|
|
Niet kijken, maar ervaren
Belevingstoerisme: reizigers hebben een geweldige tijd en doen ondertussen iets terug voor de plaatsen die ze bezoeken.
De Eiffeltoren. De Big Ben. De Taj Mahal. Nog maar twintig jaar geleden waren dat de streepjes op de moneybelt van reizigers, die verder vol zat met travellerscheques. Tegenwoordig reizen we moderner. Goedkope vliegtickets en westerse rijkdom - ja, zelfs in deze kredietcrisis zijn we betrekkelijk rijk - hebben reizigers naar iedere uithoek van de wereld gebracht. We springen op een transcontinentale vlucht gewapend met onze pinpas, die we kunnen gebruiken in geldautomaten van Dubai tot Denali.
Maar alleen de bezienswaardigheden bezoeken, is niet meer genoeg. We willen afdwalen van die gebaande wegen, dieper doordringen, zien hoe de mensen leven, werken en spelen. Bijvoorbeeld door bij een restaurant te eten dat populair is bij de plaatselijke bevolking, of door mee te doen aan lokale tradities of plaatsen te bezoeken die in de meeste reisgidsen niet voorkomen. In de toerisme-industrie wordt dat ‘belevingstoerisme’ genoemd – reizen die we ervaren in plaats van alleen maar observeren. Het is nog nooit zo populair geweest, ook omdat het doorgaans goedkoper is dan traditionele reizen. We mogen dan misschien krap zitten, maar we willen nog steeds op vakantie, en sommige mensen willen gewoon ver weg. Het is ook populair omdat we graag ‘lichter’ willen reizen als het gaat om onze impact op het milieu en op de mensen die we bezoeken. We willen iets terugdoen.
Het verlangen om andere culturen te ervaren door middel van activiteiten en mensen gaat dieper dan het zoveelste land aan ons lijstje te willen toevoegen, hoewel dat ook een rol speelt. Het is even fundamenteel als het leven zelf. Onze medemensen transcenderen ons. Uiteindelijk herinneren we ons de in boerka geklede, hardop biddende vrouw in de trein net zo goed als de eeuwenoude schatten in het museum.
Als ik terugdenk aan een van de hoogtepunten in mijn leven – het noorderlicht in de Northwest Territories, Canada, in 2002 – beleef ik ook opnieuw de gastvrijheid van de dorpelingen in het piepkleine Fort Smith, die voor me kookten, me meenamen op een hondenslee en van wie ik een kentekenplaat in de vorm van een ijsbeer kreeg, die nu bij me thuis aan de muur hangt. De meest blijvende indruk van mijn elf weken lange rugzaktrip door Europa in 1982 is mijn dertigjarige vriendschap met Frederico, die in het Italiaanse Vicenza woont. Zelfs als ik rondreis in mijn eigen land, de Verenigde Staten, om bijvoorbeeld onderzoek te doen voor een boerderijenreisgids, onderscheiden de boeren zelf zich net zozeer als hun gewassen of het uitgestrekte landschap.
Ik ben niet de enige die zo reageert. De afgelopen acht jaar interviewde ik honderden mensen voor mijn column Where They Went in The Boston Globe over de reizen van anderen. Steevast vertellen zij over avonturen, bezienswaardigheden en smaken, maar bijna altijd voegen ze eraan toe: ‘Het leukste van de vakantie waren de mensen. Ze waren zo aardig, zo hartelijk, zo gastvrij.’ En steeds opnieuw krijg ik verhalen te horen over de mensen die ze ontmoet hebben, vooral als de reizigers een kijkje hebben mogen nemen in een gemeenschap of een familie.
Tegenwoordig hebben zelfs de grootste reisorganisaties ‘belevingsreizen’ in hun pakket, dat verder heel standaard is. De Amerikaanse organisatie Grand Circle Travel biedt bijvoorbeeld voor 2009 een cruise annex rondreis China and the Yangtze River. Hierbij bezoeken de achttien tot 24 deelnemers niet alleen de Chinese Muur, Peking en Hongkong, maar gaan ze ook naar een kleuterschool of ouderencentrum en lunchen ze een keer bij mensen thuis. Voor de toerist die een minder georganiseerde versie van deze gastvrijheid wil zien, zijn er in veel steden allerlei soorten community-based of plaatselijk georganiseerd toerisme, dat een initiatief is van de burgers in plaats van nationale of internationale reisorganisaties.
Als we dieper willen doordringen, moeten we wel onze eisen op het gebied van veiligheid en een ‘niet goed, geld terug’-garantie wat aanpassen. Dat kan op zichzelf heel leerzaam zijn. Ik herinner me een ‘ecotoeristische’ en ‘community-based’ trektocht die mijn man en ik hadden uitgezocht op Lombok in Indonesië. De gidsen namen regelmatig een rookpauze, ze staken ons kampvuur aan met behulp van scheuten benzine uit jerrycans die ze bij zich hadden en ze gooiden onderweg hun afval van zich af. De ritsen van onze slaapzakken waren kapot en de tent lekte. Later meldde ik dit alles bij de organisator, die in de hoofdstad Mataram woonde, kilometers en werelden verwijderd van onze bestemming. Hij bood uitgebreid zijn verontschuldigingen aan en zei dat hij had geprobeerd de dorpelingen de basiselementen van toerisme uit te leggen. Aan de andere kant moet ik zeggen dat ik zo wel echt heb gezien hoe de mensen daar leven. Het is een wisselwerking. En ik vond het veel leuker om geld te geven aan de mensen in het dorp dan aan een internationale reisorganisatie. Nadat hij me enthousiast had horen vertellen over de voordelen van het uit de touringcar stappen, vertelde een touroperator die luxe safari’s in Afrika aanbiedt me trots dat hij aan het eind van zijn luxe rondreis van lodge naar lodge in Tanzania zijn klanten meeneemt naar de stad Arusha, waar ze arme wijken bezoeken en cadeautjes geven aan de kinderen. ‘We hebben wat geld gegeven aan een bibliotheek’, zei hij. ‘Iedereen kwam er diep onder de indruk vandaan. Het gekke was dat ze - na het zien van al dat grote wild - dit toch het meest gedenkwaardige van de hele reis vonden.’ Ik opperde nog dat hij dat uitstapje ook naar het begin van de reis kon verplaatsen, zodat de toeristen eraan terugdenken als ze onderweg in aanraking komen met Tanzaniaanse werknemers. ‘Nou nee, dat zou te veel voor ze zijn’, zei hij daarop.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |



You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.