www.odemagazine.com

Rob Soetenhorst | 11 november/december 1996 issue

Wetenschapper m/v

In 1962 gooide Jane Goodall een steen in de vijver van de wetenschap: uit eigen waarneming had ze vastgesteld dat chimpansees die in het wild leven, werktuigen maken en gebruiken. Tot dan toe was aangenomen dat alleen mensen dat konden en deden. Ze had geen wetenschappelijke opleiding en werd voor alles gedreven door nieuwsgierigheid. Vervolgens kwamen haar methodes onder vuur - het benoemen van individuele dieren, ervan uitgaan dat ze gevoel hadden en hun doen en laten beredeneerden en dat Goodall hun individuele levens volgde in plaats van het gedrag van de soort te categoriseren. Waar was haar wetenschappelijke objectiviteit? Hoe kon je een gedragsstudie zo personaliseren? Dat moest typisch vrouwelijk zijn. Het duurde jaren voordat het veld van de primatologie - het bestuderen in dit geval van mensapen - haar erkende en vervolgens haar methode inlijfde.

Earthwatch (october/ november 1995) neemt de maat van de rol van vrouwen in de wetenschap en stelt vast dat hun rol daar vragen opwerpt over de aard van wetenschap en over de verschillen tussen man en vrouw. De betekenis van intuïtie heeft aan invloed gewonnen in de wetenschap en dat is volgens deskundigen zeker aan de toenemende rol van vrouwen te danken. Diezelfde deskundigen vinden dat de beste resultaten - bijvoorbeeld in de zoölogie - worden bereikt waar mannen en vrouwen in een heldere dialoog samenwerken. Anderen zeggen dat vrouwen van mannen verschillen door de vragen die ze stellen en vervolgens door de conclusies die ze bereiken. Zo zouden vrouwen zich eerder concentreren op de rol van vrouwtjes bij de voortplanting van mensapen terwijl mannen meer geneigd zouden zijn zich bezig te houden met de hiërarchie in een kudde en hartziektes bij de leidende mannetjes. In de verschillende genderstudies - vooral door vrouwen beoefend - wordt vaak een pleidooi gevoerd voor subjectief engagement. De feministische filosoof Evelyn Fox Keller vindt dat de wetenschap er van moet uitgaan dat mannelijke en vrouwelijke beoefenaren verschillend zijn in plaats van te stellen dat vrouw en man gelijk zijn in de wetenschap. Nee, ze moeten elkaar aanvullen. Genetica Anne Moir meent dat foetussen worden geboren met vrouwelijke hersens met een heel brede band. De verschillen tussen jongens en meisjes treden op als een baby zes of zeven weken is door hormonale invloeden. Uiteindelijk hebben mannen over het algemeen een grotere capaciteit om objecten voor zichzelf af te beelden en te manipuleren. Zodoende overtreffen ze vrouwen in wiskunde in een verhouding 13 : 1. Sterk omstreden is Moirs theorie dat hun hersens mannen in staat stelt om ideeën gestalte te geven terwijl vrouwelijke hersens vooral gevoelig te zijn voor zintuigelijke prikkels. Hoewel vrouwen gevoeliger zijn voor pijn verdragen ze langdurig ongemak beter dan mannen volgens Moir. Maar biologe Anne Fausto-Sterling heeft uitputtend uitgezocht dat de verschillen tussen mannen vn vrouwen zo gering zijn dat intersexuele variaties die te niet doen.

In ieder geval: in het veld van de primatologie staan vrouwen hun mannetje. Ze hebben vaak veel meer geduld voor het vuile veldwerk, dat voornamelijk uit afwachten en observeren bestaat. Mannen hebben dan de neiging om te zeggen: dit is geen doen, ik stop. Vrouwen gaan af op hun eerste gevoel en houden langer vast aan hun dromen. Maar gewaarschuwd wordt om daar al te vergaande conclusies aan te verbinden. Gevoel van verbonden zijn met een onderwerp is niet meer dan een begin. Op het moment vormen vrouwen meer dan de helft van de Amerikaanse Primatologie Societeit: opvallend is hun fascinatie met de interacties van de groepen de ze bestuderen. Als het onderlinge verhoudingen in samenlevingsgroepen van dieren gaat, zijn vrouwen betere onderzoekers omdat ze meer gevoel hebben voor het opbouwen van consensus dan mannen. Een conclusie zou kunnen luiden dat in een steeds ingewikkelder wordende wereld - en dat geldt natuurlijk ook voor de wetenschap - hernieuwd respect voor verscheidenheid, complexiteit en individualiteit van groot belang is. En vrouwen zijn daar goed in, stelt Earthwatch vast.

Ook The Economist ( 22 juni 1996) staat stil bij het onderwerp vrouwen in wetenschap en technologie. Dat vrouwen achterblijven in de wetenschap heeft er om te beginnen mee te maken dat ouders twijfelen aan de wetenschappelijke capaciteiten van hun dochters. Zij zien hun dochters graag 'gelukkig' en hopen op 'succes' voor hun zonen. Als vrouwen eenmaal in de wetenschap belanden, publiceren ze vaak minder dan mannen. Daar staat tegenover dat ze vaker worden geciteerd en dus kwalitatief interessanter zijn. Vrouwen lijden dus niet aan het syndroom van 'publiceer of ga ten onder'. JRS


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)