www.odemagazine.com

Robert Kaplan | 12 januari/februari 1997 issue

Een vallei van hoop

Ik had het gevoel dat ik me weer op weg bevond in West-Afrika, met zijn monotone en intimiderende groenheid en zijn rode plinthietbodem, waar legers mieren overheen trokken. De holle en schelle vogelkreten waren rustgevend na de nachtelijke taxirit. Vlinders maakten het plaatje compleet. Er waren hier 55 verschillende vlinders, hoorde ik later van S. Rangaswami, een lokale natuurkenner. Toch was het verschil tussen Rishi Valley en West-Afrika enorm: iedere boom die er in deze jungle-achtige omgeving stond, was door mensen- of kinderhand geplant in het kader van een welbewuste herschepping.
Tientallen jaren geleden was deze vallei ontbost en veranderd in woeste grond met laag struikgewas, in een streek waar chronische droogte heerste en boeren een marginaal bestaan bij elkaar schraapten. De herschepping van het landschap was tot stand gebracht zonder enig advies van westerse deskundigen en vrijwel zonder externe fondsen. Rishi Valley was in feite een geheim waarvan het Westen vrijwel geen weet had. De inwoners van Rishi Valley hadden oplossingen gevonden voor problemen als overbevolking en milieu-aantasting. Ongetwijfeld zijn er plaatsen in Afrika die ik had kunnen bezoeken en die me even hoopvol hadden gestemd als Rishi Valley, net als er plaatsen in India bestaan die even deprimerend zijn als Sierra Leone. Rishi Valley is misschien niet zozeer een Indiaas succesverhaal als wel een menselijk succesverhaal. Rishi Valley laat zien dat er hoop is, dat de menselijke soort zichzelf niet noodzakelijkerwijs zal vernietigen. Maar ik leerde er ook dat als die hoop werkelijkheid wil worden, er oplossingen moeten worden gevonden op lokaal niveau. Hoop en oplossingen kunnen niet worden aangedragen door toedoen van een machtig overheidsapparaat of van internationale bureaucratieën op duizenden kilometers afstand.
De natuurkenner Rangaswami, wiens ruim 1,80 meter metende elegante gestalte met een bungelende verrekijker was getooid, kwam het bos uit gekuierd, begon te praten en sleepte me bijna drie kwartier lang mee met zijn commentaar: de ouverture tot mijn ervaringen in de vallei.
'Vogels zijn de lakmoesproef,' zei Rangaswami. 'De terugkeer van de geelbefbuulbuul naar Rishi Valley vormt het officiële bewijs van de ecologische vernieuwing hier. Pas toen we zijn gekweel een paar jaar geleden voor het eerst hoorden, wisten we waaraan we toe waren.' Rangaswami leidde me door een dichte begroeiing van wingerds, varens, sandelbomen, boeah nona, tamarinde, acacia's en citroengras. 'Er is een toename van de biomassa met driehonderd procent. Let eens op de rode sandelbomen. Die zijn bestand tegen de droogte en groeien volkomen verticaal. We hebben ze hier geplant omdat hun wortels de grond vasthouden zonder dat ze de andere planten in de weg zitten.'
Rangaswami praatte door over zonnepanelen, organische groentetuinen en het vervangen van butaan door gas dat vrijkomt uit koemest terwijl hij tegelijkertijd parkieten en een groepje uiltjes aanwees. Met zijn onafgebroken wiekende armen, zijn kuif van staalgrijs haar en zijn zangerige Indiase stem leek hij wel een van de '150 soorten teruggekeerde trekvogels' waarover hij zo enthousiast was. Rangaswami was al in de zeventig en had als boekhouder en bedrijfsleider voor een fabriek in Madras gewerkt voordat hij zijn ware roeping vond in Rishi Valley. Daar ging hij zich bezighouden met het observeren van vogels en werd hij 'erehoofdopziener' van het natuurreservaat. Rangaswami is misschien wel excentriek maar geen super-romanticus. Evenmin is hij echt welgesteld of financieel onafhankelijk. Hij maakt deel uit van een beweging die gelooft dat ecologische vernieuwing essentieel is voor culturele vernieuwing.
Het verhaal begint in 1895 in het dorp Madanapalle - een paar kilometer van Rishi Valley - met de geboorte van Jiddu Krishnamurti. Krishnamurti, die in 1986 overleed, was een moderne filosoof - geen goeroe of yogi. Hij vormde geen organisatie en zamelde geen geld in. Hij wilde geen discipelen. 'Als je heel helder bent, als je inwendig een licht op je eigen pad bent, zul je nooit iemand volgen,' zei hij tegen bewonderaars. Aldous Huxley, die Krishnamurti hoorde spreken, zei dat het 'een van de meest indrukwekkende dingen was waarnaar ik ooit heb geluisterd, het was alsof ik Boeddha hoorde spreken.' Het is niet eenvoudig om Krishnamurti's overtuigingen in een paar woorden samen te vatten. Hij moest niets hebben van utopieën en haalde zijn neus op voor de terugkeer naar een pastoraal geluk. Hij meende dat dergelijke opvattingen alleen maar zijn vol te houden voor wie zijn ogen sluit voor de werkelijkheid van 'wreedheid, rivaliteit en leed, die zozeer deel uitmaken van het leven op aarde.' Hij was een scepticus die een banale werkelijkheid onder ogen zag: 'De aarde is van ons, van jou en mij, en we zullen er samen op moeten leven; we zullen haar moeten koesteren en op haar bodem dingen moeten kweken.'
In de vroege jaren dertig vestigden Krishnamurti en zijn vrienden een elite-kostschool op een volledig kaal stuk stenige grond van honderd hectare, nabij zijn geboorteplaats aan de voet van de Rishi Konda, een oeroude rots waarheen tweeduizend jaar tevoren rishi's - monniken - gingen om boete te doen. Dit was in strijd met de heersende gewoonte in India om kostscholen op schilderachtige plaatsen in het heuvelland neer te zetten. Het onderwijs in India is vaak bekritiseerd omdat het 'ontworteld' en 'abstract' is, omdat het superintelligende mensen aflevert die zijn losgekoppeld van hun omgeving, precies wat je mag verwachten van een kastestelsel. Zo ontbreekt het de Indiërs - ondanks hun grote prestaties in de theoretische wetenschappen - aan een even sterke traditie op het gebied van techniek. De Rishi-Valleyschool wilde in dit manco voorzien door milieubehoud tot een fundamenteel onderdeel van het lesprogramma te maken en deze rijke leerlingen te dwingen met hun handen te werken, zij aan zij met lokale dorpelingen. 'De cultuur wordt vernieuwd wanneer mensen uit de stad, met hun intellectuele mogelijkheden, zich in de dorpen vestigen,' legde Geetha Iyer, een leerkracht in Rishi Valley, uit. Dat is natuurlijk de les die de sjah van Iran en andere Derde-Werelddespoten nooit hebben geleerd: dat het dorp, en niet de stad, de sleutel tot de vooruitgang is; dat een natie niet modern kan zijn zolang de dorpen nog middeleeuws zijn.
Geetha, een piepkleine, lenige vrouw met een roze-omrande bril en ogen vol nieuwsgierigheid, zat achter het stuur en bracht me naar een plek kilometers landinwaarts, waar twee landschappen in elkaar overgingen. Het ene landschap leek wel een knekelveld van kalksteenheuvels, die in de loop van duizenden jaren door regen en wind waren gevormd, waren bedekt met reusachtige granieten keien en ontdaan van boomgroei en aarde doordat men het vee hier jarenlang had laten grazen en bomen had omgehakt voor brandhout. Het andere landschap was het weer tot leven gewekte woud van Rishi Valley, met verspreid tussen de bomen bonte dotten bougainville, hibiscus, goudsbloemen, wilde rozen en jasmijn, en daarboven een symfonie van vogels. Het verschil dat honderd meter hier maakte was tastbaarder dan menige door mensenhand aangelegde grens die ik was gepasseerd. In het herbeboste gebied gaven de stofloze wind en het zonlicht dat door het bladerdak een kleurrijke waaier werd, een gevoel van welbevinden. Ik vroeg me af of mensen die in zo'n herboren landschap leven, ook minder agressief worden.
Geetha legde uit: 'We zeggen tegen de dorpelingen, geef ons jullie slechtste land, het allerslechtste. Niet in eigendom, maar als een plek voor jullie en onze leerlingen om aan te werken.' Ze bracht me naar zo'n terrein, haar blauwe katoenen sari wapperend in de wind. Het zag eruit als een stuk gehavende huid dat bezig is te genezen - niet veel soeps, zou een ondeskundig oog oordelen. Het bestond uit niets anders dan ravijn en hellingen: niet kaal, niet groen maar iets daartussenin. Dat midden vertegenwoordigde de vooruitgang die Geetha's studenten hadden geboekt. 'We kiezen planten en bomen uit die veel compost geven en die de aarde vasthouden.' Vermeldenswaard in dit verband is de boeah nona: een lage, fruitdragende, niet bijzonder fraaie boom maar een naam die ik als een mantra steeds weer overal in Rishi Valley hoorde. De boeah nona is al na vier jaar volgroeid. De wortels dringen diep en wijd de grond in, waardoor de geërodeerde bodem wordt verankerd. Het is een taaie boom die weinig regen nodig heeft en waarvan de bladeren niet door geiten worden gegeten. En in de schaduw ervan komen andere plantesoorten vanzelf op. Rangaswami, de vogelkenner, was dol op de boeah nona. De leerlingen van de Rishi-Valleyschool planten jaarlijks 20.000 bomen en struiken en zetten 100.000 kiemplanten uit over de hele vallei.
Geetha wees naar een serie waterkeringen, een soort miniatuurdammen of ophogingen, gewoon van aarde gemaakt, niet veel groter dan wat een kind op het strand zou bouwen van nat zand. Door de stroompjes na een regenbui te stoppen of op zijn minst af te remmen, helpen deze waterkeringen erosie voorkomen en vormen zich afzettingen van voedselrijk slib. 'Dat slib is heel vruchtbaar. Er zit veel humus in. We brengen het slib naar de droge gebieden die moeten worden hersteld,' legde Geetha uit. Rishi Valley, begon ik te begrijpen, was als één grote ent-operatie, waar de gezonde aarde die op de ene plek was gevormd, werd overgebracht naar de andere, om daar het herstelproces te bevorderen. De leerlingen maakten zelfs hun eigen organische compost door alle afval van school te verzamelen in cementen putten waar het door aardwormen werd verteerd.
Indrukwekkender dan de keringen waren de 'contourdijken': schuine stenen muren van ongeveer bijna twee meter hoog en een paar honderd meter lang - eveneens gebouwd door de leerlingen in samenwerking met de dorpsbewoners - die het overtollige water naar 'filtratietanks' leiden. Filtratietank was een woord dat - net als boeah nona - steeds op eerbiedige toon werd uitgesproken. Het was een vinding van Naidu, de landgoedbeheerder in Rishi Valley. Hij vertelde: 'We gebruiken de filtratietanks om de grondwaterspiegel te verhogen, niet voor irrigatie. Nu hoef je nog maar vijf of tien minuten te pompen om water uit de grond te krijgen, in plaats van de twintig minuten voordat we de tanks plaatsten. De grondwaterspiegel is gestegen van twaalf meter onder de grond tot maar drie meter op bepaalde plaatsen.' Naidu zei steeds weer: 'Er is te veel irrigatie in de ontwikkelingslanden,' met verzilting, uitloging en uitputting van het grondwater als gevolg. De groeiende bevolking, meende hij, zal steeds minder in staat zijn zich te voeden van de overbewerkte, overbemeste en overgeïrrigeerde grond.
Het probleem met de 'groene revolutie' in India - die tot een verveelvoudiging van de voedselproductie heeft geleid - is dat deze het Indiase milieu ernstig heeft uitgeput door overmatige irrigatie en overdadig gebruik van kunstmest. De boeah nona's, waterkeringen, contourdijken en filtratietanks zijn allemaal elementen die dat proces terugdraaien. Rishi Valley is onder Naidu's leiding één grote organische boerderij die een 'post-groene revolutie' revolutie tot stand brengt, door de opbrengst van de verkoop van de eigen producten opnieuw te investeren. De Indiërs in Rishi Valley hebben uit zichzelf een tweeduizend jaar oude techniek herontdekt om regenwater te kanaliseren teneinde een droog gebied groen te maken - een systeem dat het eerst werd toegepast door de Nabateeërs, die ten tijde van Jezus in het huidige Jordanië woonden en die de befaamde 'rozenrode' stad Petra bouwden. Naidu zei dat hij nog nooit van de Nabateeërs had gehoord. Hij zei: 'Een samenleving moet dingen zelf ontdekken, zelfs als buitenstaanders het al weten. Op die manier beklijft het door ervaring en gaat het deel uitmaken van het gedachtegoed.'
Als dit alles was, zou Rishi Valley weinig meer zijn dan een milieu-themapark voor rijkeluiskinderen. Maar er is meer.
Behalve de Engelstalige kostschool is er in Rishi Valley een dagschool voor honderd dorpskinderen waar les gegeven wordt in het Telugu, de lokale Dravidische taal. De dagschool is het middelpunt van een zich uitbreidend netwerk van 'satelliet'-scholen voor de omliggende dorpen. Ik bezocht een van die dorpsscholen en stond verbaasd. Het was een simpel schoolgebouw met één lokaal, van witgepleisterde lemen stenen met een dak van golfplaat, omgeven door een tuin met goudsbloemen en hibiscus. Binnen de school zag ik vier kringen van elk zo'n vijf kinderen op de vloer zitten, rustig aan het werk met instructiekaartjes en leitjes. Ik hoorde geen geschreeuw en zag geen verveelde of slaperige gezichten, alleen het zachte gefluister als de kinderen met elkaar overlegden, waarbij de leerkracht, die bijna overbodig leek, zelden ingreep. Boven de hoofden van de kinderen schommelden uit papier geknipte bloemen en vogels die aan het plafond hingen. Tegen één wand stonden kasten met handenarbeiddozen en keurige stapeltjes mappen van de kinderen. Aan een andere wand hingen kleurige tabellen met daarop de aantallen mensen, planten en dieren in het dorp, elk uitgesplitst naar verschillende categorieën. Op de lijsten zag ik dat dit dorp 271 inwoners had: 106 vrouwen, 97 mannen en 68 kinderen. Aan de derde wand waren verftekeningen van de kinderen opgehangen. Hoewel nog maar een jaar oud, was deze school al meer dan een hut - het was een 'thuis', waar al een geheel eigen sfeer was geschapen, zowel in de tuin als in de klas, die met zijn wandkaarten het vergaren van kennis en ervaring uitademde. Ik kon me geen klas voorstellen die zo rustig en bevorderlijk voor de motivatie was. Dat was vooral indrukwekkend gezien de armoedige achtergrond van de kinderen en het grote leeftijdsverschil binnen de klas, waar kinderen van verschillende leerjaren samenwerkten. Ik bracht een uur in de klas door met alleen maar kijken naar de kinderen. Van tijd tot tijd staarden ze een minuut of zo naar me - een onbekend, buitenlands gezicht dat hun nieuwsgierigheid opwekte. Geen enkel kind zat er sloom of verwezen bij. Ik lette er scherp op toen ik buiten het klaslokaal stond: geen enkel kind pestte een ander. Naar westerse maatstaven was de klas een anomalie - een klas vol kansarme kinderen, wier leeftijden uiteenliepen en die zich allemaal netjes gedroegen. Omdat discipline niet aan de orde was, laat staan een probleem, kon iedereen zich op het leren concentreren.
Die klas was geen uitzondering. Ik zou nog verschillende andere dorpsscholen in de streek bezoeken, op uiteenlopende tijdstippen van de dag. De sfeer was altijd dezelfde. Net zoals de dagschool op de Rishi- Valleycampus het middelpunt was van dit netwerk van satellietscholen, was iedere satellietschool het middelpunt van het dorp, waar 's avonds lessen werden gegeven in lezen en schrijven voor volwassenen, in landontginning, herbebossing, hygiëne, bijen houden en dergelijke en waar de leerlingen samen met hun ouders de schooltuin en de plantenkwekerij onderhielden en contourdijken en waterkeringen bouwden om de erosie tegen te gaan.
De oudste van deze satellietscholen bevindt zich in Egavaboyapalle, een door ontbossing getroffen dorp van 250 gezinnen, allemaal van een kaste die de reputatie heeft uit nietsnutten en struikrovers te bestaan. Sinds 1968, toen deze school werd geopend, is het alfabetisme in Egavaboyapalle gestegen van praktisch nul tot zeventig procent. Er komen nog maar zelden ziekten voor. De bewoners hebben rond hun strooien hutten tuinen aangelegd met bougainville en hibiscus. Ze hebben - onder meer - een gouden klok aan de school geschonken. De school is 's nachts nooit op slot. Het onderling vertrouwen tussen de dorpsbewoners neemt toe. Het aantal voortijdige schoolverlaters hier en in naburige dorpen is gedaald tot vrijwel nihil; 95 procent van de leerlingen slaagt voor het toelatingsexamen, zodat ze naar hogere opleidingen kunnen doorstromen.
Ik zat op de vloer van een klein kantoortje op de Rishi-Valleycampus, melkachtige thee drinkend met het jonge team - een getrouwd stel - dat verantwoordelijk is voor deze prestaties. Rama en Padmanabha Rao komen uit de stad Hyderabad, een paar uur rijden naar het noorden; ze zijn in Rishi Valley neergestreken om hun revolutionaire ideeën over onderwijs in praktijk te brengen. Zij vertelden me: 'Het officiële onderwijsprogramma wordt steeds abstracter. Schoolboeken met plaatjes van vliegtuigen en zelfs auto's sluiten niet aan bij de alledaagse ervaringen van deze kinderen. Schoolboeken zijn trouwens over de hele wereld vervelend, laten we eerlijk zijn. Alleen knappe kinderen uit stabiele gezinnen, die worden aangemoedigd door hun ouders, kunnen goed overweg met schoolboeken. Bovendien is het een absurd idee dat een kind uit een ontwricht en/of analfabetisch gezin, zonder de vereiste privacy en rust en zonder elektrisch licht, goed zijn huiswerk zou kunnen maken. Zulke kinderen huiswerk opgeven, is een gegarandeerde mislukking. En goede onderwijzers kun je wel vergeten. De meeste goede onderwijzers in India zullen alles in het werk stellen om te vermijden dat ze een baan krijgen in een arm district. Degenen die in arme districten terechtkomen, zitten eeuwig op hun horloge te kijken, om elke dag om twaalf uur de klas uit te rennen en de bus terug naar de stad te pakken. Meestal dragen lokale leerkrachten domweg hun onwetendheid en vooroordelen over op de leerlingen.'
De Rao's vonden daarom opnieuw uit wat een school is. Een school is niet per se een klaslokaal en een onderwijzer. Evenmin hoeft er sprake te zijn van een les door een groot mens aan dertig kleine mensen, waarbij onderwijzer en schoolboek doen alsof ze tovenaars zijn en alle anderen in rijen zitten te luisteren. Het begrip 'school' heeft niets te maken met rijtjes leren en dingen in het hoofd stampen. Orale culturen, beweerden de Roa's, doen dat al veel te veel. Alleen als kinderen wordt geleerd dingen in hun verband te zien en te analyseren, in plaats van ze domweg alles uit het hoofd te laten leren, kunnen ze in de hedendaagse wereld iets bereiken. Vetes tussen gemeenschappen en stammen, legden de Rao's uit, komen voort uit te veel valse oraal overgedragen kennis en te weinig eigen analyse.
Volgens de Rao's moet de ideale school in de ontwikkelingslanden goedkoop zijn en makkelijk verplaatsbaar en reproduceerbaar, en in staat om kinderen te leren denken. De school moet de leerlingen ook doordringen van het belang van gezinsplanning, van de zorg om het milieu en van tolerantie voor andere culturen. En dat alles 'past in een doos' - letterlijk. De 'school in een doos' van de Rao's heeft zich buiten de vijftien satellietscholen die worden beheerd door Rishi Valley uitgebreid tot tweehonderd andere scholen in heel het zuidoosten van India. De 'doos' bestaat uit vijfhonderd geïllustreerde instructiekaartjes: wiskunde, de Telugu-taal, kennis der natuur, gezondheid, en milieukunde - en een handboek voor de onderwijzer die vooral een 'stimulator' is, omdat de kinderen uiteindelijk zichzelf onderwijzen.
De kinderen spelen eerst met cirkels en halve cirkels van rubber, die ook in de doos zitten, en die qua vorm overeenkomen met de 45 letters van het Telugu-alfabet. Dan gaan ze over op rubber letters, die ze verdelen in acht categorieën, al naar gelang de moeilijkheidsgraad om ze te schrijven en uit te spreken. Daarna gebruiken de kinderen speelkaarten, waarbij op de goede letter een steentje wordt gelegd en deze letter vervolgens wordt uitgesproken door de onderwijzer. De volgende reeks kaarten bestaat uit sjablonen om de letters op papier na te tekenen. 'Het gaat erom,' legde mevrouw Rao uit, 'dat er wordt begonnen met het aanraken en voelen van de rubber letters, om ze pas in een later stadium te schrijven. Onthouden is dan niet echt nodig. Al doende en spelende, leer je iets beter dan wanneer je het moet onthouden.'
Er zijn ook kaarten met plaatjes, waarop het kind het woord voor het plaatje schrijft, en puzzelkaarten, repetitiekaarten, et cetera. De kinderen gaan pas naar de kaarten van een hoger niveau als ze klaar zijn met de vorige. 'De kinderen bepalen het zelf, ze moedigen elkaar in de groep aan,' zei Rao. Verhaalkaarten geven vereenvoudigde versies van klassieke Indiase vertellingen. Er zijn ook verhalen gebaseerd op Indiase vertellingen die etnische harmonie, seksuele gelijkheid en liefde voor het milieu stimuleren. De kinderen schrijven dan hun eigen verhalen, die ze naar huis meenemen en laten zien aan hun ouders, die dan moeten leren lezen om te weten wat hun kinderen hebben geschreven. Dat geeft de prikkel voor de alfabetiseringsprogramma's voor volwassenen. 'Om de ouders te leren lezen, gebruiken we alleen datgene wat hun eigen kinderen hebben geschreven,' legde Rao uit. 'Zo krijg je geen boer van middelbare leeftijd die zegt: wat heb ik nou aan lezen?'
Weer een ander stel kaarten wordt gebruikt om maten en gewichten te leren. 'Maar geen abstracte maten,' waarschuwt Rao, 'zoals honderd centimeter is één meter. We leren echte maten, zoals je neus is zoveel centimeter lang. En we leren de tijd met een zandloper waardoor ze leren hoe lang een uur of een half uur echt duurt. Tijdsbesef is iets van de stad. Dorpelingen leren dat nooit. Daarom is iedereen zo vaak te laat in India en in Afrika. Zo'n stedelijk tijdsbesef moet op jonge leeftijd worden aangeleerd, als een samenleving materiële welvaart wil voortbrengen.'
De ordentelijk ingerichte klaslokalen die ik zag waren geen toeval. 'De lokalen,' zei mevrouw Rao tegen me, 'moeten het verlengde zijn van het ideale "thuis": een functioneel huishouden is een ordelijk huishouden. De kinderen moeten zelf voor al hun activiteiten mappen aanleggen. De instructiekaarten doen beseffen dat je alles in categorieën en subcategorieën kan indelen. We laten de kinderen ook hun eigen dorp bestuderen. Ze maken statistieken van het aantal mannen, het aantal vrouwen, het aantal mensen dat kan lezen, het aantal dat dat niet kan, de lengte van de neus van de mensen .... Kortom, de kinderen leren voortdurend vergelijken. Zo ontwikkelen ze een vorm van objectief denken, door zelf de dingen te ontdekken, door onderzoek.'
Zoals de klas het verlengde is van het ideale huis, zo is de tuin het verlengde van het klaslokaal. Iedere satellietschool heeft een kwekerij voor bloemen, fruit en groente, waar de leerlingen en hun ouders verantwoordelijk voor zijn. Zoals de tuinbouw van Rishi Valley de kas van de campus spekt, zo brengen ook de kwekerijen geld in het laatje, waardoor iedere school vrijwel self-supporting is. Belangrijker nog dan de inkomsten - en de grafieken over de plantengroei die kinderen moeten bijhouden - is de ontwikkeling van een esthetisch besef. 'Het planten van bougainville in en om de scholen,' zei mevrouw Rao, 'leert de kinderen schoonheid te waarderen. Mensen die schoonheid waarderen zijn minder geneigd tot geweld.'


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)