|
Dit jaar liet de Leidse hoogleraar Herman Philipse (45) een steen ontploffen in de kring van zijn vakbroeders en theologen door te laten verschijnen een Atheïstisch Manifest, opstellen over godsdienst en moraal. Daarin afficheerde hij zich als atheïst en schreef: 'In de loop van de moderne geschiedenis hebben theologen het godsbegrip en de theologie steeds abstracter gemaakt ten einde botsingen met de wetenschap te vermijden. Het godsbegrip voldoet niet aan de vereiste van de onweerlegbaarheid en aan die vereiste kan alleen worden voldaan door het godsbegrip van elke inhoud te beroven'. In Filosofie Magazine (maart 1996) ging Philipse in debat met de theoloog Kuitert en de calvinistische filosoof Plantinga. Aan zijn adres schreef hij: 'de christelijke God die zegt dat Hij de enige is, blijkt een onuitstaanbare autist.' Om te eindigen met: 'het is onwaar dat de argumenten voor het bestaan van God even sterk zijn als de argumenten tegen. Deze vaak verkondigde visie bewijst dat men onvoldoende diep over de problematiek heeft nagedacht. De atheïst is niet arrogant; hij denkt gewoon beter na.' Philipse ziet zingeving als levensdoel los van religie en geloof. 'Theologen proberen nog steeds te zeggen dat zingeving niet los te denken valt van geloof. Maar niemand gelooft toch meer in de christelijke dogma's die de Paus verkondigt. Je ervaart als mens en atheïst de zin van je leven in bepaalde aspecten van dat leven, bijvoorbeeld in een liefdesrelatie. Als je christelijke doctrinaire uitspraken bekijkt, moet je je afvragen wat voor zin het leven in het licht van die doctrines heeft. Wat moet je met een almachtige levensschepper die zou laten gebeuren wat er gebeurt: daar moet je toch wel intellectuele vraagtekens bij zetten. Religieuze denkers beweren nog altijd dat er een waterdicht schot zit tussen wetenschap en zingeving Ik toon in mijn Manifest aan dat geloven per definitie tot een dilemma leidt : het spreken over God gaat ofwel altijd de rede te boven, ofwel het is vatbaar voor redelijke discussie. Er kan wel redelijk worden gepraat over een God-met-inhoud maar de argumenten tegen zijn altijd sterker dan voor.'
Hoe kan een cultuur bestaande waarden en normen aan kinderen overdragen zonder religie, zonder geloof?
'Dan moet je eerst de vraag stellen hoe die cultuur die waarden en normen in het verleden heeft kunnen overdragen, via welke mechanismen. Het antwoord moet worden gezocht in het autoritaire van de samenleving en we moeten vaststellen dat we zo'n autoritaire samenleving niet meer kennen. Zo'n vraag gesteld vanuit theologische hoek behelst een totale miskenning van wat er ondertussen is veranderd en dat we geen remplacanten hebben voor die mechanismen. Net als in de achttiende eeuwse Verlichting is er de noodzaak van een levensbeschouwelijke bezinning op kwesties van moraal en geloof en waarop dat alles is gebaseerd.' Philipse noemt zich nadrukkelijk atheïst, geen agnost. Volgens hem geldt ook voor de agnost dat hij geen keuzes wil maken en dus niet voldoende nadenkt. Het agnosticisme wijst Philipse van de hand als irrelevant. 'Je kunt proberen je waardig te gedragen in het leven. Je existentieel te engageren met wat ik maar noem een nuchtere passie. De agnost verwijt ik dat hij dat niet doet.'
Er zijn wetenschapsfilosofen zoals Peter Russell die stellen dat de wetenschap zich wel degelijk gedwongen ziet om God binnen te laten. Dan gaat het om de God die het wezen vormt van ons zelf. Wat vindt U daarvan?
Philipse: 'Dat is een kwestie van definities, in dit geval wordt het begrip God eigenlijk niet geïdentificeerd. Fysici zien tegenwoordig soms over het hoofd dat hun wetenschap vatbaar moet zijn voor empirische toetsing. Er zullen altijd verschijnselen zijn die je niet kunt verklaren, of nog niet. Om dan naar God te verwijzen, daarmee schieten we niets op.'
|