Opdat Max Havelaar overal zal zijnWaarom ik Nederlands belangrijkste roman heb hertaald. Literatuur met een grote L heeft eeuwigheidswaarde. Griekse tragedies, de koningsdrama’s van Shakespeare, de komedies van Molière: ze gaan allemaal over het meestal droevige en soms vrolijke lot van de menselijke soort. Juist daarom is Max Havelaar, dit jaar honderdvijftig jaar geleden verschenen, zo’n monumentaal boek. Een buitenlandse vriend vraagt: typeer Nederland eens in een paar woorden. Je antwoordt: Nederland is het land van de koopman en de dominee. De koopman heet Batavus Droogstoppel. Hij is makelaar in koffie en woont op de Amsterdamse Lauriergracht. Hij werkt hard (vindt hij zelf), vreest God de Heer, voedt zijn kinderen op met straffe handen en dat allemaal om eerst fortuin te maken en daarna in Driebergen te gaan rentenieren. Begrippen als verantwoord of duurzaam ondernemen bestonden nog niet in de tijd waarin Droogstoppel tot leven werd gewekt, halverwege de negentiende eeuw. Armoede? Medemenselijkheid? Hoor hoe Droogstoppel met zijn personeel omgaat. Hij vertelt over Lukas, de pakhuisknecht, die op een dag te oud wordt om nog te kunnen sjouwen. ‘Die Lukas is een nette kerel, maar wordt hij nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die zijn boterhammen smeert? O nee, hij is arm en hij blijft arm, en zo moet het ook zijn. Ik kan hem niet helpen, want we hebben jong personeel nodig.’ Koopman Droogstoppel gaat trouw ter kerke. De donderpreken van dominee Wawelaar brengen hem in vervoering. Luister mee hoe Wawelaar tekeergaat vanaf de kansel: ‘Zie nu de eilanden van de Indische Oceaan, bewoond door miljoenen en miljoenen kinderen (…) van de terecht verstoten zoon van de edele Noach! Dáár kruipen zij rond in de walgelijke slangenholen van heidense onkunde, daar buigen zij het zwarte kroesharige hoofd voor hun priesters, die slechts eigenbelang najagen!’ Koopman Droogstoppel en dominee Wawelaar zijn romanfiguren uit Multatuli’s Max Havelaar, of de koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij. Het is, naast de Bijbel (in de Statenvertaling uit 1637), het enige boek in het officiële Canon van de Nederlandse geschiedenis. Elke Nederlander zou het dus gelezen moeten hebben, of in ieder geval de inhoud en betekenis ervan moeten kennen. Maar helaas: de honderdvijftig jaar oude Max Havelaar geldt inmiddels als een moeilijk leesbaar werk, dat scholieren zelden nog op hun boekenlijst zetten. Om die reden heb ik het boek hertaald in modern Nederlands en bewerkt tot een versie die een vijfde korter is dan het oorspronkelijke werk. Vele avonden en weekeinden heb ik aan de hertaling besteed. Waarom eigenlijk? Uit literaire missiedrang? Dat niet in de eerste plaats. Voor mij vertegenwoordigt Max Havelaar twee terreinen waaraan ik een belangrijk deel van mijn vrije tijd besteed. Het zijn: de Nederlandse geschiedenis en fair trade. Als hobby-historicus publiceer ik wel eens over ‘vaderlands-historische’ onderwerpen. Als vrijwilliger zet ik mij in voor de Wereldwinkel in Oegstgeest. Oppervlakkig bezien zijn geschiedenis en fair trade twee verschillende terreinen, maar voor mij zijn het twee kanten van dezelfde medaille. Beide verschaffen een focus om voorbij de eigen horizon te kijken. Of, anders gezegd: vergroting van historisch besef en mondiaal bewustzijn geven het leven meer reliëf en diepgang. Mij brengt het de conclusie dat we leven op een uitzonderlijk rijke plek in de wereld, in een uitzonderlijk rijke fase van ‘onze’ geschiedenis.
1
2
NEXT >>
|
|


