www.odemagazine.com

| 1 maart/april 1995 issue

Het verlies van mama

Deze nacht met Elisa deed ik het enige wat een vader kan doen in zo’n situatie. Ik maakte warme chocolademelk. Elisa zat bij mij op schoot haar chocolademelk te drinken toen ik vroeg of zij wat foto’s van haar moeder wilde zien. Zij knikte. Toen ik in de kast naar de fotoalbums zocht, vroeg ik mij af, of het een goed idee was. Zo nu en dan was het afgelopen jaar prettig geweest om door het trouwalbum te bladeren, oude foto’s te bekijken en gedichten te herlezen, die ik voor Luanna had geschreven. Elisa en ik zaten op de keukenvloer en kort daarop – het zou nog eerder zijn geweest als ik geen chocolademelk op de trap had gemorst – lagen er overal om ons heen foto’s. Elisa pakte er een foto uit, waar haar moeder haar oudste zusje Rachel op de arm houdt. ‘Dat ben ik, hè Pap?’ vroeg zij. Ik kon niet jokken. ‘Nee, Ellie, dat ben jij niet.’ Toen vroeg zij: ‘Mag ik deze foto hebben?’ Ik zei: ‘Ja.’ Zij liep naar de ijskast, pakte een magneetje en hing de foto ergens midden op de deur. Zij kwam terug, gaf mij een kusje en verdween weer naar bed. Het kon Elisa niet schelen, dat zij niet het kindje was op haar moeders arm. Er was iets in de beeltenis – Luanna’s ogen, haar haar, de manier waarop zij het kind vasthield – dat de aard en de herinnering aan haar dode moeder weer tot leven bracht. Elisa was vier toen haar moeder overleed. Toen kon zij daar niet over praten. Zoals de meeste kinderen van haar leeftijd had zij nog bijna geen benul van ‘altijd’ en kon niet begrijpen hoe onomkeerbaar de dood is. Maar een jaar later begreep Elisa dat de dood een blijvend verlies betekent en zij was van streek dat zij niet meer wist hoe haar moeder eruitzag.

Elisa’s broertje Nathan was zes bij het overlijden van zijn moeder en had een heel andere reactie. Mijn vrouw was twee jaar ziek geweest en mijn kinderen wisten dat zij elk ogenblik kon sterven. Toch kwam het moment voor Nathan nog onverwacht. Toen zij was gestorven, kwam ik vlak voor zonsopgang terug uit het ziekenhuis en wachtte tot de kinderen wakker werden om het ze te vertellen. Nathan was, als altijd, het eerste op. Ik vertelde hem wat er was gebeurd en hij gilde ‘Nee, het is niet waar, het is niet waar!’ Tranen stroomden langs zijn wangen. ‘Het is wel waar.’ Hij hield vol, dat het niet waar was, het kon niet waar zijn, zijn mammie kon niet doodgaan. Hij moest vreselijk huilen en kon na een poosje geen woord meer uitbrengen. Hij sloeg zijn armen om mij heen en snikte het, schokkend van verdriet, uit tot hij in slaap viel. Toen Nathan een paar uur later wakker werd, was hij anders; hij was kalm. Hij wist, dat zijn moeder dood was en daarmee uit. Op de begrafenis huilde hij met iedereen mee en nog een paar keer daarna. Tot op vandaag vraagt hij me verhaaltjes te vertellen van toen hij een babytje was en die verhaaltjes schijnen zijn gevoel van verlies te verlichten. Ik kan alleen maar tot de slotsom komen dat Nathans allereerste, ongelovige reactie een soort catharsis is geweest voor de pijn en het gif van dit drama. Het schijnt dat hij het goed heeft verwerkt. Mijn oudste twee dochters, Danielle en Rachel reageerden weer anders. Zij waren toen tien en acht en hadden hun moeder in ziekenhuizen en rolstoelen gezien en hadden niemand nodig om hun te vertellen, dat zij aan kanker zou sterven. Vlak na de dood van Luanna wist ik niet wat ik moest zeggen. Ik zei gewoon: ‘Jullie mammie is dood’ en wij huilden en omhelsden elkaar. Toen later op de dag de voorbereidingen van de begrafenis in al hun omvang op ons afkwamen, vroeg ik Danielle en Rachel of zij naar het rouwcentrum wilden meegaan om een doodskist, een jurk, bloemen, overlijdensberichten et cetera uit te zoeken. Dat wilden zij allebei. Ik dacht dat de voorbereidingen voor hen een inwijding zouden zijn, iets om de werkelijkheid van hun moeders dood gemakkelijker te aanvaarden. Voor Danielle ging dat op. Zij ging met mij mee en deed in het rouwcentrum alles behalve de cheque ondertekenen. Doordat zij terecht was gekomen in de volwassen wereld van voorbereidingen kon zij kennelijk beter met haar eigen opkomende volwassen gevoelens omgaan.

Met Rachel was het anders gesteld. Toen wij op het punt stonden naar het rouwcentrum te gaan, zag zij er van af. Ik zei: ‘Oké, zoals je wilt.’ Net toen wij wilden wegrijden wuifde Rachel vanaf de oprit. Ik stopte. Zij liep naar mijn kant en vroeg: ‘Pap, vind je het goed als ik ga fietsen?’ Ik zei: ‘Natuurlijk.’ Pas maanden later realiseerde ik me wat zij eigenlijk had gevraagd. Zij vroeg toestemming om iets leuks te gaan doen. Rachel wilde een kind zijn, fietsen en met haar vriendinnetjes spelen, ook al was haar moeder overleden. Pas toen ik mijzelf weer toestond iets leuks te doen, begreep ik de betekenis van dat fietsen. Ondanks wat er was gebeurd, wilde Rachel het fijn hebben. Of het zes uur, zes maanden of zes jaar duurt, je moet bij jezelf iets overwinnen om je te kunnen amuseren zonder schuldgevoelens te hebben ten aanzien van de dood van een dierbare. Het verbaasde mij, dat het Rachel zo snel lukte.

Mijn dochter Adrienne van zeven had een heel eigen reactie. Zij was kalm en bijna verbaasd dat de mensen zo’n drukte maakten over haar moeders dood. Er gingen dagen voorbij en in plaats van geschokt, gekwetst of boos te zijn, werd zij een barometer voor mijn gevoelens. Als ik een slechte dag had, kreeg zij opeens koorts en bleef thuis. Als wij een familie-uitje hadden en ik een beetje zat te broeden omdat ik mijn vrouw miste, lukte het haar om uit een boom te vallen of haar fiets te beschadigen om mij af te leiden. Het leek wel, alsof zij bang was om mij alleen te laten. In feite accepteerde zij de dood van haar moeder meteen en ging voor mij zorgen. De enige verandering bij Adrienne was, dat zij net als Nathan een onlesbare dorst naar verhalen over haar moeder had – verhalen over picknicks, kooklessen, verjaarspartijtjes, alles. Ik weet niet waarom Adrienne op deze manier reageerde. Zoals sommige mensen geschikter zijn voor bepaalde beroepen en leefwijzen, zo zijn anderen misschien beter in staat om met de dood om te gaan.

Ongeveer zes maanden na Luanna’s dood hielp ik Adrienne met haar huiswerk. Zij vroeg: ‘Pap?’
‘Wat?’
‘Waarom draag je je trouwring?’
‘Ik weet het niet. Ik wil dat gewoon.’
‘Maar’, zei zij, ‘je bent niet getrouwd.’
‘Dat weet ik, maar ik heb hem dertien jaar om gehad.’
‘Maar je bent niet getrouwd.’

Ik dacht daar over na en deed de ring om mijn rechter middelvinger. Soms is de beste manier om met kinderen over de dood te praten om dat niet te doen. Je moet gewoon luisteren.

Als Rob Loughran (38) niet met zijn kinderen bezig is of op zijn mountainbike zit, is hij kelner in Petaluma in Californië. Hij is de vader van Danielle (18), Rachel (16), Adrienne (15), Nathan (13) en Elisa (11), Onlangs hertrouwde hij. Samen met zijn tweede vrouw heeft hij nu acht kinderen.

Met toestemming bewerkt en overgenomen van Mothering, zomer 1994. Na de begrafenis werd ik geconfronteerd met één van de grootste verschrikkingen voor een weduwnaar met schoolgaande kinderen: schoolpapieren. Toestemming voor schoolreisjes, inschrijfformulieren, rapporten, medische keuringen – een lawine van papierwerk met dank aan de onderwijsbureaucratie. Op een dag hielp Rachel mij met het invullen van een vijftal (jawel: vijf) medische formulieren. Zij vulde de algemene informatie (naam, adres, telefoonnummer, postcode) in en ik voegde de rest toe (polisnummers, naam van de huisarts etc.). Nadat ik de formulieren had ondertekend, keek ik ze nog een keer na en toen ontdekte ik dat Rachel in elk vakje achter Telefoon kantoor moeder had ingevuld: 1-800-heaven.


© Ode Magazine USA, Inc. and Ode Luxembourg 2009 (further information in Privacy & Copyright)