|
|
Eigen economie eerst?
Waarom economisch nationalisme niet vaderlandslievend is.
Met de wereldeconomie die zich in een recessie stort, staat ook de globalisering in haar achteruit. De eens opwaartse spiraal van economische groei is omgebogen in een vicieuze cirkel van instortende vraag en afnemende handel. Geconfronteerd met de zwaarste economische teruggang sinds de Grote Depressie, beloven overheden de fouten uit de jaren dertig niet opnieuw te zullen maken. Op de bijeenkomst van de G-20 eind vorig jaar, verklaarden de leiders van de 22 grootste economieën protectionisme te verwerpen. Maar ze houden zich niet aan hun woord – en dat is zeer schadelijk.
Over de hele wereld heeft het economisch nationalisme onheilspellende vormen aangenomen, niet alleen in de financiële sector, maar ook op het gebied van handel, investeringen en de arbeidsmarkt. Banken die staatssteun ontvangen krijgen de opdracht hun leningen binnen de landsgrenzen te houden. Politici dringen er bij mensen en bedrijven op aan lokaal te kopen. Aziatische landen reageren hierop met eigen campagnes die oproepen tot ‘lokale consumptie’. Rusland heeft een muur van importheffingen ingesteld. India houdt Chinees speelgoed zelfs helemaal tegen. Landen in de Europese Unie maken onderling ruzie. In Groot-Brittannië is er gestaakt tegen arbeiders uit andere EU-landen, terwijl die het recht hebben daar te werken.
De logica achter dit economisch nationalisme is simpel: zodra de economische taart kleiner wordt, is er des te meer reden om ervoor te zorgen dat het restant naar de eigen hongerige arbeiders en noodlijdende bedrijven gaat. Maar als iedereen om de restjes vecht, dan wordt de taart nog kleiner. Waarom? Omdat protectionisme een belasting op handel is die de wereldwijde vraag alleen maar verder doet afnemen. Duurdere importproducten betekent minder koopkracht, wat de armen het hardst treft. En omdat de importen van het ene land de exporten van het andere zijn, resulteert het in een kleinere vraag naar handelsproducten.
Omdat protectionisme leidt tot een kleinere vraag, kost het ook banen. Voor elke baan die behouden blijft in branches die concurreren met importproducten, gaan er meerdere verloren in exportsectoren en in de rest van de economie. Zo kan het duurder maken van Amerikaans staal sommige banen in die industrie redden, maar het gaat ten koste van andere werknemers in gezonde bedrijven als Caterpillar, dat afhankelijk is van betaalbaar staal. En het ontmoedigen van buitenlandse arbeiders – of erger nog, het uitzetten van mensen die al aan het werk zijn – resulteert in een verminderde vraag naar de goederen en diensten die zij consumeren, en daarmee ook in minder banen voor diegenen die ze maken. Minder buitenlandse bouwvakkers betekent minder werk voor lokale interieurontwerpers en mensen die bouwmaterialen verkopen. Protectionisme zorgt niet alleen voor een afnemende vraag, maar draagt ook bij aan een verdere ontwrichting van de economie. Het laatste wat een hightech bedrijf met een groot gebrek aan krediet nodig heeft, is ook nog eens waardevolle buitenlandse werknemers te moeten missen – vooral omdat hun denkkracht belangrijk is voor het uiteindelijke herstel.
Er wordt soms beweerd dat ‘tijdelijk’ protectionisme bedrijven de mogelijkheid biedt zich opnieuw uit te vinden. Maar de prikkels van het protectionisme zorgen er juist voor dat dit niet gebeurt. Bedrijven met een monopolie op de lokale markt melken deze markt meestal uit in plaats van op zoek te gaan naar meer concurrerende markten in het buitenland. En hoewel protectionisme vaak begint als een ‘tijdelijke’ maatregel tegen een crisis, hebben bedrijven die ervan profiteren er alle baat bij nieuwe redenen te bedenken om het in stand te houden. Kijk maar naar het landbouwbeleid van de EU, oorspronkelijk ontworpen om Europeanen van de hongersdood te redden; tegenwoordig verhinderen de miljardensubsidies dat boeren uit niet-EU-landen in Europa kunnen concurreren. Protectionisme weerhoudt de wereldeconomie ervan zich te herstellen, in plaats van haar te stimuleren.
De juiste manier om de vicieuze cirkel te doorbreken bestaat uit gecoördineerde overheidsmaatregelen om de wereldwijde vraag aan te zwengelen – een combinatie van fiscale stimuleringspakketten, onconventionele monetaire beleidsmaatregelen en de nationalisatie en herstructurering van ‘zombie-banken’ die de economie naar beneden sleuren. De werkgelegenheid kan gestimuleerd worden door grote kortingen op de loonbelasting en gulle steun voor werknemers, om hen te helpen zich om te scholen en een nieuwe baan te vinden. Door economisch nationalisme ontstaat het risico dat deze vervelende recessie omslaat in een depressie. Er is een betere weg.
Philippe Legrain is auteur van Open World: The Truth about Globalisation en Immigrants: Your Country Needs Them. Zijn nieuwe boek gaat over de toekomst van globalisering.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |



You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.