|
Een Belgisch onderzoek onder jongeren tussen tien en dertien laat zien dat de spellen inderdaad een belangrijk element vormen in de leefwereld van kinderen: zeven van de tien ondervraagden zeiden de beschikking te hebben over een spelcomputer en 95 procent had weleens een videospelletje gespeeld. Verbazingwekkend was het gegeven dat de meeste kinderen deze spelletjes meestal samen met anderen spelen, en dat ze dit niet doen in plaats van andere activiteiten, zoals sporten. In tegendeel: naarmate meer tijd wordt besteed aan videospellen, besteedt men ook meer tijd aan sport. Ook van verslaving was geen sprake. Verreweg de meesten hielden het na een uurtje achter de computer wel weer voor gezien.
Daarmee is natuurlijk nog niets gezegd over de psychologische gevolgen van dat uurtje per dag samen tegenstanders vermoorden, onthoofden en verbranden. Het aantonen van een dergelijk verband is echter een gecompliceerde zaak, waar de experts nog weinig over durven te zeggen. Een boek dat enig inzicht geeft in de gevolgen van het spelen van videospellen is The Second Shelf van de Amerikaan Sherry Turkle. Voor Turkle verschilt het spelen van videospellen wezenlijk van het spelen van bijvoorbeeld vadertje en moedertje. Dat laatste ziet hij als een sociale gebeurtenis die elke logica ontkent. Het doorgronden van regels speelt hierbij geen rol, wel wordt het vermogen om elkaar te stimuleren en samen te werken aangesproken. Het spelen met computerspellen heeft volgens hem wel degelijk een pedagogische functie: de voorbereiding op het functioneren in een maatschappij waarin computers alom tegenwoordig zijn.
Roel de Groot – orthopedagoog aan de Rijksuniversiteit Groningen en secretaris van de Nationale Speelraad – tenslotte maakt zich wel zorgen over het geweld in de spelletjes. Maar dat is volgens hem geen reden om het slecht speelgoed te vinden. ‘Men wil computerspellen graag als onpedagogisch wegwerpen. Dat is heel dom, want hele generaties groeien ermee op. Die gewelddadige spellen zijn absoluut niet representatief voor het fenomeen van computerspeelgoed in het algemeen. Overal heb je excessen. De andere bezwaren zijn vooroordelen van volwassenen die computeranalfabeten zijn. Ze associëren computerspellen met televisie kijken, maar dat zijn twee totaal verschillende dingen. Kinderen hangen vaak uren apathisch voor de televisie terwijl een computerspel gedurende een korte periode intensief wordt gespeeld. In die korte periode gebeurt er enorm veel op voorstellingsniveau. En als kinderen met hun fantasie een totaal eigen wereld willen creeren, dan spelen ze wel een ander spel.’ Uiteindelijk zijn het altijd de kinderen zelf die bepalen waarmee ze spelen, het is dan ook onzin ze de mogelijkheid van het spelen met een videospel te onthouden.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van Jonas, 17 maart 1995.
|