www.odemagazine.com

Lester Brown | 1 maart/april 1995 issue

Wie geeft China straks te eten?

Steeds sterker wordt de druk op China’s beperkte landbouwgrond. Explosief toenemende welvaart vraagt om meer en meer voedsel, maar de boerenstand kan aan die vraag steeds minder voldoen. In de eerste twee maanden van vorig jaar stegen de graanprijzen in de 35 voornaamste steden van China met ruim veertig procent. Paniekerig hamsteren dreef de prijzen nog verder op. Om deze op hol geslagen prijsstijging in bedwang te houden, gaf de regering 2,5 miljoen ton graan uit voorraad vrij. Dit kalmeerde de voedselmarkt – tenminste tijdelijk. Het zou een voorbode kunnen zijn van wat er zal gebeuren als eerder nauwelijks voorziene ontwikkelingen samenvallen. De bevolking van China groeit met veertien miljoen mensen per jaar. De inkomens stijgen in een recordtempo, met als gevolg dat bij het toenemen van het aantal mensen ook de consumptie van, en de vraag naar, vlees verder stijgt. Intussen kan het land alleen maar minder voedsel produceren omdat landbouwgrond op grote schaal andere bestemmingen krijgt.

De door welvaart toenemende vraag naar graan en het verlies van landbouwgrond sinds de jaren vijftig aan de industrie hebben er in het naburige Japan toe geleid, dat het land in 1993 voor meer dan driekwart van zijn graanconsumptie van import afhankelijk was. Dezelfde krachten treden nu in China op. Een volk van 120 miljoen kan zich nog tot de wereldmarkt wenden voor het grootste gedeelte van zijn graan, maar als een bevolking die tien maal zo groot is dat ook wil, zou het snel beslag kunnen leggen op de totale exportcapaciteit van de Verenigde Staten en de andere landen, met als gevolg dat overal de voedselprijzen zullen stijgen.

Op een gegeven moment zal China niet meer in staat zijn zich zelf te voeden. De neergang komt na veertig jaar indrukwekkende vooruitgang, vooral na de landbouwhervormingen van 1978, waarbij land van cooperaties overging naar families. De energie die vrijkwam bij deze hervormingen, deed de graanproduktie met de helft stijgen, van 200 miljoen ton in 1977 tot meer dan 300 miljoen ton in l984. China stond op dat moment als de grootste graanproducent boven de Verenigde Staten. Door de jaarlijkse opbrengst aan graan steeg het bestaansniveau van 200 kilo per persoon naar bijna 300 kilo. Hoewel de opbrengst sinds het midden van de jaren tachtig niet meer zo snel toenam, was die stijging voldoende om de traditionele dreiging van hongersnood uit te schakelen. Waar Beijing nu voor staat is niet zozeer honger lijden, maar het vooruitzicht van een kloof tussen de vraag naar voedsel en de produktie daarvan – een kloof waarbij alles in de wereld in het niets valt.

Dit mogelijk graantekort doet een van de moeilijkste vragen opkomen, die de wereldleiders ooit hebben moeten oplossen: wie zal China voeden? Het enige land dat niet een bevolking van miljoenen, maar van miljarden heeft, beweegt zich op voedselgebied op onontdekt terrein en zal in een geïntegreerde wereldeconomie op een of andere manier de rest van de wereld meesleuren. Terwijl China steeds minder voedsel kan produceren neemt de vraag toe. Het land zal in de veertig jaar tussen l990 en 2030 met 490 miljoen mensen groeien tot een bevolking van 1,6 miljard. Omdat de bevolking zo groot is, betekent zelfs een langzame groei enorme aantallen mensen. Deze aantallen zijn echter nog maar het begin van het verhaal. Ondanks de bevolkingsgroei stijgen de inkomens in ongekend tempo. In 1992 en 1993 groeide de economie met dertien procent, in l994 naar verwachting met tien procent. In drie jaar is de Chinese economie met een fenomenale veertig procent uitgebreid. Nooit eerder zijn de inkomens van zoveel mensen zo snel gestegen. Een van de eerste dingen die mensen doen bij een hoger inkomen is hun voedselpatroon variëren. Zij schakelen over van hun eentonige menu waarbij koolhydraten – zoals rijst – zeventig procent of meer van de calorieën leveren, op meer vlees, melk en eieren. Een groot gedeelte van China is woestijn en kent geen grazige weiden, zoals bijvoorbeeld de Verenigde Staten. De groeiende vraag naar vlees betekent dus een groeiende vraag naar meer graan. Bij het begin van de economische hervormingen in l978 werd slechts zeven procent van het graan als veevoer gebruikt, maar in l990 was dit al twintig procent en dan voornamelijk voor varkens. Nu stijgt de vraag naar rundvlees en kip ook. Meer vlees betekent meer graan – twee kilo graan meer voor elk kilo kip, vier kilo voor varkensvlees, zeven kilo voor rundvlees. Naarmate de Chinezen rijker worden, zullen zij meer vlees, melk en eieren consumeren. Maar als de graanvoorziening daarmee geen gelijke tred houdt, zullen de voedselprijzen stijgen.

Vergelijk het met de Verenigde Staten, waar het gebruik van graanprodukten als veevoer een historisch hoogtepunt heeft bereikt. In de Verenigde Staten wordt veel rood vlees gegeten. De cowboy is de grote held, met een biefstuk of hamburger als klassieke maaltijd. De Chinezen hebben echter een voorliefde voor varkensvlees. Met 21 kilo per persoon in l990 komen zij heel dicht bij de 28 kilo varkensvlees die de Amerikanen per jaar consumeren. De Chinese consumptie van rundvlees, kip en melk is nog miniem vergeleken met de Amerikaanse. Wat gebeurt er als de produktie hiervan ook wordt opgevoerd? In feite gebeurt dit al. Kip was eens een grote luxe in China, maar de vraag stijgt, al is de Chinese consumptie nog maar een tiende van de Amerikaanse. De regering moedigt het fokken van kippen aan, omdat deze efficiënter dan varkens of rundvee graan in vlees omzetten.

Hetzelfde geldt voor eieren. De bedoeling is om in het jaar 2000 de consumptie van eieren op 200 per persoon per jaar te krijgen – twee maal de hoeveelheid van l990 en dicht bij de 235 van Amerika. Bij een bevolking van 1,3 miljard betekent dat jaarlijks 260 miljard eieren. Als Chinese kippen 200 eieren per jaar leggen – Amerikaanse kippen legden er vorig jaar gemiddeld 252 – heeft China dus 1,3 miljard kippen nodig. Hiervoor is echter 24 miljoen ton graan nodig. Dat is de gehele graanexport van Canada. China’s groeiende vraag naar dierlijke eiwitten kan dus de graanproduktie van de gehele wereld in beslag nemen, tenzij alternatieven worden gevonden. In verband met de beperkingen van het land heeft Japan destijds zijn toevlucht genomen tot de oceaan voor dierlijke eiwitten met als gevolg het traditionele dieet van vis en rijst. De Chinese vraag naar vis neemt ook toe, maar met één groot verschil. Doordat vele andere landen zich met Japan op de visvangst hebben gestort, heeft het viswater in de oceaan zijn biologische grens bereikt. Volgens de Wereld Voedselorganisatie (FAO) wordt reeds op alle zeventien voornaamste visplaatsen ter wereld gevist. In negen daarvan loopt de visstand terug. Als China meer vis wil, moet dat dus in vijvers worden gekweekt. Dit gebeurt al. Zo’n zes miljoen ton per jaar – voornamelijk karper. Maar ook hiervoor is graan nodig: in 1993 twaalf miljoen ton.

Men zou veronderstellen, dat het uitgestrekte grondgebied van China een oplossing zou kunnen bieden voor de toenemende vraag naar graan. Maar een groot gedeelte van dat land is droog en onvruchtbaar. De landbouwgrond is geconcentreerd in een betrekkelijk klein gebied – het gebied van de rivieren langs de zuid- en oostkust, ongeveer eenderde van heel China. Hier woont ook het merendeel van de bevolking. De toenemende bevolking en industrie wedijveren met elkaar om grond: voor fabrieken, huizen, straten, snelwegen en gewassen. In plaats van uitbreiding van het landbouwareaal is er daarom sprake van inkrimping. De ervaring van Japan, voor de industrialisatie ook al dichtbevolkt, geeft een idee van wat er komt. In Japan heeft ruim de helft van het oorspronkelijke akkerland de laatste decennia een andere bestemming gekregen. Bijvoorbeeld ook voor de produktie van groente en fruit, waarnaar een welgestelde bevolking meer vraagt. De graanproduktie in Japan ging met eenderde achteruit. Door bevolkingsgroei en welvaart nam de vraag naar graan toe, zodat Japan in 1993 ruim driekwart van zijn graan invoerde.

Dezelfde veranderingen doen zich nu ook in China voor en met dezelfde achtergronden. De overgang van een landbouwmaatschappij naar een industriële maatschappij gaat met een griezelige snelheid. Als honderd miljoen landarbeiders naar de industrie gaan en er gemiddeld honderd arbeiders in een fabriek werken, moeten er een miljoen fabrieken, opslagplaatsen en toegangswegen worden gebouwd. Modernisering van de Chinese economie betekent dus dat landbouwgrond moet worden opgeofferd, net als in Japan. Voor de auto- en spoorwegen moet ook landbouwgrond verdwijnen. Een toenemend gebruik van auto’s en vrachtauto’s – in 1992 werden er 1,2 miljoen verkocht en aan het eind van deze eeuw naar verwachting drie miljoen – zal enorme hoeveelheden landbouwgrond in wegen en parkeerplaatsen doen veranderen. Nieuwe huizen – rui-mer dan voorheen – zullen langs deze wegen verrijzen en nog meer land opeisen. In elk van de drie afgelopen jaren is bijna een miljoen hectare verdwenen, ofwel een procent van de landbouwgrond per jaar.

Naast het verdwijnen van de landbouwgrond wordt water bestemd voor irrigatie voor andere doeleinden gebruikt – een groot probleem in een land, waar de helft van de landbouwgrond wordt geirrigeerd. Tussen 1950 en 1978 steeg het geïrrigeerde gebied van twaalf miljoen naar 45 miljoen hectare, of met bijna 1,2 hectare per jaar. Maar sindsdien is met het schaarser worden van het water het gebied slechts met 190.000 hectare per jaar uitgebreid, niet half genoeg om tegemoet te kunnen komen aan de snel stijgende vraag. In het begin werd irrigatiewater voornamelijk verkregen door stuwdammen te bouwen, een paar grote en vele kleine. In een later stadium is men overgegaan op grondwater. Door miljoenen putten te boren is het grondwaterpeil sterk gezakt. Grote gebieden in Noord-China hebben nu een watertekort en aan de bestaande vraag wordt voldaan door waterreservoirs uit te putten – de toenemende schaarste remt de voedselproduktie af. Eind l993 zei de Chinese minister van Waterwingebieden Niu Mao Sheng, dat 82 miljoen mensen op het platteland moeilijk water kunnen krijgen. In de steden is het tekort nog erger. Meer dan 300 Chinese steden hebben niet genoeg water en in honderd daarvan is de toestand nijpend. Zelfs de hoofdstad wordt bedreigd. De watervoorraad onder Beijing is gezakt van vijf meter onder de oppervlakte naar vijftig meter in 1993. Omdat het voor landbouw beschikbare gebied schrikbarend krimpt, moet China de produktiviteit van de landbouwgrond verhogen om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien. De rijstopbrengst is in China gestegen naar ongeveer vier ton per hectare – een hogere opbrengst lijkt niet mogelijk. Geen enkel ander land – ook Japan niet – is er in geslaagd een opbrengst boven vijf ton per hectare te realiseren. Korea en Taiwan zijn ook niet veel verder dan vier ton per hectare gekomen; opzienbarende impulsen kunnen eigenlijk alleen nog maar van een belangrijke technische doorbraak worden verwacht. Maar vooralsnog is daar geen zicht op. Boeren en politici hebben vooral op het terrein van de biotechnologie tevergeefs naar een nieuwe mogelijkheid gezocht om de voedselproduktie in de wereld te verhogen. Het produceren van voedsel is in China niet alleen afhankelijk van de beschikbaarheid van landbouwgrond en water, maar ook van verschillende milieufactoren, zoals erosie, drassigheid, verzilting van irrigatiesystemen, luchtvervuiling en het broeikaseffect. Voor de helft van de landbouwgrond is erosie regel. De naam Huang He – Gele Rivier – is afkomstig van de 1,6 miljard ton okerkleurige aarde, die daarin jaarlijks vanuit Noord China naar zee wordt vervoerd. Drassigheid en verzilting verminderen de produktiviteit van het geïrrigeerde land met naar schatting vijftien procent.

Al deze factoren in aanmerking genomen en in de veronderstelling dat de industrie snel blijft groeien, zal de graanproduktie van China tussen 1990 en 2030 met tenminste eenvijfde dalen of met 0,5 procent per jaar. In Japan is dat eenderde geweest sinds het topjaar 1960 – een daling van ruwweg een procent per jaar. In dat licht gezien is een daling van een vijfde misschien aan de voorzichtige kant. Het daaruit voortvloeiende graantekort zal enorm zijn, vele malen meer dan in Japan – op het ogenblik het grootste graan importerende land ter wereld. In 1990 produceerde China 329 miljoen ton graan en consumeerde 335 miljoen ton. Het verschil van 6 miljoen ton werd geïmporteerd. Bij de verwachte bevolkingstoename zal de vraag naar graan stijgen van 335 miljoen ton in 1990 naar 479 miljoen ton in 2030 zonder gewijzigd consumptiepatroon. Met andere woorden, zelfs als de bloeiende economie in China geen hogere consumptie van vlees, eieren en bier met zich meebrengt, betekent een daling in de graanproduktie van twintig procent naar 263 miljoen ton een tekort van 216 miljoen ton graan per jaar. Dat is meer dan de wereldwijde graanexport van 200 miljoen ton in 1993.

Maar natuurlijk zullen zich de nieuwe rijken van China een hogere consumptie van vlees niet laten ontnemen. Bij een bescheiden stijging van de graanconsumptie van een kleine 300 kilo nu naar 350 kilo in het jaar 2030 zal de totale vraag toenemen tot 568 miljoen ton graan. In 2030 zal het tekort, dat met import moet worden aangezuiverd, een duizelingwekkende 305 miljoen ton bereiken. Meer dan de helft van de Chinese graanconsumptie zal dan moeten worden ingevoerd. Als de graanconsumptie naar 400 kilo stijgt – het huidige niveau in Taiwan, of de helft van het niveau in de Verenigde Staten – dan zou de totale consumptie zelfs 641 miljoen ton bereiken en het invoertekort 378 miljoen ton bedragen.

De zorg voor voldoende voedsel gaat diep in China. In de hongersnood van l959-l961 na de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ zijn dertig miljoen Chinezen omgekomen. Nog veel grotere aantallen hebben enorm gebrek geleden. De huidige generatie leiders, die zich maar al te duidelijk deze grote hongers- nood herinnert, wordt heen en weer geslingerd tussen de wens om zelf grotendeels in de voedsel- behoefte te kunnen voorzien en de wens om snel te industrialiseren. Maar als de industrialisatie in dit tempo doorgaat, zal de import van graan tot een ongekend niveau stijgen. Als de export van niet-landbouwprodukten groeit, zoals verwacht, zou het invoeren van 200 of zelfs 300 miljoen ton graan bij de huidige prijzen binnen het economische bereik van China liggen. Als de regering tenminste bereid zou zijn een bescheiden gedeelte van de opbrengst van de export daarvoor te gebruiken. Natuurlijk zouden dan minder kapitaalgoederen kunnen worden geïmporteerd. En dat zet weer een rem op het binnenhalen van technologie, die nodig is ter ondersteuning van een snelle economische groei.

De moeilijkste vraag is: wie zou graan op deze schaal kunnen leveren? Het antwoord luidt: niemand. Sinds 1980 bedraagt de gemiddelde wereldwijde graanexport jaarlijks zo’n 200 miljoen ton, waarvan bijna de helft uit de Verenigde Staten komt. Maar Amerika heeft ook te kampen met verlies van boerenland en het gebruik van irrigatiewater voor andere doeleinden. Met een verwachte toeneming van de Amerikaanse bevolking met 95 miljoen mensen in de komende veertig jaar – zowel natuurlijke groei als immigratie – zal er zeker niet (veel) meer overblijven voor export. Met de honderd landen die nu al graan uit de Verenigde Staten importeren en in de toekomst alleen maar meer nodig hebben, heeft dat exportgedeelte al een bestemming. Van de graan exporterende landen zou Argentinië de opbrengst aanzienlijk kunnen verhogen en de jaarlijkse uitvoer van elf miljoen ton misschien kunnen verdubbelen als voor het boerenbedrijf een goed prijsbeleid wordt gevoerd. Maar dat zou China niet veel helpen. Europa zal waarschijnlijk de export op ongeveer het huidige niveau handhaven. In werkelijkheid kan geen enkel land – of combinatie van landen – voldoende exporteren om meer dan een klein gedeelte van het verwachte voedseltekort in China aan te vullen. Tegelijkertijd worden ook in andere delen van de wereld forse tekorten verwacht. Afrika zal in 2030 250 miljoen ton graan nodig hebben – tien maal de huidige import. Het Indiase subcontinent gaat een tekort kweken dat verschillende malen groter is dan nu. Talrijke landen met een snelle bevolkingsaanwas – waaronder Iran, Ethiopië en Nigeria – zullen de komende jaren met voedselgebrek te maken krijgen. Onder deze omstandigheden zal het enorme tekort, dat voor China wordt voorspeld, een hevige strijd om de be-perkte exportvoorraden doen ontbranden met als resultaat ongekend hoge graanprijzen. Misschien slaagt China er in meer graan te importeren dan nu, maar dat zal altijd ten koste gaan van andere minder welvarende landen, die geen vreemde valuta hebben om mee te doen op de wereldmarkt. En als de Amerikaanse consument met zijn Chinese wederhelft wedijvert om Amerikaans graan zou dit uiteindelijk tot exportbeperkingen of zelfs embargo’s kunnen leiden.

De vraag is hoe de kloof tussen China’s behoefte en het onvermogen van de rest van de wereld om daarin te voorzien kan worden overbrugd. Als die kloof zich naar verwachting ontwikkelt, zullen de stijgende voedselprijzen de vraag naar voedsel over de hele wereld figuurlijk met geweld in toom houden, zodat bij rijk en arm de consumptie omlaag gaat. Voor de eerste groep betekent dit minder produkten met dierlijke vetten en minder hart- en vaatziekten. Maar voor de honderden miljoenen mensen op het platteland zonder eigen grond en de armen in de steden, die op de laagste treden van de economische ladder staan, zal de voedselconsumptie wellicht dalen tot onder het bestaansminimum. Met een ongekende sociale druk in het vooruitzicht zal in sommige landen het voedsel worden gerantsoeneerd. Een andere mogelijkheid is om degenen die bovenaan de voedselketen staan, te vragen vrijwillig een stapje terug te doen om op die manier de hoeveelheid graan die nodig is voor veevoer terug te dringen. Hoge ambtenaren in Beijing hebben voorgesteld het vegetarisch dieet in China te stimuleren. Het zou ook kunnen, dat de economische groei afneemt of tot stilstand komt, zodat de inkomens en de koopkracht over de gehele wereld dalen. Hogere voedselprijzen zullen ongetwijfeld grotere investeringen stimuleren, maar ongelukkigerwijs is een aantal eens zo veelbelovende wegen afgesloten. Met het dalen van het grondwaterpeil in vele landbouwgebieden zal het boren van steeds meer irrigatieputten er alleen maar toe leiden dat de watervoorraden in een versneld tempo op raken. Het toepassen van meer kunstmest heeft weinig nut, tenzij nieuwe graanvariëteiten worden ontwikkeld die beter op kunstmest reageren.

Het komt er op neer, dat als China zich blijvend op de wereld-markt richt, de Chinese voedselschaarste de schaarste van de gehele wereld wordt. China heeft de bevolkingsgroei niet beter in de hand weten te houden en dat wordt nu een probleem van de wereld. Of wij het willen of niet, de economische toekomst van China’s 1,2 miljard mensen en die van de wereld daarbuiten zijn nu onverbrekelijk verbonden. Het toekomstige tekort in China dwingt andere landen ertoe om nauwgezet te bekijken hoeveel mensen hun land kan herbergen. De onvermijdelijke botsing tussen de steeds toenemende vraag naar voedsel en de grenzen van de natuur op aarde – met inbegrip van het vermogen van viswater om vis te produceren, van de waterhuishouding om zoet water te leveren en van gewassen om met succes meer kunstmest te gebruiken – zal naar alle waarschijnlijkheid niet in de puinhoop van het straatarme Somalië of Haïti zijn, maar in de bloeiende economie van China. De schok, die deze botsing teweegbrengt, zal in de gehele wereldeconomie voelbaar zijn en gevolgen hebben die wij nu pas beginnen te vermoeden.

Lester R. Brown is president en oprichter van het Worldwatch Instituut in Washington. Met toestemming bewerkt en overgenomen van World watch september/oktober 1994. Een uitgebreidere analyse van de bevolkingsgroei en het wereldwijde voedselvraagstuk maakt Lester Brown in zijn laatste boek: Full house, reassessing the earth’s population carrying capacity, W.W. Norton & Company 1994 isbn 0393312208.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)