Voorpublicatie 21 Stralen
Een fragment uit het boek 21 Stralen van Goli Abduraman en Karin Wesselink.
| 140 oktober 2011 issue
Ode-lezers kunnen dit boek bestellen voor euro 17,95 inclusief verzendkosten i.p.v 21 euro. Ga naar www.penacenter.com en vermeld bij uw bestelling ODE achter uw naam om van de korting gebruik te maken.
Hoofdstuk 1
Almere, zomer 2007
Weer op de vlucht
Mijn krullen zitten verstrikt in de coniferen en onder mijn tenen kraakt een takje. Ik schrik en kan een gil net binnenhouden. Al mijn spieren staan op scherp. Mijn keel voelt droog, maar ik durf niet te slikken. Ik heb geen idee hoelang ik hier al zit. Het kunnen een paar minuten zijn, maar ook een half uur. Hopelijk krijgt buurvrouw Diana niet het idee haar rottweiler uit te laten en komt haar puberzoon voorlopig niet thuis. Ik weet nu al niet meer waarom ik in mijn pyjama en op blote voeten naar beneden ging. Dan hoor ik een auto starten, ik krimp ineen en zie m’n knokkels om de hengsels van mijn meegegriste schoudertas wit worden. De wagen rijdt weg. Ik bijt op mijn lip en beef.
*
Het leek een gewone dinsdag. De lucht was strakblauw en de zon scheen volop. Tot dat telefoontje in de supermarkt. Een onbekende stem vroeg of ze met de voorzitter van de Koerdische Culturele Vereniging van Almere sprak. Na mijn instemmende antwoord deelde
ze me mee dat er morgen een spoeddebat zou zijn en dat ons bezoek aan de Tweede Kamer niet door kon gaan. Ik wilde niet eens weten waar het spoeddebat over ging. Dit bezoek had ik maanden voorbereid: Koerden uit Irak, Iran, Syrië en Turkije zouden komen, net als vertegenwoordigers van politieke partijen zoals mijn eigen KDP.
Snel rekende ik de boodschappen af en reed naar huis. Jalil zat op de bank, met zijn laptop op schoot. Ik wist dat ik hem nu eigenlijk niet moest storen, maar ik wilde ook mijn frustratie kwijt en begon te vertellen. Toen hij na een paar zinnen nog steeds alleen maar naar het beeldscherm keek, trok ik me terug in de keuken. Een uurtje later stond de tafel vol met dampende rijst, groenten, salade en hamburgers van lamsgehakt. Zwijgend laadde Jalil met z’n vork de lepel vol. Hij leek niet eens te proeven wat hij at en zodra zijn bord leeg was, verdween hij weer naar de bank. Ik hoorde de laptop opnieuw opstarten terwijl ik de restjes in de pan bij elkaar schraapte.
De laatste hap slikte ik door toen het warme water al in het afwasteiltje stroomde. Behalve de lopende kraan en zijn vingers op het toetsenbord was het stil in huis. Zo stil dat ik me tien kilo lichter voelde toen ik de deur uitging en in de auto stapte richting Almere Stad. Vroeger ging hij mee naar bijna al mijn afspraken. Dat vond hij gezellig, maar er zat ook een andere reden achter. Het was zijn manier om roddels te voorkomen. Soms wilde ik wel liever ergens alleen naartoe, maar het voordeel van zijn aanwezigheid was toch groter. Ik werd met Jalil naast me serieuzer genomen. En hij leek het niet zo erg te vinden dat de meeste aandacht naar mij ging. Hij was juist wel trots op me. Al tijdens onze huwelijksnacht wist ik dat hij anders was dan de meeste Koerdische mannen. Hij zei toen dat ik zelf mocht weten of ik een hoofddoek zou dragen. Dat was al een heel verschil met mijn oudste broer Rasul die me altijd had verboden
onbedekt de straat op te gaan. Hij verplichtte me zelfs binnenshuis een hoofddoek te dragen. Maar sinds een paar maanden had Jalil geen zin meer me te vergezellen. Alsof het hem allemaal niets meer kon schelen.
Ik was als eerste in buurtcentrum ’t Kardoes, onze vaste vergaderplek. Net toen ik mijn map met notulen van de vorige bijeenkomsten en de adressenlijst uit mijn schoudertas haalde, kwam de rest van het bestuur binnen. Ik deed alsof er niets aan de hand was, als vrouw hang je niet de vuile was buiten, al helemaal niet als het over je huwelijk gaat. Het kostte ons een uurtje om de meeste deelnemers aan het Tweede Kamer bezoek af te bellen. Ik ging als laatste weg, er was niets dat me naar huis riep. In de schemering liep ik richting de auto.
*
Mijn hakken tikten op het asfalt. Net toen ik op de bestuurdersstoel zat, flitsten de lantaarnpalen aan. In het licht van mijn koplampen schoot een kat weg. Ik wilde de autoradio aanzetten, maar hoorde alleen gekraak. Ik had Jalil al wel drie keer gevraagd het te maken, ik haat het als iets niet werkt zoals het zou moeten. Maar Jalil reageerde steeds geïrriteerder en ik ben opgehouden er iets over te zeggen. Tien minuten later draaide ik onze straat in. Het parkeerplekje voor ons huis was nog vrij. Terwijl ik naar de voordeur liep, probeerde ik het bordje van de makelaar in de tuin niet te zien. De dag dat ze die kwamen plaatsen, alweer bijna een jaar geleden, moest ik huilen. Maar Jalil was onverbiddelijk. Dat koophuis zou ons alleen maar in Nederland houden en hij wilde terug naar Koerdistan.
Binnen was het blauwige schijnsel van het beeldscherm het enige licht. Ik hing m’n jas op, ritste mijn laarzen open en liet de tas van mijn schouder vallen. Jalil keek op van zijn laptop en knikte. Aan de eettafel belde ik de mensen die net niet opnamen. Hier en daar lagen nog kruimeltjes brood. Ik drukte ze plat met m’n vinger en stopte ze in m’n mond. Tijdens mijn telefoontjes schraapte Jalil af en toe geërgerd zijn keel, maar ik negeerde het.
Ik rondde het laatste gesprek af, stopte mijn map en telefoontje terug in m’n tas en ging naar de keuken. Daar pakte ik een goudkleurige zak Ceylonthee uit de kast, haalde de wasknijper er vanaf en deed de losse theeblaadjes in een filter. Toen de waterkoker begon te trillen op het aanrecht, zette ik de schakelaar om. Het belletje deed het al lang niet meer, ik wilde een nieuwe maar Jalil vond dat onzin. Wat moesten we met nieuwe spullen als we tóch zouden
weggaan, zei hij steeds. Uit een andere kast pakte ik dadels. Jalil zat nu op de bank bij het raam, hij keek televisie. Ik ging op de andere bank zitten, stak een theelichtje aan en schonk de glaasjes vol. Zwijgend keken we het Journaal. Eerst bij de NOS, daarna zapten we naar een Koerdische zender. Er was net een item over de brandstoftekorten, elektriciteitsproblemen en het tekort aan schoon drinkwater in ons thuisland. Ik kon mijn ergernis niet voor me houden en vroeg Jalil wat hij daar van me verwachtte, dat ik weer zou gaan koken op hout en ’s avonds m’n boeken in het licht van een fanoz zou houden? Jalil keek me met donkere ogen aan en zei dat ik m’n mond moest houden.
Ik brak een stukje shakri kulawa in tweeën en legde het op mijn tong. De zoete smaak bracht me thuis bij moeder. Het is niet het enige dat ik van haar heb meegekregen. In bijna elk telefoongesprek zegt ze wel een keer dat ik zo op haar lijk. Zij deed ook niet altijd wat van haar verwacht werd. Zo liep ze uit liefde voor mijn vader van huis weg om met hem te kunnen trouwen. En ook al heeft ze zelf nooit leren lezen en schrijven; mij heeft ze altijd gestimuleerd naar school te gaan. Niet iets wat elke Koerdische moeder doet. Dat er nauwelijks brandstof is en de elektriciteit steeds uitvalt, zijn niet de redenen dat ik niet terug wil naar Koerdistan. Het is en blijft mijn thuis, ook al heb ik het heel erg naar mijn zin in Nederland. Ik wil alleen niet voor onverwachts bezoek lunch moeten klaarmaken zonder 4-pits gasstel of elektrische waterkoker. Ik heb daar als vrouw veel minder te zeggen en ben ik bang dat Jalil zal doen wat zijn familie hem al jaren aanraadt: een tweede vrouw nemen. Hij zegt de laatste tijd bovendien steeds vaker dat ik een vierde ivf-behandeling zou moeten ondergaan. Niet in Nederland, maar in Iran. Ik wil dat niet. Toen ik op mijn 21ste uit Iran vluchtte voor de Ettela’at zwoor ik dat ik nooit meer een voet in dat land zou zetten. Trouwens: ik ben nu veertig en mijn lijf heeft genoeg geleden van de vorige hormooninjecties. Jalil ziet het ook voor zich dat ik weer een verloskundigenpraktijk zou starten, net als in het begin van ons huwelijk in een vluchtelingenkamp. Maar ik heb geen zin meer, ik ben moe. Het is niet voor
niets dat ik nog in mijn proeftijd op de afdeling interne geneeskunde van een ziekenhuis in Amsterdam ben ontslagen. Ze vonden me niet gemotiveerd. Dat is helemaal niets voor mij. Ik heb altijd hard gewerkt. Als meisje in een tapijtfabriek en later als vijftienjarige op de röntgenafdeling in een Iraans staatsziekenhuis. Ze noemden me toen zelfs Speedy Sister omdat ik zo snel was.
*
Nu ben ik voor het eerst van m’n leven werkloos.
Jalil bleef stil. Ik ging naar boven, douchte en trok m’n pyjama aan. Maar ik kon niet slapen. Tegen middernacht liep ik de trap af naar beneden, hij zat nog tv te kijken. Zonder het geluid zachter te zetten en zonder me aan te kijken, zei Jalil dat ik geen keuze had. Ik ben zijn vrouw en dus moet ik wonen waar hij wil. Waar mijn plotselinge woede vandaan kwam, weet ik niet. Maar het voelde alsof hij mijn vrijheid wilde afpakken en ik wist dat hij in zijn recht stond.
Van de islam mag hij zulke dingen eisen. Voor het eerst sinds ons huwelijk, verloor ik mijn zelfbeheersing. Ik verhief niet alleen mijn stem, ik schreeuwde zelfs. Dat hij maar alleen moest gaan zodat hij eindelijk met een andere vrouw kon trouwen. Eén die hem wel kinderen
zou geven. Misschien schrok hij van mijn toon, maar nu keek hij wel naar me. Ik zag agressie vlammen in zijn ogen. Onder zijn snor vormden zijn lippen een smalle streep. Hij stond op en liep naar de keuken. Ik zag hem een la opentrekken en vroeg wat hij van plan was. Met een stem doortrokken van woede, zei hij dat hij ons allebei zou gaan afmaken. Eén tel later stond ik bij de voordeur. Gelukkig was daar mijn tas nog, met mijn mobieltje erin. Ik rende naar buiten, ging de hoek om en kroop onder de heg van de buren. Ik verwachtte dat hij me achterna zou komen. Maar hij kwam niet. En toen hoorde ik een auto starten en wegrijden.
*
Vijf minuten dwing ik mezelf nog te wachten. Dan pak ik m’n mobieltje en bel 112. Mijn boodschap is helder, maar mijn stem trilt. Ik dring aan dat ze iemand sturen, ook al ben ik alleen maar bedreigd. Na een kwartier hoor ik een auto. Voorzichtig steek ik mijn hoofd uit en zie twee agenten uitstappen. Ik richt me wat verder op zodat ze me zien staan. Ik kan alleen maar knikken als antwoord en loop achter de langste van het stel mee naar binnen. Eén
agent houdt de wacht bij de deur, de ander blijft bij me als ik mijn spullen pak. Hij jut me op, maar mijn vingers beven en ik laat steeds spullen uit m’n handen vallen. Ondertussen overleggen we waar ik naartoe kan. Er is eigenlijk maar één optie: de crisisopvang bij het
Leger des Heils. Ik wil niet naar mijn zus Sham in Weesp. Jalil gaat daar als eerste zoeken en ik wil haar niet in de problemen brengen. Straks maakt hij haar medeplichtig. Zegt hij tegen mijn familie dat zij me heeft geholpen weg te lopen, terwijl ze er als oudere zus juist voor moet zorgen dat ik me als een goede vrouw gedraag.
Ik krijg nog net de sleutels in het contact, maar bij het wegrijden bots ik tegen de stoep. Ik bijt op mijn lip en laat me kalmeren door een agent. Volgens hem is het maar zeven minuutjes rijden en hoef ik alleen maar te volgen. We parkeren dichtbij de groene container waar kleding in wordt verzameld. Op de grond ernaast staan wat vuilniszakken. De langste agent belt aan en na een toon duwt hij de deur open. De geur van oude koffie en zweetvoeten slaat in m’n gezicht. Behalve mijn eigen ademhaling en onze voetstappen, hoor ik niets. Door een smal gangetje komen we in een klein kantoortje.
Hier mag ik mijn tas met kleding laten staan. De agenten vertrekken en met mijn schoudertas in m’n hand, loop ik achter de groepsleider door een andere smalle gang met een kapotte TL-balk. Hij duwt de klink van één van de deuren naar beneden en knipt het licht aan. Er klinkt protest, nog voordat ik kan tellen hoeveel stapelbedden er staan. Ik druk de schakelaar naar beneden en loop op de tast naar mijn slaapplek. Met m’n kleren nog aan ga ik op bed liggen. Er komt een muffe geur uit het matras m’n neusgaten in en ook in deze kamer ruikt het naar zweetvoeten. Mijn schoudertas met mijn paspoort, wat sieraden en mijn eerste en enige vakdiploma zet ik tussen mij en de muur. Nu pas beginnen de tranen te stromen, zelfs als ik
mijn ogen stijf dichtknijp.
*
Na uren woelen, schijnt er eindelijk wat licht door de dunne gordijnen. Ik hang mijn schoudertas om en pak het washandje en de handdoek die ik bij binnenkomst heb gekregen. Op kousenvoeten en mijn schoenen stevig in mijn hand loop ik naar de deur. Voorzichtig open ik ’m. Toch klinkt er gekraak. Ik doe alsof ik niets hoor, maar als ik hem achter me sluit, voel ik drie paar ogen in mijn rug prikken. Ik vind de gemeenschappelijke doucheruimte en plens wat water in mijn gezicht. Het duurt lang voor er warm water uit de kraan komt. In de verte klinkt gerinkel van bestek en geroezemoes. Ik dep m’n gezicht droog, trek mijn schoenen aan en loop in de richting van het geluid. In de kamer zitten niet alleen vrouwen,
maar ook mannen. Mijn hart bonkt als ik ga zitten aan de leegste tafel. Ik sla mijn ogen neer en hoop maar dat niemand me herkent. Na de boterhammen met kaas en jam meld ik me weer op het kantoortje.
Ik krijg een aantal telefoonnummers en bel eerst twee opvanghuizen in het Gooi, want ik wil dichtbij mijn zus en broer zijn. Ze zitten vol. In Limburg zal Jalil me nooit zoeken, maar ook
daar krijg ik te horen dat er geen ruimte is. De uren kruipen voorbij en mijn gedachten draaien cirkels. Rond lunchtijd bel ik nog een keer naar Limburg en krijg goed nieuws. Het regent, toch doe ik een zonnebril op en wikkel mijn sjaal als hoofddoek om. Eerst moet ik naar de huisarts voor een nieuwe voorraad medicijnen tegen maagzuur. Binnen een half uur sta ik op de A27 in de file. Het is stil zonder radio. Ik hoor alleen de druppels op het dak tikken en af en toe een claxon. Steeds kijk ik op mijn hand waar ik het adres van de vrouwenopvang heb geschreven. Uren later parkeer ik naast een dikke witte muur en strek mijn verkrampte
vingers. Het regent nog steeds en mijn sjaal raakt al snel doorweekt als ik zoek naar de ingang. Pas als ik een steegje inloop, vind ik een zwarte deur met een camera erboven. Ik druk op de bel en hoor sloffende voetstappen dichterbij komen.
De deur zwenkt open. In de opening staat een oudere vrouw. Haar gezicht verraadt geen enkele emotie als ze vraagt wie ik ben. Met moeite kom ik uit mijn woorden, ik voel nu pas hoe moe ik ben. Ik volg haar naar een kantoor waar ik de huisregels te horen krijg: niet bellen, niet in je eentje fruit eten of snoepen op je kamer, geen alcohol, geen sigaretten en elke dag een taak. Het loopt tegen vijven en de andere vrouwen hebben de avondmaaltijd al op. Ze hebben wel wat voor me bewaard, maar ik eet in m’n eentje. De rest is bezig met spullen afruimen, afwassen, schoonmaken of tv kijken. Dan wijst iemand me mijn kamer: smal, met alleen een bed en een kledingkast. Er dringt geen enkel geluid van buiten de muren binnen. Ik
ben de enige die mijn verdriet kan horen.
De eerste vierentwintig uur kruipen voorbij. Ik heb geregeld dat mijn bankafschriften naar Sham worden gestuurd en dat mijn uitkering op de rekening van het opvanghuis wordt gestort. Verder heb ik niet veel te doen. Pas na vier dagen zet ik mijn telefoon weer aan. Met een knoop in mijn maag luister ik de voicemail af. Als ik de stem van Sham hoor, breek ik. Maar het duurt nog een paar dagen voordat ik de moed heb haar terug te bellen. Niet alleen omdat het niet mag, maar ook omdat ik bang ben voor wat ik zal horen. Ik doe het stiekem, vanuit de bibliotheek. Sham neemt in tranen op en vertelt dat Jalil in de nacht van mijn verdwijning naar haar toe is gereden en haar dwong om mij te bellen. Ze weet verder dat hij twee dagen na mijn verdwijning naar het politiebureau in Almere is gegaan om aangifte van vermissing te doen. Verder heeft ze geen contact met hem gehad. Mijn hart bonkt als ik mijn telefoon weer uitzet. Rust krijg ik niet. Mijn hoofd tolt en ik blijf me maar afvragen waar het is mis gegaan. Ik vond juist altijd dat ik zo bofte met Jalil.
Hij is knapper dan wie dan ook en ik houd van zijn ogen die kunnen stralen als de zon. Dat hij wel drie koppen groter is dan ik, gaf me altijd een veilig en beschermd gevoel. En hij heeft me nooit met één vinger aangeraakt. Dat kan lang niet elke Koerdische vrouw zeggen. Verder is hij netjes op zichzelf. Hij gaat alleen in schone, zelfgestreken kleding naar buiten en hij was altijd degene die in huis de stofzuiger pakt. Daarover schepte hij vaak op tegen andere mannen: hij deed het inderdaad sneller dan ik en zo bespaarden we elektriciteit. Hij lapte ook altijd de ramen, die kon hij veel beter laten glimmen en glanzen.
*
Na twee weken spreek ik Sham weer, ze belt omdat Jalil bij haar is en hij me wil spreken. Zijn stem klinkt vlak als hij zegt dat hij naar Koerdistan vertrekt en me daar verwacht. Ik hoor hem huilen, maar weet niet of dat om mij is. Misschien zijn het tranen van schaamte. Als een Koerdische vrouw bij haar man wegloopt, betekent dat eerverlies en dat is het ergste wat een man kan overkomen. Ik zeg dat ik erover zal nadenken. Aan de ene kant ben ik opgelucht dat hij vertrekt, aan de andere kant weet ik dat ik hier problemen mee krijg. Een scheiding is absoluut niet geaccepteerd. Het is geen beslissing die alleen mezelf aangaat, ik trek twee families mee in de schande. De dag erna praat ik met de leidinggevende. Ik wil weg. Niet terug naar mijn eigen huis, maar naar mijn zus.
Sham ontvangt me met open armen, hoewel de hele situatie voor haar minstens zo moeilijk is en zij er op wordt aangekeken. We houden zoveel mogelijk vrienden en kennissen buiten de deur, ook al gaat dat tegen ons gevoel van gastvrijheid in. Helemaal gerust dat Jalil weg is, ben ik niet. Ik ben niet bang dat hij me iets zal aandoen. Dat is bovendien de taak van mijn oudste broer Rasul. Hij is sinds de dood van vader de man des huizes en beslist wat er met me moet gebeuren als ik de eer van de familie heb aangetast. Ik ben alleen zo moe van alle spanningen de laatste tijd. Ik wil een adempauze.
Ik voel me pas wat veiliger als dagen later de jongste zus van Jalil belt en ik zijn stem op de achtergrond hoor. Ze vertelt dat hij daar heel ziek is geworden en naar het ziekenhuis moest. En dat hij heel verdrietig is en de hele dag alleen in een kamertje zit. Hij wil niemand zien en geen bezoek ontvangen. Hij schaamt zich. Want iedereen weet dat zijn vrouw niet met hem is meegekomen. Zij is niet boos, maar probeert me te overtuigen naar hem terug te gaan. Ik zeg
haar dat ze hem maar moet koppelen aan een andere vrouw. Eén die hem wel kinderen kan schenken. Dat is wat zijn hele familie wil en wat ze vaak genoeg tijdens bezoekjes hebben laten merken. Maar volgens haar heeft Jalil gezegd dat hij helemaal geen andere vrouw wil. Dat zou voor het eerst zijn. Hiervoor zweeg hij altijd als vrienden en familie hem onder druk zetten een tweede vrouw te nemen. Dat hij nu hardop zegt dat hij niemand anders wil, brengt me nog meer aan het twijfelen.
Nu ik zeker weet dat Jalil in Koerdistan is, durf ik naar ons eigen huis terug te gaan. Al zijn spullen zijn weg, ook de laptop. Het is gek om nu zelf te kunnen beslissen naar wie ik ga, hoe laat ik thuiskom en wat ik kook. Maar ik kan er niet helemaal van genieten. Overdag gaat het wel, maar ’s nachts pieker ik. Het leven van een Koerdische vrouw alleen, is ook niet ideaal. Er is een grote kans dat mijn familie me verstoot en dat ik niet meer welkom ben in mijn geboorteland.
Moeder zet me bij elk telefoontje meer onder druk en smeekt me aan de familie te denken. De woorden van Rasul gooien nog meer olie op het vuur. Jalil blijkt hem ook verteld te hebben dat hij me niet kwijt wil. Rasul vindt dat ik hem nog een kans moet geven. Een scheiding betekent schande, niet alleen voor mij en Jalil, maar voor onze hele familie. Ik wil hen toch niet allemaal onteren? Ik voel me verscheurd. Mijn Nederlandse vriendinnen vinden dat ik wel voor mezelf moet kiezen.
Ode-lezers kunnen dit boek bestellen voor euro 17,95 inclusief verzendkosten i.p.v 21 euro. Ga naar www.penacenter.com en vermeld bij uw bestelling ODE achter uw naam om van de korting gebruik te maken.