Email   Print
Share  

Bouwen en bloeien

Om onze problemen op het gebied van maatschappij en milieu op te lossen, moeten we de economische groei niet afremmen, maar juist versnellen. Dat stelt de Britse journalist Daniel Ben-Ami, auteur van Ferraris for All: In Defence of Economic Progress.

Daniel Ben-Ami | 132 december 2010 issue

Als iemand de vooruitgang van de mensheid tijdens de afgelopen twee eeuwen zou moeten beoordelen, dan zou hij of zij door een enorme stapel ogenschijnlijk tegenstrijdig bewijsmateriaal moeten gaan. Werkelijk ongelooflijke prestaties zouden moeten worden afgewogen tegen de gigantische uitdagingen die er nog steeds zijn.

Er zijn veel voorbeelden van de vooruitgang van de mensheid. We zijn langer, gezonder, intelligenter (in ieder geval qua IQ) en beter opgeleid dan ooit tevoren. We hebben ook talrijke verbazingwekkende uitvindingen gedaan, zoals vliegtuigen, antibiotica, auto’s, computers, telefoons, spoorwegen en vaccinaties.
Dat betekent helaas niet automatisch dat er voor de mensheid geen uitdagingen meer zijn. Integendeel: de statistieken over armoede blijven somber. Daarnaast zijn er nog uitdagingen als klimaatverandering en vergrijzing: beide gaan waarschijnlijk veel geld kosten.

De vraag is dan ook hoe we kunnen voortbouwen op de enorme vooruitgang die de mensheid heeft geboekt en tegelijkertijd stappen kunnen zetten om de plaag van de schaarste uit te roeien. Om het antwoord hierop te vinden, heeft Ben-Ami de centrale rol die economische groei in dit hele proces speelt nader onderzocht. – en het grootste raadsel voor mij is waarom er zoveel vrees bestaat voor meer welvaart, terwijl deze, afgaande op de geschiedenis, zo - bevorderlijk kan zijn. Er is weinig dispuut over de stelling dat economische groei een belangrijke rol heeft gespeeld in de menselijke vooruitgang sinds de Industriële Revolutie. Historici en economen zijn het er in het algemeen over eens dat de economieën tot laat in de achttiende eeuw relatief weinig groei lieten zien. Daarna breidde de wereldeconomie zich over de hele linie sterk uit, al was de groei vaak ongelijkmatig en waren er -onderweg de nodige crises. Deze toegenomen welvaart was essentieel voor de menselijke vooruitgang. Niet alleen zorgde zij voor een enorme verbetering van de levensstandaard, zij hield ook nauw verband met ontwikkelingen in wetenschap en technologie. Zij heeft ontwikkelde landen getransformeerd en geleid tot aanzienlijke veranderingen in armere landen, al moeten zij nog steeds een inhaalslag maken. De ongelooflijke toename van het menselijke welzijn zou niet mogelijk zijn geweest zonder economische groei. Gezien deze spectaculaire verworvenheden zouden weinigen – behalve misschien de meest fanatieke milieuactivisten – willen terugkeren naar een armere wereld. Toch bestaat er een wijdverspreide vrees voor een verdere welvaartstoename, die het best kan worden omschreven als ‘groeiscepsis’. Deze neemt doorgaans de vorm aan van retorische steun voor groei die onmiddellijk wordt vergezeld door het argument dat er toch zeker wel beperkingen aan moeten worden gesteld: op het gebied van milieu, maatschappij en ethiek. Een van de belangrijkste visies die uitdrukking geeft aan het idee van beperkingen, is die van duurzaamheid. Wat dit betreft, is het in 1987 gepubliceerde Brundtland-rapport leerzaam. Deze historische publicatie van de Verenigde Naties, opgesteld door de voormalige Noorse minister-president Gro Harlem Brundtland, definieert duurzaamheid als volgt: duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Het bevat twee kernconcepten: het concept van behoeftes, in het bijzonder de basisbehoeftes van de armen op deze wereld, waaraan de hoogste prioriteit zou moeten worden gegeven; en het idee van beperkingen die door de stand van de techniek en de sociale organisatie worden opgelegd aan het vermogen van de natuur om in huidige en toekomstige -behoeftes te voorzien. Verschillende onderdelen van deze definitie zijn hier belangrijk. Zo is het idee van behoeftes ongelooflijk nauw geformuleerd: de nadruk ligt op de basisbehoeftes van de armen, in plaats van op een breder concept van vooruitgang. Ook suggereert de opvatting over ‘toekomstige generaties’ dat het beste wat we kunnen doen voor onze kinderen en kleinkinderen is nu terughoudend zijn. Het rapport is doordrenkt van het idee dat we milieugrenzen moeten accepteren – en dat is waarschijnlijk de meest voorkomende vorm van groeiscepsis. Groei mag dan goed zijn in theorie, maar wel binnen de huidige of toekomstige grenzen van het milieu. Helemaal gaan voor groei is in deze visie simpelweg niet duurzaam.

Maar klopt dit idee van milieugrenzen eigenlijk wel? Het is zeker zo dat bijvoorbeeld het bouwen van een fabriek kan leiden tot vervuiling. Maar het is ook waar dat economische groei middelen kan genereren om die vervuiling op te ruimen en het milieu schoner te maken, zodat het mensen meer van dienst kan zijn. Daarom zijn ontwikkelde landen doorgaans minder vervuild en schoner dan ontwikkelingslanden. Terwijl ze zich ontwikkelen, gaan landen heel duidelijk door een overgangstraject. In de vroege stadia blazen fabrieken in smerige steden smerige rook de lucht in, en daarna, wanneer ze rijker worden, maken ze de boel schoon. In Londen, waar ik woon, was cholera wijdverspreid halverwege de negentiende eeuw, met menselijke uitwerpselen die zo de Theems in stroomden. Vervolgens bouwden de autoriteiten een uitgebreid rioolnetwerk – toentertijd een baanbrekend waterbouwkundig project – en was het probleem opgelost. Tegenwoordig hebben arme landen het misschien zelfs makkelijker dan toen; ze hoeven niet opnieuw het rioolsysteem uit te vinden, of de moderne geneeskunde. In plaats daarvan hoeven ze slechts de middelen te verwerven waarmee ze het type infrastructuur dat al bestaat in het Westen kunnen betalen. Groeisceptici stellen vaak dat er nog een andere beperking is die een onoverkomelijke barrière vormt voor substantiële economische groei in de toekomst: ruwe grondstoffen zijn schaars. Vanuit hun -perspectief kunnen we slechts de hulpbronnen van één aarde gebruiken. Er zijn veel redenen waarom de veronderstelling van schaarse hulpmiddelen incorrect is. Neem nu energie. Al bijna een eeuw waarschuwen autoriteiten ons dat olie op het punt staat op te raken. Toch zijn de olievoorraden nog lang niet uitgeput. Nieuwe bronnen van olie worden telkens ontdekt – onder andere onder de zeebodem – en extractietechnieken worden telkens -verbeterd. In de toekomst wordt het wellicht ook mogelijk enorme hoeveelheden olie uit teerzandvelden te winnen of rijkelijk veel benzine te produceren met behulp van steenkool.

Misschien dat op een dag de olie echt bijna op is, of dat we olie te vies gaan vinden om te gebruiken. Dan zijn er nog steeds volop alternatieven. Technologische ontwikkelingen kunnen ervoor zorgen dat elektrische auto’s veel aantrekkelijker worden. Ook is het nu al mogelijk om enorme hoeveelheden energie op te wekken met behulp van kernsplitsing, terwijl in de toekomst kernfusie – het proces dat de zon aandrijft – onbeperkt energie zou kunnen leveren. Wellicht dat andere technologieën beter blijken te zijn, maar waar het hier om gaat, is dat ogenschijnlijk onoverkomelijke tekorten aan hulpbronnen kunnen worden opgelost. De menselijke inventiviteit kent geen grenzen. De vraag is niet hoeveel planeten we nodig hebben om de mensheid te onderhouden, maar hoe we deze ene planeet productiever kunnen maken. Daarnaast claimen groeisceptici dat klimaatverandering beperkingen voor groei creëert. Ook dat argument is gebaseerd op onjuiste aannames. De conventionele visie is dat we ons gedrag moeten aanpassen en offers moeten brengen om de aarde te redden. We zouden elektrische apparaten niet op stand-by moeten laten staan, geen warme baden nemen (of misschien zelfs helemaal niet in bad gaan?), en alleen plastic zakken moeten gebruiken als het echt niet anders kan. Zo’n benadering is niet alleen onwenselijk – het betekent de acceptatie van een vorm van rantsoenering in het Westen – maar ook het slechts denkbare antwoord op klimaatverandering. Het betekent dat we de mogelijkheid van grootschalige ontwikkeling van arme landen volledig uitvlakken. Het betekent dat we miljarden mensen -vertellen dat ze geen toegang kunnen krijgen tot vliegtuigen, auto’s, computers, moderne geneeskunde en nog veel meer zaken die we hier voor vanzelfsprekend aannemen. Om miljarden mensen zulke voor ons alledaagse producten te ontzeggen, is moreel gezien weerzinwekkend.

Kortom: een strategie die wordt verwoord in termen van opofferingen kan en mag niet het antwoord zijn op de enorme uitdaging die klimaatverandering vormt. Integendeel, ze moedigt kleinschalig denken aan in een tijd die juist vraagt om grote en gedurfde oplossingen. Globaal gesproken zullen er waarschijnlijk verschillende aanpakken nodig zijn. Allereerst: het verlagen van het CO2-gehalte van de energietoevoer door vormen van energie te ontwikkelen die minder of geen broeikasgassen uitstoten. Een mix van hernieuwbare energiebronnen, aardgas en kernenergie zal hiervan vermoedelijk deel gaan uitmaken. Daarnaast moeten we serieuze maatregelen nemen die de gevolgen van klimaatverandering opvangen, zoals het verhogen van de dijken en het ontwikkelen van gewassen die tegen droogte zijn bestand. Ten slotte is er misschien grootschalige geo-engineering nodig; een van de vele voorstellen uit dat nieuwe terrein is het kweken van kunstbomen die veel meer CO2 uit de atmosfeer halen dan echte -bomen. Wat al deze maatregelen met elkaar gemeen hebben, is dat ze duur zullen zijn. Om ze te kunnen betalen, zullen we méér middelen moeten genereren, niet minder. Daarom is zelfs vanuit het nauwe -perspectief van klimaatverandering gezien economische soberheid het slechts mogelijke pad om te volgen. We moeten nooit vergeten dat economische vooruitgang onze levens al ongelooflijk heeft verbeterd. Dat er nog steeds vele problemen zijn, is een argument voor méér groei in plaats van minder. De groei inperken betekent accepteren dat miljarden mensen in bittere armoede zullen blijven leven. Het versnellen van de groei daarentegen is een essentiële basis om de resterende uitdagingen van de mensheid het hoofd te bieden. De keuze zou simpel moeten zijn.

Daniel Ben-Ami is een Britse journalist en auteur van Ferraris for All: In Defence of Economic Progress, dat eerder dit jaar verscheen bij Policy Press.



Iedere maand Ode thuis ontvangen? Neem een proefabonnement en ontvang Ode 3 maanden voor 10 euro.

Lees ook:
Mensen aan de macht
Nieuwe keizers oude kleren
De tirannie van het geld
Volg Ode ook op Twitter

 
 


Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders:

   
Abonnement
Geef Ode cadeau
Nieuwsbrief