Optimisme is een morele plichtWat heeft lachen te maken met het verbeteren van de wereld? Bij een eerste verkenning van de vraag kom je uit bij allerlei initiatieven die een glimlach veroorzaken, zoals het Blijbedrijf. Deze organisatie van de Amsterdamse ‘maatschappelijk uitvinder’ Elena Simons ontplooit activiteiten vanuit de gedachte dat meer vrolijke mensen een betere wereld betekent. Die gedachte – hoe eenvoudig ook – blijkt wetenschappelijk bewezen te zijn. Iemand aan het lachen maken is een goede daad. Immers, het is geen geheim dat lachen ook goed is voor de gezondheid. Lachen geeft een signaal aan de hersenen om endorfine aan te maken, wat een kalmerend en pijnstillend effect heeft. Het lichaam ontspant, wat goed is tegen stress, en er worden antistoffen aangemaakt tegen virussen. Een wereld met meer gezonde mensen is ook een betere wereld. Van lachen is het een kleine stap naar optimisme, wat een ander verband onthult met het streven de wereld te verbeteren. Niet zozeer omdat optimisme gezond is – al schijnen optimisten ongeveer zevenenhalf jaar langer te leven dan pessimisten, stelde psycholoog Martin Seligman – maar omdat het cruciaal is voor de vooruitgang in de wereld. Het is de basis voor gedachten over een betere wereld. Optimisme is de noodzakelijke voorwaarde om te geloven dat het anders kan. Yes we can! De twintigste-eeuwse wetenschapsfilosoof Karl Popper stelde zelfs dat optimisme een morele plicht is. De mens móet geloven dat de wereld zoals die vandaag is, niet de beste aller werelden is, stelde Popper, en dat er altijd ruimte is om zaken te verbeteren. Veel mensen zijn het overigens snel eens over het belang van optimisme. Sterker, optimisme is feitelijk de norm, want mensen die het niet kennen en aan depressies leiden, hebben een stoornis. Uit allerlei onderzoek blijkt ook dat de meeste mensen optimisten zijn. Waarom moet optimisme dan tot een ‘morele plicht’ worden verheven, terwijl het ons al zo natuurlijk voorkomt? Ook ik behoor tot het optimistische soort. Ik ben altijd vrolijk, lach veel en hard en roep voordurend dat we deze wereld anders -kunnen maken. Maar nu ik in mijn diepste wezen heb ervaren hoe waardevol het leven is en besef hoe belangrijk het is om te strijden voor een beter leven – omdat ik met de plotselinge dood van ons zoontje een groot verlies heb geleden – is de ironie dat ik me niet meer zo vol optimisme voel. De morele plicht van Popper begint me helder te worden. Popper wist allang dat het voor de meeste mensen geen enkel -probleem is om optimistisch te zijn. Het zit in hun aard. Hij wilde juist mensen overtuigen die deze aard níet hebben. Ook al voel je je vandaag niet goed, al ben je chagrijnig of verdrietig; er is geen alternatief dan te geloven dat het anders kan en dus een optimistisch gemoed te hebben. ‘We have a duty, instead of predicting something bad, to support the things that may lead to a better future.’ Pessimisme bevestigt de status quo en die is vaak juist de reden van ons ongeluk. Als we niet meer geloven dat we in staat zijn om onze ellende te keren, waarom zou je dan nog verder willen leven. Hij wilde het optimisme, het geloof in een betere wereld, losmaken van de toevallige gevoelens van geluk of blijheid. Optimisme als morele plicht betekent dat mensen ondanks dat ze bang zijn voor verandering, ondanks hun persoonlijke humeur, ondanks hun kennis over de risico’s van bepaalde keuzes, deze toch maken. En dat doen ze omdat ze willen geloven dat de kans om een goede uitkomst groter is dan de kans dat het mislukt. Daarom worden mensen verliefd, daarom willen mensen kinderen maken, daarom worden er prachtige uitvindingen gedaan. En daarom blijf ik ondanks mijn vreselijke humeur van de laatste tijd toch een onverbeterlijke optimist.
|
|


