkt u, dat gaat natuurlijk niet want Nederland is nu al overvol.

De werkelijkheid is anders. Nederland bestaat uit 34.000 vierkante kilometer waarvan niet meer dan tien procent - 3400 kilometer - is bebouwd. De overheid wil in de komende tien jaar een miljoen nieuwe woningen bouwen. Dat gebeurt in een dichtheid van 40 huizen per hectare. Dan wordt er dus 250 vierkante kilometer extra bebouwd, ofwel 0,7 procent extra van de oppervlakte van Nederland.

De architect en stedenbouwer Carel Weeber heeft uitgerekend dat het best mogelijk om die zee van rijtjeshuizen te wisselen voor de echte wens van de Nederlander: een miljoen vrijstaande huizen. Als er in plaats van 40, 25 huizen per hectare worden gebouwd, kan elk huis een eigen tuin rondom hebben. In dat geval is er 400 vierkante kilometer nodig om een miljoen nieuwe woningen te bouwen. Dat is 1,2 procent van Nederland. In de visie van Weeber is straks niet 10,7 procent maar 11,2 procent van Nederland bebouwd. Dat verschil merkt niemand - hooguit de koeien waarvoor minder plaats zal zijn, maar dat is met de voortdurende overproductie van zuivel ook geen verkeerde ontwikkeling.

Weeber denkt nog verder. Het is zijn ideaal dat mensen die huizen bovendien zelf bouwen. In een recent interview in NRC Handelsblad (4 april 1997) zei hij: 'Ze gaan naar een bouwwarenhuis, een soort Gamma, dat door de overheid goegekeurde huisonderdelen in verschillende variëteiten verkoopt. Ze geven aan het bouwwarenhuis op welke onderdelen ze voor hun huis willen. Een week later rijdt er een vrachtwagen naar de kavel en het gewenste huis wordt in elkaar gezet. Tenslotte belt de eigenaar de gemeente op om zijn huis aan te sluiten op het gas- en elektriciteitsnet.'

De bemoeienis van de overheid blijft uiterst beperkt. Zij controleert de kwaliteit van het 'bouwwarenhuis' en zij stelt enkele regels waaraan de huizenbouwers moeten voldoen, bijvoorbeeld om te voorkomen dat iemand op zijn kavel een flatgebouw neerzet of zijn hele tuin vol bouwt.

Het 'wilde wonen' van Weeber gaat recht in tegen de gangbare aanpak van rechte rijtjes huizen in straten waarin lantaarnpalen en bomen met een angstwekkende precisie zijn neergeprikt. Kritici hebben dan ook onmiddellijk tegengeworpen dat Weeber's aanpak tot chaos en rotzooi leidt. Vergeleken bij de huidige 'orde' in de nieuwbouwwijken, zal dat best. Aan de andere kant zal er een enorme creativiteit losbarsten die onverwachte, mooie gevolgen kan hebben. De hele wereld vergaapt zich tegenwoordig aan de Amsterdamse grachtengordel. Dat is een prachtig voorbeeld van individuele creativiteit binnen een aantal algemene afspraken. Elk huis is anders, is eigen en toch heerst er een strelende harmonie.

Responsive Community (voorjaar 1997) wijst op een ander aspect van woongenot. De meeste moderne woonwijken zijn zo ontworpen dat bewoners er zo snel mogelijk uit kunnen, op weg naar supermarkt, voetbalclub of museum. In een wijk moet echter niet het verkeer maar de mens centraal staan. Dat betekent volgens het tijdschrift dat straten smal moeten zijn en dat het accent moet liggen op publieke plaatsen - een plein, een park. Die visie lijkt aan te sluiten op het woonerf zoals dat sinds de jaren zeventig in Nederland opgang heeft gemaakt. Maar in de visie van Responsive Community is er meer nodig dan een verzameling van kindvriendelijke straatjes: er moet iets te doen zijn op de publieke plaatsen. Een wijk gaat pas leven als winkel en postkantoor binnen loopafstand zijn. Dan komen mensen elkaar tegen.

Deze gedachten krijgen in de Verenigde Staten vorm in het 'nieuwe urbanisme'. Diverse experimenten blijken succesvol. Mensen genieten inderdaad meer van wonen in wijken die lijken op de dorpen van vroeger. Het is een nauwelijks verrassende conclusie. De sociale functie van woningbouw kan toch niemand ontgaan zijn. En toch zijn er decennia lang Bijlmermeers gebouwd.

'Wild wonen' in een 'dorp' betekent meer vervulling in het leven en meer geluk, betekent minder frustratie en zinloze vernieling en betekent minder behoefte om voortdurend op stap te zijn met alle verkeersdrukte die daarbij hoort.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)