De helende kracht van licht
Johan Boswinkel geneest met biofotonen, de zwakke lichtgolven die worden uitgestoten door cellen.
Jurriaan Kamp
| 138 juli/augustus 2011 issue

Johan Boswinkel vindt dat de therapie met biofotonen – genezen met licht – ‘ eerstelijsgezondheidszorg moet worden’
Foto: Pieter de Swart
Waarschuwing: dit verhaal
gaat over een man
die een baanbrekende
nieuwe therapie presenteert
– genezing met behulp van licht. De
man is geen arts. Hij is ook geen erkende
wetenschapper. Zijn bewijs is nog vooral
anekdotisch en, ja, er zijn talrijke sceptici
die gretig klaarstaan om zijn resultaten en
beweringen aan te vallen.
Én: Johan Boswinkel zou wel eens een
sleutel tot de geneeskunde van de toekomst
in handen kunnen hebben.
Waarom u na deze waarschuwingen
toch verder zou lezen? Omdat de moderne
geneeskunde, ondanks alle vooruitgang,
vaak nog machteloos staat tegenover de
vele chronische ziekten die voortkomen uit
onze moderne levensstijl. Albert Einstein
formuleerde het treffend: een probleem kan
nooit worden opgelost op hetzelfde niveau
als waarop het werd gecreëerd. Het staat
iets platter op het t-shirt van mijn zoon:
‘Het zijn doorgaans buitenbeentjes die de
wereld veranderen’.
Dat is een beschrijving die Johan Boswinkel,
met respect, past als gegoten.
‘Buitenbeentjes’
passen niet in bekende
kaders.
Boswinkel is de personificatie van
de onafhankelijke autodidact. Hij stelde
vragen die anderen niet stelden en vond
een oplossing die anderen niet vonden. Hij
bouwde een instrument dat verstoringen in
het lichaam kan meten en vervolgens kan
herstellen. Met dat instrument hebben hij
– en de honderden mensen die hij de afgelopen
twintig jaar heeft opgeleid – intussen
duizenden mensen afgeholpen van ernstige
ziekten en hinderlijke kwalen. ‘Onze aanpak
moet eerstelijnsgezondheidszorg worden.
We hebben een succespercentage van
80 procent, zonder schadelijke bijwerkingen’,
zegt Boswinkel in zijn appartement
met uitzicht over de Maas, in het centrum
van Rotterdam.
Begin jaren tachtig van de vorige eeuw
werkte de Rotterdammer in Nieuw-Zeeland
als directeur van een reisbureau. Na
een drukke periode voelde hij zich uitgeput
en op aanraden van zijn secretaresse
bezocht hij een acupuncturist. De man behandelde
hem, maar belangrijker was dat
hij Boswinkel vroeg voor hem een artikel
uit het Duits naar het Engels te vertalen.
Dat artikel was geschreven door de Duitse
natuurkundige Fritz-Albert Popp
en ging over zijn onderzoek
waarmee hij de stelling
van de Russische embryoloog
Alexander
Gurwitsch uit de jaren twintig van de vorige
eeuw had bewezen: dat alle cellen een
uiterst zwak licht uitstralen. Popp noemde
dat licht biofotonen en hij liet zien dat die
biofotonen de biochemische processen in
het lichaam aansturen.
Die vertaalklus betekende een radicale
verandering in het leven van Boswinkel.
Hij had het functioneren van de mens altijd
beter willen begrijpen. Hij had economie
gestudeerd, maar de studie voortijdig
opgegeven, toen bleek dat ‘de modellen in
de praktijk nooit werkten, omdat er geen rekening
werd gehouden met de mens’. Hij
was vervolgens medicijnen gaan studeren,
om tot de ontdekking te komen dat ‘daar
ook geen mensen voorkomen’. Psychologie
bleek ook geen antwoord te geven op zijn
vragen en toen was hij maar bij een bank
gaan werken. Toch bleef het verlangen naar
een beter begrip van de mens branden. Het
artikel van Popp zette hem aan het denken:
‘Als alle informatie die nodig is om de biochemische
processen in het lichaam aan te
sturen in het licht zit en als verstoringen in
het licht – zoals Popp betoogde
– biochemische processen
verstoren en ziekten veroorzaken,
dan moet het
mogelijk zijn om het
licht te ‘meten’ en de ziekten eruit te halen.
Het ‘gerepareerde’ licht geef je vervolgens
terug aan het lichaam. Als dat werkt, heeft
dat enorme gevolgen.’
Zonder dat te weten – er was dertig jaar geleden nog geen internet
– stapte Boswinkel op dat moment
in de voetsporen van verschillende pioniers
die, vanuit het besef dat lichamen uiteindelijk
bestaan uit frequenties, sinds het
begin van de negentiende eeuw hadden geëxperimenteerd
met instrumenten om met
frequenties ziekten te bestrijden. Los van
elkaar hadden de Amerikaanse uitvinder
Royal Rife, een arts in San Francisco, Albert
Abrams en de Britse ingenieur George
de la Warr opmerkelijke resultaten geboekt
met zelfgebouwde instrumenten. Meer recent,
in de jaren zeventig, ontwikkelde de
Duitser Franz Morell zo’n instrument. Al
deze pioniers trof eenzelfde lot: ondanks
hun resultaten, die uitnodigden tot nader
onderzoek, werden zij door gevestigde
medische structuren fel bestreden met juridische
procedures en hun werk belandde
grotendeels in de vergetelheid.
Boswinkel verdiepte zich verder in het
werk van Popp, zocht vergeefs in de natuurkunde
naar meer informatie over biofotonen
– ‘die bestond niet en die bestaat
nog steeds niet’, bromt hij – en begon ook
homeopathie en acupunctuur te bestuderen.
Met die vergaarde kennis bouwde hij
in 1983 een eerste instrument waarmee
hij de lichtuitstraling van een lichaam
kon meten en herstellen. Het eerste geval
waarmee hij ooit experimenteerde, betrof
een uitbehandelde leverkankerpatiënt in
Nieuw-Zeeland. Boswinkel: ‘Ik mat en behandelde,
mat en behandelde, en na zo’n
twaalf behandelingen was die man duidelijk
aan de beterende hand.’ Dat dat geen
toeval was, bleek vervolgens uit de daaropvolgende
successen met de behandeling
van aidspatiënten.
Bijna dertig jaar later is Boswinkel toe
aan de zesde generatie van zijn instrument
en heeft hij zo veel ‘wonderen verricht’,
dat wetenschappelijke erkenning voor
zijn therapie in zicht begint te komen. De
universiteit van Graz in Oostenrijk liet de
biofotonentherapie van Boswinkel in 2007
toe tot het curriculum van de studie complementaire
geneeskunde. In Wageningen
wordt onderzoek verricht naar het effect
van de therapie van Boswinkel op de groei
van planten en pluimvee. Bovendien zijn
de eerste, beperkte, ‘waarnemingsstudies’
met mensen gedaan en werken inmiddels
reguliere artsen in hun praktijk ook met het
instrument van Boswinkel (zie kaders).
Biofotonen zijn nauwelijks waarneembaar.
Het licht dat zij uitzenden, is vergelijkbaar
met het zien van een kaarsvlam op
een afstand van twintig kilometer. Daarom
bouwde Popp een ingenieuze versterker
waarmee de biofotonenemissie van cellen
kan worden bestudeerd. Met behulp van
dat apparaat kan Popp laten zien dat cellen
een coherent – gezond – licht uitstralen
of een chaotisch licht, dat duidt op een
ziektebeeld. De verklaring is simpel: als de
biofotonen op chaotische wijze de biochemische
processen in het lichaam aansturen,
veroorzaakt dat verstoringen.
Het apparaat van Popp is geschikt voor
een laboratorium waar cellen onder een
microscoop kunnen worden bekeken, maar
niet voor de praktische toepassingen die
Boswinkel voor ogen had, omdat een lichaam
– miljoenen cellen – tegelijkertijd
een divers spectrum aan straling uitzendt.
Boswinkel vond zijn oplossing in een instrument
dat de Duitse grondlegger van
de elektro-acupunctuur, Reinhold
Voll, in de jaren vijftig
had ontwikkeld. Voll had laten
zien dat de elektromagnetische
spanning op acupunctuurpunten
duidelijk afweek van de
omliggende
huidspanning. Hij stelde bovendien
vast dat elk acupunctuurpunt is
verbonden met een bepaald orgaan of klier.
Bij metingen met het instrument van Voll
blijken twee mogelijke resultaten: of het
apparaat toont – gevoed door een krachtige,
consequente spanning van het punt – een
rechte lijn, of het apparaat toont een hyperbool,
in het geval van een afvallende spanning
die zwakte van het punt weergeeft.
Boswinkel: ‘Dat betekende een doorbraak
voor mij. Popp liet met zijn lichtversterker
precies hetzelfde zien: een rechte lijn in het
geval van geordend, coherent licht; en een
afvallende lijn in het geval van chaotisch
licht. Dat bracht mij tot de conclusie dat de
metingen op acupunctuurpunten overeenkomen
met biofotonenmetingen.’ Intussen
hebben andere onderzoekers inderdaad
vastgesteld dat acupunctuurpunten, naast
de ogen, fungeren als bijzondere vensters
voor de opname van licht door het lichaam
en dat verklaart ook het spanningsverschil
dat Voll op die punten mat.
In het geval van een afvallende meting is
er sprake van een verstoring in het lichaam
en daar begint de diagnose van Boswinkel.
In zijn instrument koppelde hij de elektroacupunctuurmeetmethode
van Voll aan een
archief met potenties uit de homeopathie.
Immers, in de homeopathie worden bacteriën,
ziektebeelden, gifstoffen en zware
metalen gehomeopathiseerd: hun frequentie
en hun informatie wordt ‘opgenomen’.
Die informatie – zo’n 500 middelen – zit
opgeslagen als ‘tegenfrequenties’ in het instrument
van Boswinkel.
Een voorbeeld: Boswinkel meet dat een
maagpunt een afvallende lijn vertoont. Er
is dus sprake van een storing in de maag.
Als hij vervolgens de tegenfrequentie van
salmonella in de meting opneemt en de afvallende
lijn wordt recht en coherent, weet
hij dat de storing in de maag wordt veroorzaakt
door salmonella. De resultante van
verstorende frequentie en tegenfrequentie
moet nul zijn, omdat tegengestelde golven
elkaar neutraliseren. Als de meting inclusief
de salmonella-tegenfrequentie nog
steeds een afvallende lijn vertoont, moet
Boswinkel op zoek naar een andere oorzaak.
‘Je lichaam is net een radio: je krijgt
alleen muziek als je resonantie hebt met
een bepaalde zender’, zegt hij.
Zodra hij weet waardoor de verstoring
in het lichaam wordt veroorzaakt, kan
Boswinkel zijn behandeling beginnen. De
patiënt krijgt twee glazen elektroden in
haar handen. De ene elektrode neemt op
wat het lichaam uitstraalt. In het instrument
wordt dat licht vervolgens ‘omgedraaid’ en
teruggegeven
aan het lichaam via de andere
elektrode. Hetzelfde gebeurt vervolgens
nog een keer via de voeten, die op twee
glazen platen worden geplaatst. ‘Je wordt
behandeld met je eigen licht. Elke functiestoornis
wordt herkend.’ Zijn therapie gaat
uit van dezelfde wet van gelijksoortigheid
waarop de homeopathie berust.
Boswinkel heeft voor diagnose en behandeling
minder dan een uur nodig en de
meeste problemen kan hij met vijf of zes
behandelingen oplossen. Hij schat het succespercentage
van zijn therapie op ongeveer
80
procent en ‘wij behandelen juist
de chronische gevallen, de mensen die het
hele medische circuit al hebben doorlopen’.
Hij peinst even en vervolgt: ‘In beginsel
kun je altijd alles herstellen. Er zijn maar
weinig mensen die niet beter kunnen worden.
Je kunt tot het allerlaatste moment ingrijpen
en het zelfhelend vermogen van het
lichaam herstellen.’ In zijn ideale wereld
ondergaat iedereen elke zes maanden een
check-up: ‘In die periode kunnen zich geen
storingen opbouwen die niet simpelweg
kunnen worden gecorrigeerd.’
De grootste uitdaging voor een succesvolle
behandeling met de therapie van
Boswinkel betreft het stellen van
de diagnose. ‘Dat is het lastigst’,
zegt hij. In het cellenorganisme
van een mens spelen zich
op elk moment miljoenen
processen af. Boswinkel:
‘Je kunt het vergelijken
met een boom waarvan
elk blad een bepaald symptoom
of verstoring kan vertonen.
Je kunt elk ziek blad
aanpakken en ontstoren. Daarmee
kun je iemand snel van bepaalde
symptomen afhelpen. Maar
blaadjes worden ziek door een bepaalde
verstoring vanuit de stam en de wortels
van de boom. Je moet op zoek naar die
kern. Daar zit de echte oplossing.’
Hij geeft een voorbeeld: ‘In de reguliere
geneeskunde wordt de heliobacterbacterie
gezien als een bekende oorzaak van een
maagzweer. Maar als ik een maagzweer
wil behandelen, behandel ik de galblaas en
niet de heliobacter. Als organen of klieren
uitgeput raken, functioneert het immuunsysteem
niet meer optimaal en ontstaat een
ontvankelijkheid in het lichaam waarvan
bijvoorbeeld bacteriën gebruikmaken.’
Met bijna dertig jaar ervaring
ziet Boswinkel verbanden
die leken – en reguliere artsen! –
raadselachtig voorkomen. Voor Boswinkel
bestaat er een verband tussen de ziekte van
Crohn en een chronische blindedarmontsteking,
tussen astma en een whiplash en
tussen een vergrote prostaat en kaliumtekort.
Hij ziet de oorzaak van leverkanker
in een storing van de hypofyse en daar begint
ook de behandeling van alcoholverslaving,
die wordt veroorzaakt door een veel
te hard werkende alvleesklier, die door de
hypofyse wordt beïnvloed.
Het stellen van de juiste diagnose vergt
een grote kennis van het menselijk lichaam,
die de autodidact Boswinkel zelf
in de loop van vele jaren heeft verworven.
Dat geldt lang niet altijd voor de honderden
mensen die hij intussen heeft opgeleid om
zijn instrumenten te bedienen. Uit diverse
gesprekken met behandelaars blijkt ook
dat diegenen met een medische opleiding
– van natuurgeneeskunde tot fysiotherapie
tot verpleegkunde – het meest succesvol
zijn met de therapie van Boswinkel. Vandaar
dat hij zeer verheugd is dat zijn opleiding,
die verspreid over een aantal maanden,
gemiddeld 21 cursusdagen duurt, nu ook
deel uitmaakt van het curriculum complementaire
geneeskunde van de universiteit
van Graz in Oostenrijk. Hij heeft plannen
voor een bredere universitaire toekomst
voor zijn biofotonenopleiding. ‘Zo’n integrale
benadering biedt de beste kansen op
succes’,
zegt hij (zie kader op pagina 24).
Een waarnemingsstudie van twee therapeuten
die de opleiding in Graz doorliepen,
illustreert het effect van de Boswinkeltherapie.
Twintig patiënten van verschillende
leeftijden met een reeks chronische klachten
– van allergie en huidproblemen tot
slaapstoornissen en vermoeidheid – werden
gedurende twee weken behandeld. Vervolgens
bleken de klachten na drie maanden
voor 90 procent of meer verdwenen of in
elk geval beduidend verminderd. Een dergelijk
onderzoek doorstaat de harde test van
de wetenschap nog niet, maar biedt wel een
hoopgevende indicatie die vraagt naar meer,
beter, dubbelblind gecontroleerd onderzoek.
Critici van Boswinkel wijzen op het gevaar
van het ‘experimenteffect’: de waarnemer
die de waarneming bepaalt. ‘Dat effect
bestaat absoluut’, reageert Boswinkel en
voegt eraan toe dat dat overal in de wetenschap
een rol speelt. De bediener en zijn begaafdheid
zijn deel van de diagnose. ‘Elke
meting is subjectief en daarom is het van
zulk cruciaal belang dat de therapeut zich
zo objectief mogelijk opstelt’, zegt hij. ‘Als
je met het instrument metingen verricht,
moet je je voor alle mogelijke uitkomsten
blijven openstellen; dan krijg je de meeste
informatie en is er veel mogelijk.’
De aanpak van Boswinkel reikt veel verder dan de geneeskunde.
Zoals een van zijn voorgangers,
George de la Warr, in de jaren
vijftig veelvretende Coloradokevers uit
een aardappelveld verjoeg door simpelweg
zendertjes met de tegenfrequentie rond het
veld te plaatsen, zo was Boswinkel in de
jaren negentig op vergelijkbare wijze succesvol
met het bestrijden van een sprinkhanenplaag
in Marokko. De mogelijkheden
voor landbouw vrij van chemische bestrijdingsmiddelen
zijn evident. Wanneer we
elkaar spreken, is Japan net getroffen door
de recente zware aardbeving en het stralingsgevaar
van de kerncentrale van Fukushima
domineert het nieuws. Boswinkel
heeft zich gemeld bij de Japanse ambassade
in Den Haag, maar kreeg tot dusver
geen gehoor. ‘Je kunt altijd alle frequenties
omdraaien’, zegt hij.
Op een zonnige lentedag lopen we het
centrum van Rotterdam in. Op straat lopen
mensen met zonnebrillen. ‘Dat moet je niet
doen,’ zegt Boswinkel, ‘want de levensvoedende
straling van de zon komt juist
ook via de ogen het lichaam binnen.’ Hij is
ook geen voorstander van zonnecrèmes die
de acupunctuurpunten – die andere belangrijke
zonnevensters – bedekken.
Boswinkel weet dat er zonder licht geen
leven is. Niet alleen is al ons voedsel afhankelijk
van de zon, onze lichamen zelf
kunnen ook niet zonder dagelijks licht.
Het is algemeen aanvaard dat gebrek aan
daglicht
zorgt voor winterdepressies. Blinde
mensen bij wie de lichtval in hun ogen
niet via de pijnappelklier naar de hersenen
wordt doorgegeven, kunnen significante
storingen in hun fysiologische en emotionele
stabiliteit vertonen.
De Hongaarse biochemicus Albert von
Szent-Györgyi zei in 1937 bij de aanvaarding
van zijn Nobelprijs voor de ontdekking
van vitamine C: ‘Elke levende cel
heeft energie nodig voor al zijn functies,
maar ook voor het onderhoud van zijn
structuur. Zonder energie zou het leven
ogenblikkelijk stoppen en de cellulaire
structuur zou instorten. De bron van deze
energie is de straling van de zon.’
Maar zo gezond en vitaal als zonlicht
is, zo ondermijnend werkt het kunstlicht
waarin steeds meer mensen een steeds
groter deel van hun dag moeten doorbrengen.
Zonlicht biedt een evenwichtig kleurenspectrum,
kunstlicht daarentegen biedt
– afhankelijk van het soort – slechts een
beperkt deel van dit spectrum. Die beperking
verstoort de harmonie in het lichaam
en dat is het begin van elke ziekte. Ofwel:
ziekte begint met gebrek aan licht. De
boodschap van Boswinkel is dat de verstoring
van de harmonie in het lichaam ook
weer met licht kan worden verholpen.
We komen aan bij een zonovergoten
terras
voor de lunch. Boswinkel kiest voor
het tafeltje in de schaduw. Ik kijk hem vragend
aan. Dan lacht hij en zegt: ‘Ik geef
zelf al zo veel licht.
----------------
Ode's oprichter en hoofredacteur Jurriaan Kamp heeft hierbij besloten dat hij vaker naar buiten moet.
Voor meer informatie: biontology.com
Zaterdag 11 februari 2012 presenteert Ode een evenement met Johan Boswinkel.
Meer lezen?
Genezen is iets anders dan ziekten wegdrukken
Het instinct om te helen
De gave van aandacht
Volg Ode ook op Twitter of Facebook, via de digitale nieuwsbrief, of neem een proefabonnement op Ode voor slechts €3,33 per maand
MORE ON THIS STORY
Overleven op water en rijst
De ziekte van Lyme