Email   Print
Share  

Er bestaat niet zoiets als een 'ding'

Hoe een essentiële verbinding ons onderling aan elkaar koppelt.

Lynne McTaggart | 139 september 2011 issue

Praat mee op Twitter! #deverbinding

We voelen allemaal dat we aan het eind van ‘iets’ zijn gekomen. Sinds de overgang naar het nieuwe millennium hebben allerlei commentatoren geprobeerd greep te krijgen op de collectieve betekenis van de over elkaar heen buitelende crises die ons in ons tijdsgewricht overspoelen: bankencrisis, terrorismecrisis, schuldencrisis, voedselschaarste, buitenlandseschuldencrisis en natuurlijke of door de mens teweeggebrachte ecologische crises. Maar de crises waarmee we ons op vele fronten geconfronteerd zien, zijn slechts symptomatisch voor een veel dieper zetelend probleem, met meer potentiële, ernstige repercussies dan die van ongeacht welk cataclysme. Het zijn eenvoudigweg graadmeters voor de enorme kloof tussen ons huidige zelfbeeld en onze ware essentie, ja, onze ware essentie. Wij handelen al honderden jaren in strijd met de natuur door onze essentiële verbondenheid met alles te negeren en onszelf te zien als individuen die losstaan van al het overige. Nu hebben we het punt bereikt waarop we niet langer volgens dit valse zelfbeeld kunnen blijven leven. Er komt een eind aan het verhaal dat ons tot nu toe is voorgehouden over wie wij zijn en hoe we geacht worden te leven – en in dit eind ligt de enige weg naar een betere toekomst besloten.

Het leitmotiv van dit verhaal is dat van de held die het moet opnemen tegen iedereen. Wij nemen als vanzelfsprekend aan dat ons leven een worsteling zal zijn. Daarom blijven we altijd waakzaam, klaar om – thuis, op ons werk, onder kennissen en vrienden – te vechten tegen iedere behemoth die ons pad kruist. Hoe aangenaam ons leven ook is, de grote meerderheid onder ons blijft in deze parate toestand contra mundi, waarin iedere ontmoeting het karakter krijgt van een soort strijd: strijd tegen collega’s die eropuit zouden zijn ons baantje – of een promotie – in te pikken; tegen medestudenten die met hun prestaties de lat voor ons almaar hoger leggen; tegen de mensen die eerder dan wij een zitplaats in de metro veroveren; tegen winkeliers die ons te veel laten betalen; tegen de buren die in een Mercedes rijden terwijl wij ‘maar’ een Volvo hebben; en zelfs tegen onze partner die het waagt vast te houden aan een andere mening dan de onze. Het idee dat wij tegen de wereld moeten strijden, wortelt in onze fundamentele overtuiging dat ons ‘zelf’, dat iets wat wij ‘ik’ noemen, als een afzonderlijke entiteit zou bestaan, een unieke creatie van een genetische code die volstrekt losstaat van alles buiten onszelf. Dit is de hardnekkige veronderstelling over onze menselijke zijnstoestand; we klampen ons eraan vast alsof heel ons bestaan erom draait – aan dit vage gevoel van alleen-staan, het idee dat we als in onszelf -besloten, eenzame schepsels ons individuele leven leiden, terwijl al het overige – andere atomen en cellen, andere levensvormen, de landmassa’s, de planeten en zelfs de lucht waarin we allemaal ademen – als iets afzonderlijks zou bestaan, gescheiden van al wat verder existeert.

Hoewel we ons leven zijn begonnen vanuit de vereniging van twee individuen, staan we er – zo maakte de wetenschap ons wijs – de rest van ons leven alleen voor. De wereld staat volgens die visie onweerlegbaar búiten ons en gaat haar eigen gang, mét of zonder ons. Ons hart klopt in laatste instantie alleen voor ons, geloven we, en dat geeft ons een pijnlijk gevoel. Dit paradigma van wedijverend individualisme maakt dat we denken dat het leven een heldhaftige worsteling tegen vijandige elementen is, tussen mensen die met elkaar concurreren om hun aandeel in sterk beperkte hulpbronnen. Er zou niet genoeg zijn voor ons allemaal en de kans is groot dat anderen sterker zijn dan wij, zodat we enorm ons best moeten doen om er eerder bij te zijn. De ineenstorting van het mondiale economische model in 2008, de huidige milieucrises, de dreigende tekorten aan voedsel en drinkwater en de uitputting van de aardoliereserves werpen een schril licht op de extreme beperkingen van deze kortzichtige geestesgesteldheid, die nu onze hele planeet dreigt te vernietigen. Op het persoonlijke vlak heeft dit alles de meesten van ons een hol gevoel vanbinnen bezorgd, alsof iets van de grootste waarde – ons mens-zijn zelf – in onze dagelijkse worsteling met de wereld onder de voet is gelopen. We hebben dringend behoefte aan een nieuw verhaal dat ons tot richtsnoer kan dienen.

Wetenschappelijke theorieën, en daarbij ons model voor hoe dingen in elkaar zitten, verdampen waar we bij staan. Bij elke nieuwe vondst uit de hoek van de wetenschap wordt opnieuw een geliefd beeld dat we van onszelf hadden onderuitgehaald. Nu is een compleet nieuw wetenschappelijk verhaal zich aan het ontwikkelen, inclusief ons meest basale idee: dat separate entiteiten met elkaar in competitie zijn om te kunnen overleven. Het recentste bewijsmateriaal uit de kwantumfysica opent de uitzonderlijke mogelijkheid dat alle leven in een dynamische relatie van samenwerking existeert. De kwantumfysici hebben onderkend dat het universum géén losse verzameling is van dingen die gescheiden van elkaar door een lege ruimte buitelen. Alle materie existeert in een immens web van kwantumrelaties! Op het meest elementaire niveau is iedere levensvorm een energiesysteem dat samen met zijn omgeving verwikkeld is in een constante uitwisseling van informatie. In plaats van als een cluster van afzonderlijke, op zichzelf bestaande atomen en moleculen, worden objecten en levende wezens nu gezien als een dynamisch en veranderlijk proces waarin componenten van het ene ding voortdurend van plaats verwisselen met componenten van het andere. Deze revolutie blijft niet beperkt tot de fysica. Bijzondere ontdekkingen in de pioniersgebieden van de biologie en de sociale wetenschappen hebben onze kijk op de relatie tussen levende schepselen en hun omgeving grondig veranderd. Pioniers op het gebied van de biologie, de psychologie en de sociologie hebben bewijzen gevonden dat individuen heel wat minder individueel zijn dan wij hebben gedacht. Tussen zelfs de kleinste partikeltjes van ons wezen, of tussen ons lichaam en onze omgeving, tussen onszelf en alle mensen met wie we in aanraking komen – dus tussen alle leden in alle lagen van de menselijke samenleving – bestaat een verbinding. Deze verbondenheid is zo integraal en fundamenteel, dat er niet langer een duidelijke grens bestaat tussen het eind van het ene en het begin van het andere ding. In essentie is de wereld werkzaam in deze verbondenheid van alles met alles, in plaats van via de activiteiten van afzonderlijke dingen. Anders gezegd, de wereld functioneert zogezegd in de ruimte tussen de dingen.

Het meest essentiële aspect van het leven is niet het op zichzelf bestaande ding, zoals een subatomair deeltje of een levend wezen. Het is de verbinding: de onlosmakelijke, niet te reduceren verbondenheid. Deze verbinding – de ruimte tussen de dingen – bevat de sleutel tot het leven van elk organisme, en van subatomaire deeltjes tot grootschalige samenlevingen, en dus ook de sleutel tot een levensvatbare toekomst voor onszelf. Deze ontdekkingen tonen aan dat het idee van het individu als een afzonderlijke entiteit dat losstaat van al het overige een dwaling is. Er existeert niets – van onze atomen en moleculen tot ons hele wezen – dat we met zekerheid kunnen definiëren als een volstrekt afzonderlijk lichaam dat geïsoleerd en begrensd kan worden. Het ‘individu’ is slechts de som van een oneindig aantal vaag gedefinieerde componenten die, voor zover we ze thans kunnen doorgronden, voortdurend onderhevig zijn aan uitwisseling en transformatie. Individuele dingen leven in alle opzichten in een onlosmakelijke, wederkerige samenhang met elkaar. De meest fundamentele drijfveer van de natuur is geen strijd om dominantie, maar een voortdurend en niet te onderdrukken streven naar heelheid. Deze ontdekkingen hebben niet alleen immense implicaties voor de manier waarop we onszelf willen definiëren, maar ook voor de manier waarop we zouden moeten leven. Ze dwingen ons tot de conclusie dat al onze maatschappelijke creaties, die gegrond zijn op concurrentie en individualiteit, vierkant in strijd zijn met ons meest fundamentele wezen. Dit betekent dat de drijfveer tot samenwerking en deelgenootschap – en niet overheersing – een fundamenteel deel is van de fysische aspecten van het leven en de biologische structuur van alle levensvormen. De -nieuwe -ontdekkingen impliceren dat de meeste mensen in de ontwikkelde wereld niet in harmonie met hun ware natuur leven. Het gegeven dat we constant invloed uitoefenen op alle materie en er zelf ook door worden beïnvloed, in een voortdurend evoluerende en wederkerige verbondenheid, verlangt een ingrijpende omslag in de manier waarop we met elkaar en alle andere levende wezens omgaan. We hebben behoefte aan nieuwe leefregels, aan een andere manier van zijn.

In weerwil van de grote vermogens van onze hersenen in elk ander opzicht, is de methode waarmee we alles wat we om ons heen waarnemen en in ons opnemen, vooral de activiteiten van andere levende wezens, vrijwel ontdaan van alle imaginatie. Als we de gedragingen van iemand anders waarnemen, moeten we – om er iets van te begrijpen – deze ervaring mentaal herscheppen alsof we de gedraging zelf uitvoeren. We vertalen dus de handelingen, gewaarwordingen en zelfs de emoties van anderen in de neurale taal van ons eigen lichaam alsof het onze eigen ervaringen zijn. Dezelfde neuronen in onze hersenen beginnen te vuren als we een aanraking aan een been voelen of waarnemen dat iemand anders het been van iemand anders aanraakt, of zelfs als we waarnemen dat een onbezield object wordt aangeraakt. Iedere aanraking die we zien, activeert de neurale circuits die actief zijn bij onze subjectieve aanrakingservaringen. Via onze spiegelneuronen kunnen we ons ogenblikkelijk verplaatsen in een hond als we het dier een mals stuk vlees zien verorberen, maar niet als hij tegen een andere hond blaft. Zonder het vermogen zich via spiegelneuronen in de ervaring ‘in te leven’, kan het menselijk brein de ervaring van wat het is om te blaffen alleen bij benadering herscheppen door een ruwe nabootsing ineen te flansen – ongeveer zoals een computer dat zou doen. Feitelijk ziften we onze waarnemingen van de handelingen van anderen altijd aan de hand van onze persoonlijke ervaring, zelfs als die verschilt van die van de persoon die we observeren. Keysers onderzocht bijvoorbeeld de hersenactiviteit van iemand die zonder handen was geboren, als deze proefpersoon een andere persoon zijn hand uit zag steken naar een glas. In dit geval werden die regionen van de hersenen en het ruggenmerg geactiveerd die de voeten en tenen besturen, in plaats van de regionen die verband houden met armen en handen. De gehandicapte proefpersoon begreep de handeling via hetzelfde proces dat hijzelf gebruikte om een glas te pakken: met zijn voeten. Hieruit kan al worden opgemaakt dat het zien van de handeling verbondenheid creëert – een complexe mengeling van jouw handelingen en emoties en die van mij.

Als je in staat zou zijn in je hoofd te kruipen om je hersenen en de rest van het zenuwstelsel waar te nemen terwijl je met iemand anders in contact bent, zou je grote moeite hebben om te onderscheiden welke instructies voor jou zijn bestemd en welke voor de ander. Je zult misschien denken een objectief waarnemer te zijn, maar in werkelijkheid kijk je altijd door de ogen van de ander. De grenzen tussen jezelf en ieder ander zijn wazig, omdat ze worden beheerst door een complexe mix van vurende neuronen: die in je eigen hoofd en die in het hoofd van de ander. Zonder bewuste inspanning herschep je innerlijk de handelingen en emoties van andere mensen via de complexe ‘zeef’ van je persoonlijke ervaringen. Als je iets tegen mij zegt, zullen jouw emoties zich eerst laten gelden, maar dan voeg ik mijn eigen ‘ervaringsgeschiedenis’ toe. Niet alleen bootsen we het motorisch programma van de specifieke handeling na, ook kopiëren we alle gewaarwordingen en gevoelens die ermee zijn verbonden, in overeenstemming met onze ervaringen uit het verleden, bijvoorbeeld als een activiteit zwaar is geweest voor de spieren of alleen onze huid heeft gekieteld. Als we een atleet zien trainen en op school een hekel hadden aan hardlopen, storten onze oude gevoelens zich uit in de mix van onze waarneming. We doorgronden de ervaring via de schakel met onze eigen ervaringsgeschiedenis.

Hoe vertrouwder we zijn met de waargenomen handelingen, des te meer vuren onze spiegelneuronen. Als een professionele danseres een andere danseres observeert, bijvoorbeeld, wordt een groter deel van haar spiegelneuronencircuit geactiveerd dan het geval is bij iemand die hetzelfde ziet maar nauwelijks kan dansen. Steeds als we om ons heen kijken, nemen we de ervaringen van de levende wereld in ons op en voegen er iets van onszelf aan toe, zoals een kok zou doen die aan een nieuw recept zijn eigen favoriete ingrediënten toevoegt. Dit leidt tot een interpretatie ‘bij benadering’ van wat we zojuist hebben gezien, omdat wij een vluchtig moment lang de wereld om ons heen observeren vanuit een breder perspectief, met de vele gezichtspunten van alle dagen die we al hebben geleefd. Als we tegen iemand zeggen ‘ik voel je pijn’, dan is dat inderdaad waar. Onze met pijn geassocieerde spiegelneuronen vuren ook als we zien dat iemand anders gewond raakt. Bij een experiment kregen proefpersonen wier hersenpatronen werden geregistreerd het verzoek zich voor te stellen dat ze gestoken werden met een speld; daarna kregen ze te zien hoe iemand anders met een speld werd gestoken. De wetenschappers die dit onderzoek deden, ontdekten dat steeds dezelfde neuronen vuurden, ongeacht of de proefpersonen zich alleen voorstelden dat ze zelf werden gestoken, óf er alleen getuige van waren dat iemand anders werd gestoken. Ons vermogen tot het zelf mee-ervaren van andermans pijn lijkt echter af te hangen van de emotionele context van de pijn. De neuronen die vuren, creëren onze reactie op pijn, niet de fysieke aspecten ervan. We bootsen de emotionele ervaring na, maar niet de feitelijke fysieke pijn.

Zelfs als we zien dat iemand aan wie we een hekel hebben pijn lijdt, zal onze eerste reactie – hoewel we misschien wat -leedvermaak voelen – uit zuivere verbondenheid bestaan, omdat we onszelf in dezelfde gemoedstoestand verplaatsen. De handeling van het waarnemen is een moment van eenwording – onverschillig met wie. Veel psychologen en neurowetenschappers geloven nu dat spiegelneuronen de eerste glimp van empathie belichamen – ons vermogen om ons in de belevingswereld van andere mensen te verplaatsen. Het lijkt een terugkoppelingssysteem met een zeer fijne afstemming te zijn. Bij veel mensen die zichzelf inschatten als sterk empathisch worden meer vurende spiegelneuronen geregistreerd. Omgekeerd neemt ons spiegelneuronencircuit in complexiteit toe naarmate we meer empathie ontwikkelen. Dit doet vermoeden dat belichaamde nabootsing de kern is van alle empathie. Ook het tegendeel is waar: hoe fijner de afstemming is van iemands spiegelneuronen, des te groter wordt de kans dat hij of zij blijk geeft van empathie. De neurowetenschapper Antonio Damasio maakte gebruik van fMRI om te bepalen welke sectoren van de hersenen oplichten indien een proefpersoon het verzoek kreeg aan een van de volgende drie scenario’s te denken: a. een emotionele ervaring uit het eigen verleden; b. een soortgelijke ervaring van een ander, waarbij de proefpersoon zich moest voorstellen dat het hemzelf overkwam; en c. een niet-emotionele ervaring uit zijn of haar eigen verleden. Voelde een proefpersoon zich sterk met iemand anders verbonden, dan produceerde hij de hersenactiviteit die overeenkwam met wat er zou gebeuren als hij die ervaring zelf onderging. Indien de proefpersoon zich echter niet echt kon inleven in de ervaring van de ander (geen empathie), lichtten er delen van de hersenen op die er niet mee in verband stonden.

Naast de verinnerlijking van ervaringen uit de omgeving nemen we de wereld ook waar via een onzichtbare maar voortgaande dialoog tussen onszelf en de omgeving. Toen de Duitse fysicus Fritz-Albert Popp in 1970 op zoek was naar een remedie tegen kanker, stuitte hij op het feit dat alle levende organismen – van eencelligen tot menselijke wezens – een minieme stroom fotonen (licht) uitzenden, een fenomeen dat hij omschreef als biofotonemissie. Popp begreep dadelijk dat organismen dit zwakke licht gebruiken als medium om met zichzelf en hun omgeving te communiceren. Popp en nog veertig andere we-tenschappers overal ter wereld hebben inmiddels meer dan dertig jaar lang onderzoek gedaan naar biofotonemissie. Zij stellen dat deze minuscule straling – en niet DNA of biochemie – de eigenlijke geleider is voor alle cellulaire processen in het lichaam. Zij hebben ontdekt dat biofotonemissie resideert ín het DNA van de cel zelf en bepaalde trillingsfrequenties in de moleculen van individuele cellen verwekt. Bij hun eerste metingen maakten Popp en zijn collega’s gebruik van uiterst nauwkeurige meetinstrumenten, die in staat zijn bij lichtemissie de fotonen een voor een te tellen. Dit stelde hen in staat een opmerkelijke ontdekking te doen. Wanneer er een huidzalf op een bepaald lichaamsdeel werd gesmeerd, trad er een aanzienlijke verandering op in het aantal uitgezonden fotonen – en niet alleen op de locatie met de zalf zelf, maar ook in delen van het lichaam die er ver van verwijderd waren. Bovendien kwam de omvang van de verandering op elke plek overeen. Popp besefte dat hij het belangrijkste communicatiekanaal in organismen had ontdekt, waarin licht als medium voor ogenblikkelijke én non-lokale algemene signalering fungeert. Ook constateerde Popp dat deze lichtemissies als een communicatiesysteem tússen twee of meer levende organismen functioneren. Bij experimenten met allerlei organismen, mensen incluis, ontdekte hij dat individuele organismen het licht van andere organismen absorberen en dan golfinterferentiepatronen terugsturen, alsof ze met het andere organisme ‘converseren’. Zodra de lichtgolven van het ene organisme door het andere zijn geabsorbeerd, begint het licht van het eerste organisme in synchronie informatie uit te wisselen. -Organismen lijken ook informatie met hun omgeving uit te wisselen, -zoals -bacteriën met hun voedingsbodem, of het binnenste van een ei met de eierschaal. Deze communicatie lijkt zich ook voor te doen tussen leden van verschillende soorten, hoewel de luidste en beste vormen ervan -voorbehouden zijn aan leden van dezelfde soort.

Het onderzoekswerk van Popp toont aan dat wij via deze minuscule emissie van biofotonen een kwantumverbinding met onze omgeving onderhouden. Gedurende elk ogenblik van ons wakend bestaan absorberen we het licht van anderen. Moeder en baby ervaren als ze samen zijn in de regel zogeheten hersengolfsynchronie, zoals wetenschappelijk auteur Joseph Chilton Pearce ontdekte – waarbij de elektrische golven van hun beider hersenen met elkaar resoneren, zodat ze gelijktijdig pieken en dalen. Je openstellen voor de zuivere band met iemand anders, zoals gebeurt tussen moeder en kind, creëert een neuraal resonantie-effect tussen jou en de ander. Deze sterke resonans kan optreden met ieder ander en niet alleen met je kinderen. Wij zijn allemaal zo afgestemd op de gemoedstoestanden van anderen, dat onze hersenen voortdurend gereed zijn om met hen te resoneren. Geregelde beoefening van mededogenmeditatie kan ons blijvend sensitief maken voor anderen. De neurowetenschapper Andrew Newberg van de University of Pennsylvania heeft ontdekt dat de activiteit van de pariëtale hersenkwabben tijdens bepaalde vormen van meditatie afneemt. Dit deel van de hersenen helpt ons om ons een driedimensionaal beeld van ons lichaam te vormen, zodat we ons ruimtelijk kunnen oriënteren en onderscheid kunnen maken tussen het zelf en het niet-zelf. Ook constateerde Newberg dat beoefenaren van mededogenmeditatie het onderscheid tussen het zelf en het niet-zelf loslaten en dan eenheid waarnemen. Deze bereidheid tot onvoorwaardelijk geven – een deel van onze natuurlijke hang naar verbondenheid – helpt ons individuele grenzen op te -lossen, waardoor we uit ons individuele zelf en in de ruimte ertussen kunnen stappen. Dit is de plek waar we een levendige, open buurtgemeenschap creëren en weerstand bieden aan de verleiding om samen te klonteren in groepen van ‘dezelfde soort mensen’ en te streven naar het gemeenschappelijke in de ruimte van wederzijdse afhankelijkheid, waarin we door ons mens-zijn en gemeenschappelijke leven allemaal met elkaar verbonden zijn. Een van de snelste manieren om verbondenheidsbesef te bevorderen, is de transformatie van de gemeenschap tot een soort superorganisme. Psychologen noemen dit een overkoepelende doelstelling, die door intensieve samenwerking kan worden verwezenlijkt. Dit gezamenlijk streven helpt boven onderlinge verschillen uit te stijgen omdat het de nadruk legt op de kern van het mens-zijn: we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Als we in hetzelfde schuitje zitten, hoeven we niet meer met elkaar om schaarse hulpbronnen te concurreren.

Don Beck was een ouderejaarsstudent van Muzafer S¸erif. Hij benutte de lessen van Robbers Cave voor het creëren van overkoepelende doelstellingen als een middel tot het oplossen van politieke conflicten. Als eerste kwam Beck op het idee om de terugkeer van het Zuid-Afrikaanse rugbyteam in de play-offs voor de Wereldbeker in 1905 (verfilmd in de film Invictus) te gebruiken als middel tot het creëren van natie vormende euforie, voor het verenigen van Mandela’s Regenboognatie, die zojuist de apartheid te boven was gekomen. Beck werd gefascineerd door de psychologie van wedstrijden in de premier league. Door de ervaringen van zijn werk met de Dallas Cowboys en de New Orleans Saints was hij gaan geloven in het vermogen van sport om vrede te stichten. Dit was een stoutmoedig idee, gelet op het feit dat de Springbokken, het Zuid-Afrikaanse rugbyteam, als het ware model stonden voor de apartheid. Rugby werd daar als een sport voor blanken gezien. Nagenoeg alle spelers waren (blanke) Afrikaners, de pro-apartheidsminderheid; rugbycoaches riepen zelfs instructies in het Afrikaans. Engelssprekende en zwarte spelers drongen zelden door tot het team, zodat de rugbysport door de zwarte bevolking van Zuid-Afrika consequent werd geboycot. In 1995 overhandigde Beck de coach van de Springbokken, Kitch Christie, een verhandeling met de titel Six Games to Glory, waarin hij uitvoerig een reeks -psychologische strategieën beschreef die ertoe konden bijdragen het team in de play-offs te transformeren van een underdog tot een wereldklasseteam. Behalve deze strategieën voor het winnen van wedstrijden had Beck ook manieren beschreven waarop de Springbokken een katalysator konden worden voor de trots van de pasgeboren Regenboognatie, waardoor een brug kon worden geslagen tussen de townships en de Afrikaners. Naarmate de play-offs vorderden, begon Becks overkoepelende doelstelling het hele land aan te steken: jonge zwarten in de townships haalden -antirugbyplakkaten weg en hingen foto’s op van hun helden onder de Springbokken. Tijdens de eindronden om de Wereldbeker, die de Springbokken uiteindelijk wonnen, werd Nelson Mandela overgehaald om zich te vertonen in het groene en gouden shirt van de Springbokken – kleuren die altijd de onderdrukkers van de zwarten hadden gesymboliseerd, als een tastbaar teken van eenheid en vergevingsgezindheid. Volgens Beck is het creëren van overkoepelende doelen een van de beste manieren om in gebieden met politieke conflicten tot vrede te komen. In zijn werk heeft hij vaak ontmoetingen met vertegenwoordigers van beide partijen in een brandhaard. Hij probeert hun dan een zo positieve mogelijke toekomst voor ogen te toveren, die echter vereist dat beide partijen met elkaar samenwerken en hun gemeenschappelijke -geografische -ligging en hulpbronnen gebruiken voor het creëren van een oplossing voor alle mensen die in dat gebied leven.

Beck heeft een voorkeur voor het gebruik van sportieve metaforen. ‘Focus je op volhardend pragmatisme,’ zegt hij in zijn temende Texas-Amerikaans, ‘de vooruitgang die kan worden benut om vorderingen in het spel te maken.’ Onlangs heeft hij de Arabieren en Israëliërs een plan voorgelegd om het bezette Palestina te transformeren tot het Hongkong van het Midden-Oosten: een welvarende samenleving waarin beide partijen middelen met elkaar delen voor openbare diensten als onderwijs en gezondheidszorg. Op dit moment fungeert hij als adviseur om beide partijen te helpen de details ervan uit te werken en een tijdschema op te stellen voor het verwezenlijken van zo’n samenleving binnen een tijdsbestek van dertig jaar. Het creëren van een gemeenschappelijke identiteit en coöperatie in dienst van een overkoepelende doelstelling was ook van essentieel belang voor het redden van de Chileense mijnwerkers gedurende de zeventig dagen dat zij onder de Atacama-woestijn opgesloten zaten nadat de Copiapo-mijn in augustus 2010 was ingestort. De ploegleider en aanvoerder van de mijnwerkers, Luis Urzúa, volgde een verscheidenheid van tactieken voor het creëren van een collectieve identiteit: strenge deling van middelen; een democratisch besluitvormingsproces op basis van een stem per hoofd; een verenigende naam voor de groep (Los Trenta y tres, de Drieëndertig). Dit alles droeg bij aan het creëren van een gevoel van ‘één voor allen, ondanks bijna onmogelijke kansen op voortbestaan’. Tegelijkertijd verzuimde Urzúa niet steeds te hameren op overleven, niet als persoonlijke aangelegenheid, noch slechts voor het groepsbelang. Hij hing een Chileense vlag op en ging de mannen geregeld voor in het Chileense volkslied. Zo creëerde hij voor zijn mannen het besef dat zij een plaats verwierven in de geschiedenis: hun overleven was noodzakelijk voor het welzijn van hun vaderland. Vanuit een wetenschappelijk gezichtspunt komt de eigenlijke kracht van het overstijgen van de kleine ruimte van de eigen individualiteit en het zich aaneensluiten tot een groep om een overkoepelend doel te verwezenlijken, voort uit een collectief resonantie-effect. Net als hersengolfsynchronie tussen twee individuen kan ontstaan, kan het ook collectief ontstaan als twee groepen eendrachtig samenwerken. De elektrische hersenactiviteit van elk individueel lid van de groep begint te resoneren op een gemeenschappelijke golflengte: een zuiver zingend koor. Net als een groep elektronen kan gaan trillen als één reusachtig elektron, creëert de groep een resonans die het effect van de individuele hersengolven vergroot. We ervaren een krachtige fysieke impuls wanneer we deel uitmaken van een superorganisme. Bij een van de meest overtuigende onderzoeken naar dit -fenomeen draaide alles om een van de bekendste van alle Britse universitaire tradities: het roeiteam van Oxford, bekend om zijn fanatieke instelling, zou het weer eens opnemen tegen zijn voornaamste rivaal, het roeiteam van Cambridge. Antropologen van het Institute of Cognitive and Evolutionary Anthropology van Oxford verzochten een groep Oxford-roeiers te trainen in een ‘virtuele’ boot, ondergebracht in een sportzaal die ook voor normale trainingen wordt gebruikt. Bij iedere test moesten zij continu drie kwartier achtereen roeien, eerst als leden van een team en daarna individueel. Na elke trainingssessie maten de onderzoekers de hoogte van de pijndrempel van de roeiers, door te noteren hoe lang zij een opgepompte bloeddrukmeterband om hun arm konden verdragen. Bekend is dat intensieve training het vermogen tot het verdragen van pijn van mensen vergroot. Hoewel de roeiers na nieuwe sessies blijk gaven van een grotere tolerantie voor pijn, bleken zij na een groepstraining steeds een significant hogere pijntolerantie te hebben dan na de individuele training. Hoewel alle fysieke arbeid tot de aanmaak van -endorfinen leidt, een van de feelgood-stofjes in ons lichaam, leek de synchronie van gezamenlijke fysieke inspanning tot een verhoogde aanmaak van endorfinen te hebben geleid; dit zou verband kunnen houden met binding tussen de leden van de groep, concludeerden de onderzoekers. Hun leider, Emma Cohen, merkte op dat ‘gesynchroniseerde en gecoördineerde fysieke activiteit wellicht verantwoordelijk voor dit verschijnsel is’. De roeiers creëerden een ‘veld’ dat individuele inspanning versterkte en individuele beperkingen oversteeg. Binnen dit veld was het geheel groter dan de som der delen. Steeds als we groepsgewijs dingen doen, stelt het opgetogen gevoel van het besef ‘we doen dit allemaal samen’ ons in staat problemen (zoals pijn) gemakkelijker te overwinnen. Dit wijst erop dat gezegden als ‘samen sterk’, ‘eendracht maakt macht’ en ‘eendracht doet overwinnen’ veel waarheid bevatten. Het verklaart ook waarom we iets ervaren dat grenst aan magie, steeds als we ons groepsgewijs inzetten voor een gezamenlijk doel. We overstijgen onze -individualiteit en begeven ons in de tussenruimte van verbondenheidsbesef.

Wetenschappers weten dat neuronencircuits efficiënter worden en als een eenheid functioneren als ze herhaaldelijk en volhardend gezamenlijk worden gestimuleerd: neurons that fire together, wire together. Anders gezegd, de onderlinge verbindingen tussen neuronen nemen toe als ze vaker samen ‘vuren’. Dit zou ook kunnen gelden voor mensen! Als we voor een gezamenlijk doel met anderen samenwerken, stemmen we ons al heel snel létterlijk af op hun (hersen)golflengte. Dit alles doet vermoeden dat het zich aaneensluiten van mensen tot kleine groepen met een overkoepelend doel, tot een vorm van sociale cohesie leidt die ver uitstijgt boven factoren als geld, een baan of de omvang van bezit. Wellicht voelen we ons het gelukkigst wanneer we als buren de buren helpen. De misschien wel belangrijkste manier om weer een besef van verbondenheid in onze buurtgemeenschappen – of zelfs in onze samenleving – te creëren, is het uitbreiden van de definitie van wie wij zijn.Wanneer het wedijverende karakter van menselijke groepen wordt opgeheven, beginnen mensen op te bloeien. Wij kunnen – net als elkaar overlappende moleculen – leren weer voeling met elkaar te krijgen en onze natuurlijke manier van zijn herwinnen door een bredere, meeromvattende identiteit te cultiveren – een ruimere definitie van ‘wie we zijn’. Naarmate we ons met meer groeperingen kunnen identificeren, kunnen we meer mensen omhelzen. De dans van het leven is geen solo, maar een koor, omdat elk bestanddeel van ons wezen in essentiële en niet te reduceren verbondenheid met al het overige bestaat. Deze verbinding poneert een alternatieve toekomst waarin een nieuw paradigma, dat stoelt op wederkerige verbondenheid, de metafoor van de strijd om het bestaan heeft vervangen. Deze nieuwe visie begint met het inzicht – schokkend, op grond van de draagwijdte van haar implicaties – dat niets ter wereld op zichzelf kan bestaan. In de meest fundamentele zin is er niet zoiets als een ‘ding’.

Meer lezen?
Ik voel echt met je mee
De kracht van intentie
Legt u dat eens uit, dokter


Volg Ode ook op Twitter of Facebook, via de digitale nieuwsbrief, of neem een proefabonnement op Ode voor slechts €3,33 per maand



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: