|
Ik maak elk jaar in m'n eentje een trektocht te voet. Dit keer had ik dit jaar besloten om het wat rustiger aan te pakken dan anders. Omdat ik niet was ingesteld op grote hoogten, had ik een paardenverzorger ingehuurd voor de klim de bergen in, het zwaarste stuk van de tocht. We reden samen te paard naar boven, daarna nam hij de twee dieren mee terug, en liet mij achter voor een solitaire voettocht terug naar de bewoonde wereld. Maar omdat ik niet gewend was aan paardrijden, had ik een spier in mijn liesstreek verrekt. En de daarop volgende dagen genas die niet, maar werd het steeds erger, wat het lopen steeds pijnlijker maakte. Uiteindelijk drong het tot me door dat ik was verdwaald. Ik wist dat blijven waar je bent de beste strategie was, maar ik stond onder tijdsdruk - ik dreigde te laat te komen voor een vergadering in Santa Fe. En wat nog belangrijker was, dit was mijn eerste langere tocht waarbij ik mijn dochter van vier alleen had gelaten en ik had haar beloofd dat ik zaterdagavond zou bellen - en dat was twee dagen geleden. Na een tijdje wanhopig en verward te hebben rondgezworven, stuitte ik op een pad, zocht het na op mijn schetsmatige kaart, en kwam tot de slotsom dat het leidde naar een publiek kampeerterrein. Ik besloot het risico te nemen om mijn tent en een flink deel van mijn materiaal achter te laten - de blessure in mijn lies voelde alsof het op een breuk kon uitlopen, wat me dwong tot een lichte bepakking -, en ik waagde het erop. Drie uur later kwam ik bij een ondiepe rivier, waarvan de stenen maar net onder het water lagen. Onweerswolken kwamen opzetten. Ik schatte dat de kampeerplaats een paar kilometer stroomafwaarts lag, en ik moest die zien te bereiken, anders stond mij een nat pak en een scherpe daling in temperatuur te wachten. Rotspunten en grote brokken steen dwongen me om telkens de rivier weer over te steken, die steeds dieper werd en sneller ging stromen. Midden tijdens een oversteek stapte ik in een diep gat, zakte tot mijn middel in het water, en viel. Het snelstromende water sleurde me met de rivier mee. In paniek slaagde ik erin om overeind te komen en op het droge te klauteren. Het beetje spullen dat ik nog in mijn rugzak had zitten, was nu doorweekt en onbruikbaar geworden. Ik gooide de rugzak weg, nog steeds in de overtuiging dat de kampeerplaats vlakbij was. Maar al gauw was ik te uitgeput om nog verder te gaan. Ik besefte dat ik me ernstig had verkeken. De kampeerplaats - en mijn redding - lagen nog kilometers van me verwijderd. Ik wist dat er geen alternatief was - ik moest het stellen zonder eten, onderdak en droge kleren tot ik werd gevonden. Ik hurkte onder een overhangende rotspunt, drukte mezelf stevig tegen de steenwand, vastbesloten om niet nog natter te worden in de onweersbui die eraan kwam. Ik schreef een afscheidsbrief aan mijn vrouw op de achterkant van een foto ter grootte van een portefeuille. Mijn handen beefden behoorlijk maar ik wist er nog een hoop woorden op kwijt te raken. Toen de donderbui losbarstte, was die niet mals. Het water stroomde langs de rotsen en vond een spleet tussen de rotspunt en de steenwand waardoor het in mijn nek spetterde. Voor mijn voeten vormden zich hoopjes hagel, tot ik wegzakte in de modder. Ik besloot toen een praatje te maken met God. 'Luister,' zei ik tegen God. 'Ik weet dat geen recht heb om waar dan ook om te vragen. Ik ga hier niet hypocriet over doen - ik ga niet eens beweren dat ik in u geloof. Als u erop staat dat ik eerlijk ben, dan wed ik momenteel op alle paarden tegelijk. Maar toch vraag ik het maar even: zorg dat die regen ophoudt. Alstublieft.' Toen dat niet hielp, ging ik een stap verder, en deed hem een voorstel: als hij zorgde dat de regen ophield, zou ik tegen iedereen zeggen dat ik in hem geloofde. Maar dat hielp ook niet. 'Goed dan,' zei ik tenslotte, 'ik snap wel hoe het zit. Ik doe hier geen voorstellen - die doet u. U wilt een daad van geloof. Dan zal ik iedereen vertellen dat ik in u geloof, zelfs als het niet ophoudt met regenen. Dat beloof ik.' Toen de regen eindelijk ophield - te laat om dit aan mijn gebed toe te schrijven - dacht ik niet langer aan God maar concentreerde me bijna geheel op drie zeer aardse doelen: niet uitdrogen, verdere blessures vermijden, en 's nachts warm zien te blijven. Deze drie noodzakelijkheden namen mijn tijd en gedachten vrijwel helemaal in beslag. De volgende twee dagen bracht ik door met het vergaren en bewaren van een grote stapel dennetakken waar ik 's nachts onder kon liggen, met drinken uit de rivier, met klimmen naar de top van de berg zodat reddingsvliegtuigen me konden opmerken en daarna weer moeizaam afdalen naar de rivier. Maar ik werd snel zwakker. De eerste tocht op en neer duurde een uur of twee. De dag daarop kostte het me twee keer zo lang.
Uitputting, voedselgebrek en kou kregen me in hun greep. Ik begon onsamenhangend te denken en kreeg korte hallucinaties. Ik dronk uit de rivier en voelde tegelijkertijd dat ik hoog op de oever zat en mezelf zag drinken. Ik hoorde auto's toeteren - net zo'n wrede zinsbegoocheling als de luchtspiegeling van een oase middenin de woestijn. Mijn geest begon te zwalken. Ik klom omlaag langs de rotsen naar een cactus die ik wou opeten, en probeerde me te concentreren - alleen al een verstuikte enkel zou mijn kansen op overleving ernstig verstoren - maar ik verloor mezelf in het staren naar een arend die langs de hemel zeilde en klom hersenloos langs de cactus. Daarna raakte ik gedesoriënteerd. Ik vergat waar ik mijn flanellen overhemd had gelaten - ik had het te drogen gehangen en kon het niet meer terugvinden. Vervolgens kon ik mijn geheime voorraad droge dennetakken voor de nacht niet meer localiseren en terwijl ik wanhopig liep te zoeken, kwam ik laat in de middag in alweer een hagelstorm terecht. Ineens was het donker, de temperatuur zakte snel en ik ging op mijn hurken bij een denneboom zitten in mijn natte t-shirt en gescheurde spijkerbroek terwijl ik in mijn handen wreef en me voorbereidde op mijn dood.
Toen dacht ik aan mijn dochtertje van vier. Ik had in de laatste paar dagen al een paar keer aan haar gedacht, maar deze keer ging het anders - ik voelde haar, diep in mijn borst. Voor mijn geestesoog maakte ze mee dat ik wegging voor een korte vakantie en dan nooit meer terugkwam - verdween zonder afscheid, voor altijd, zonder enig houvast voor haar achter te laten. Op dat moment had ik mijn ziel willen offeren - ik dacht dat ik mijn leven al verspeeld had - om één minuut voor haar te kunnen verschijnen, slechts om te kunnen zeggen dat ik weliswaar doodging maar dat ze toch af en toe haar ogen zou kunnen dichtdoen om mij te zien. Ik wist in absolute zuiverheid dat dit niet voortkwam uit de wens om te worden herinnerd. Ik wilde haar geruststellen, haar een soort zekerheid meegeven waarmee ze de rest van haar kindertijd zou kunnen doorkomen. Ik begreep binnen de afschuwelijke afgrond die zich in mijn borst vormde, dat ze de wereld niet langer als veilig zou zien. Haar onbewuste verwachtingspatroon zou altijd op verlies zijn gericht, wat haar relaties en zelfvertrouwen zou ondermijnen. Ik bedacht hoe ze zou terugdeinzen, elke keer als ze hoop of liefde voelde opgloeien. Het gezicht van mijn dochter zweefde in de ijle berglucht - als een hologram - en ik zag hoe de uitdrukking erop vervloeide van onschuld naar angst. Gezeten onder de denneboom, nog steeds handenwringend, kneep ik mijn ogen dicht. Mijn handen gaven als eerste de ommekeer bij mij van binnen te kennen. Plotseling merkte ik dat ik ze niet langer wrong. Ik wreef ze warm en toen begon ik dat energiek te doen. 'Ik ga niet dood,' zei ik hardop. 'Ik ga niet dood.'
Ik pakte mijn mes en ging een greppel graven terwijl ik maar 'ik ga niet dood' bleef mompelen tot de betekenis van de woorden vervaagden tot een ritmische klank. Ik werkte kalm, verbeten, volkomen geconcentreerd door. Ik legde elke flinke steen die ik uitgroef net voorbij de groeiende hoop aarde neer. Als de greppel klaar was en ik mezelf erin borg, kon ik ze met mijn vrije hand pakken en een windkering om me heen bouwen. Eindelijk was mijn greppel gegraven - iets meer dan anderhalve meter lang, ongeveer dertig centimeter breed en bijna zestig centimeter diep. Ik liet mezelf erin zakken, boog mijn benen zodat het paste, en - jazeker - de gedachte kwam bij me op dat het achteraf mijn graf kon blijken te zijn. Ik legde de aarde bovenop me en drukte die stevig aan waardoor alles vanaf de bovenrand van mijn borst bedekt was, op een arm na. Toen ik mijn stenen windkering had gestapeld, duwde ik mijn hand en onderarm in de laatste hoop losse aarde en wachtte af of deze me warm genoeg zou houden als mijn lichaam afgekoeld was na alle inspanning. Dat gebeurde niet. Ik begon te bibberen, het eerste stadium van onderkoeling. Bibberen is een poging van het lichaam om warmte op te wekken, maar het verbruikt ook kostbare energie, en dus koel je erdoor af. Ik wist dat ik er greep op moest krijgen, anders ging ik dood. Toen dacht ik aan de yoga die ik twintig jaar geleden had beoefend. Ik ging diep ademhalen en 'ommmmm' chanten. Al gauw werd het bibberen minder en toen hield het op. Ik ging door met diep ademhalen en reciteren en na een tijdje nam dit een eigen ritme aan, totdat stoppen meer moeite had gekost dan doorgaan.
Ik heb altijd hetzelfde probleem gehad als ik trektochten maakte. Als 's nachts de sterren te voorschijn komen, is het inmiddels te koud om achterover te gaan liggen en ze op je gemak te bekijken. Het is niet overdreven om te zeggen dat ik elke nacht die ik ooit in een tent doorbracht in de bergen, diep weggedoken in mijn warme slaapzak, mezelf heb verweten dat ik niet naar buiten ging om te doen wat ik veertig jaar geleden als kind wel deed: op je rug naar de weidse nachthemel staren tot een prettige duizeling je beving. Maar toen ik had besloten om in leven te blijven - die midzomernacht in de Pecos Wilderness van New Mexico - ingepakt in de aarde, toen ik de nachtelijke lucht inademde en reciteerde naar de sterren, kwam ik zo dicht bij het paradijs als ik ooit zal komen. Hoog in de nachthemel bromde en knipperde een reddingsvliegtuig, als een blinde engel. Hij zou me niet kunnen zien, maar op dat moment gaf dat niet: het vliegtuig was, net als mijn gezang, een onderdeel van het grootse panorama.
Ze vonden me de volgende middag, door een buitengewoon gelukkig toeval. Ik was naar de rivier gewankeld, precies op het moment dat een reddingsploeg langs de andere oever liep. We konden elkaar niet zien maar ze riepen mijn naam en ik was dichtbij genoeg om het boven het geraas van de rivier uit te kunnen horen. Ik wist dat het geen hallucinatie was en dat ik slechts de tijd en de kracht had voor één flinke schreeuw. Dat je leven kan afhangen van één diepe ademhaling is een uitzonderlijke ervaring. Toen brulde ik 'hier!', en een ogenblik later waadden vier mensen door het water, staken een rooksein af, en schreeuwden in hun zendertjes. Het had veel van een genadige overval. Ik kwam overeind en viel in iemands armen. 'O jongen,' zei ik, absoluut niet welsprekend. Toen merkte ik dat we allebei huilden.
Ik had beloofd dat ik iedereen zou vertellen dat ik in God geloof maar het lukt me niet zo. Al geloof ik dat iets groters dan mijzelf me heeft gered, ik kies ervoor om het liefde te noemen. Net als God heeft de liefde miljoenen bewonderaars, aanbidders, gelovigen, sceptici en fanaten. En vaak genoeg wordt de liefde - net als het fenomeen God - misbruikt, verkeerd weergegeven, als wapen of als excuus ingezet, en vereerd vanuit bijgeloof. Door meerdere mensen is me verteld dat God liefde is maar de personificatie van de liefde lijkt me onzinnig. Als mocht blijken dat er zoiets is als een God, vermoed ik dat de liefde die ik toen heb gevoeld me voldoende oplevert om door de ultieme selectie heen te komen. We raken maar een paar maal in ons leven aan het heilige en nu ik deze liefde heb ervaren, kijk ik anders tegen mijn leven aan. Ik denk dat ik me de rest van mijn leven die uren in de wildernis zal blijven herinneren, ze zal koesteren en die ervaring opnieuw zal zoeken.
|