|
|
'Ik leidde een dubbelleven als prediker en rapper'
De reis van drugsdealer naar rapper tot soefimysticus: een fragment uit Abd al Maliks boek.
Ik praktiseerde de islam als een verzameling geboden die ik alleen maar nauwgezet hoefde na te leven. Mijn voldoening was des te groter doordat ik alles opmerkte waaraan ik door mijn discipline ontsnapte. Terwijl wij een nachtwake hielden, hingen de jongeren aan de voet van het flatgebouw joints te roken en het ene blikje bier na het andere achterover te slaan – halve liters van het bekende Nederlandse merk waar flink wat alcohol in zit. Ze zopen en schopten herrie, schreeuwden onvoorstelbaar achterlijke onzin en als ze geen fut meer hadden voor iets anders hielden ze gewelddadige knokpartijen onder elkaar. Meestal werd dat hele tafereel nog opgeluisterd door de gierende banden van gestolen auto’s.
Ons ideaal in die tijd was net zo te leven als moslims ten tijde van de Profeet. Voor ons vormde de moderne wereld met zijn platvloerse en materialistische waarden, zijn minachting voor waardigheid en het spirituele in de mens, een afwijking in de geschiedenis, een kankergezwel zelfs, dat alleen met de instrumenten van de islam genezen kon worden. En uiteraard verkeerden wij, als moslims die waren ondergedompeld in deze Westerse werkelijkheid, bij uitstek in de positie om deze stand van zaken te bekritiseren en te corrigeren. Dankzij deze zwart-witvisie konden er, ondanks de ogenschijnlijke oprechtheid van onze utopistische overtuigingen, ieder moment weer haatgevoelens oplaaien.
Waren we niet allemaal vernederd tijdens simpele, maar systematische identiteitscontroles? Waren sommigen van ons niet slachtoffer geworden van politiegeweld? Hoe veel leeftijdgenoten hadden we niet verloren aan auto-achtervolgingen? Hoe vaak was een ‘politieblunder’ of een zware verdenking van de opzet om een ‘nikker’ of een ‘bruinjoekel’ te vermoorden niet onbestraft gebleven? Wie van ons was niet vernederd door de pesterijen en het aantoonbare racisme dat inherent was aan onze betrekkingen met politie, collega’s en overheidsbeambten? Uiteindelijk kon elke gebeurtenis die ons ook maar zijdelings raakte de aanleiding zijn die ons islamitische altruïsme deed omslaan in totale, ongebreidelde haat tegen het Westen.
Mijn recente toetreding tot de muziekwereld, die naar ik geloofde onverenigbaar was met mijn religieuze praktijk – volgens sommige autoriteiten is muziek haram (onrein, verboden) – plaatste me voor een genadeloos dilemma. Ik bleef optreden als rapper, maar meer zoals een patiënt die zich aan de behandeling voor een gênante aandoening houdt. Ten slotte bedacht ik voor mijn rap-activiteiten een motivatie die op een tamelijk kromme logica berustte: hoe sneller we professioneel vooruitgingen en succes kregen, hoe sneller ik eruit kon stappen om me helemaal aan de islam te wijden. Ondertussen leidde ik een dubbelleven als prediker en rapper – terwijl ik ook nog studeerde. Ik zag er angstvallig op toe dat niemand van de mensen bij wie ik spiritueel betrokken was ook maar iets merkte van mijn muzikale bezigheden.
Toen ons eerste album, La Racaille Sort un Disque (Het tuig maakt een plaat), eindelijk in de platenwinkel lag, werd het een echte hit. Het doel van dit album was allereerst te laten zien dat jongeren uit de achterstandswijken wel degelijk iets konden presteren en dat we niet alleen in staat waren ons te uiten, maar – wat een verrassing! – zelfs aantoonbaar over intelligentie en diepgang beschikten. Met La Racaille (racaille, grofweg te vertalen als tuig, is de denigrerende term die in Frankrijk voor niet-blanke immigranten wordt gebruikt) pakten we een term terug die was gebruikt om ons te stigmatiseren, en bombardeerden hem tot geuzennaam – precies zoals elders de militantste Afro-Amerikaanse radicalen zich niggers noemden in plaats van blacks. De landelijke erkenning die we kregen overtrof onze stoutste verwachtingen. We werden de sterren van de achterbuurt.
Onze manager Nadir was de drijvende kracht achter het succes van ons eerste album geweest, maar de dag waarop zijn vroegere leven hem eindelijk inhaalde, kon niet uitblijven. Na een jaar voorarrest moest hij opnieuw voor de rechter verschijnen, die hem wegens een gewapende overval tot tien jaar cel veroordeelde. Vrijwel tegelijkertijd begon mijn jongste broer Stéphane weg te zinken in de gewelddadigste vormen van crimineel gedrag. Hij bleef regelmatig de hele nacht weg, hing rond met de boefjes van de achterstandswijk, rookte en dronk zich suf en draaide onvermijdelijk nog voor hij meerderjarig was de bak in.
Al die ellende achter elkaar maakte me ervan bewust hoe betrekkelijk alles wat ik tot absolute waarheid had bestempeld eigenlijk was. Het belijden van de diepe overtuiging (zonder die ooit openlijk uit te spreken) dat wij, de moslims, aan de ene kant stonden en de ongelovigen (de kafir) aan de andere, had ertoe bijgedragen dat deze dubbelhartigheid in mij bleef voortduren. Deze voortdurende tegenstrijdigheid, deze discrete en hypocriete afstandelijkheid tot het lijden, maakte duidelijk dat al mijn daden, zelfs al dacht ik dat ze vroom waren, op den duur slechts uitliepen op óf een paradox, óf een voortdurende noodzaak tot liegen. Ik kon duidelijk zien dat er geen ‘wij’ of ‘zij’ bestond, alleen maar mannen en vrouwen op zoek naar geluk. Ik voelde heel sterk dat we allemaal alleen maar ‘een’ waren, dat elk concept van een radicale splitsing van de mensheid in twee kampen niet meer dan een geruststellende leugen was. Aanvankelijk leek de islam me wel te hebben geholpen, maar nu merkte ik dat ik met mijn rug tegen de muur stond, dat mijn vertrouwen niet groter was dan aan het begin van mijn reis. Alles wat ik met zo veel vuur had aangeleerd – een warrige mengelmoes van authentieke spirituele waarheden en achterlijke slogans – kon me niet helpen. Mijn honger bleef ongestild.
Toen nam de leider van onze groep me op zekere dag apart in onze moskee en gaf me een lange preek. Het kwam erop neer dat hij me beval totaal met rappen te breken, omdat muziek volgens hem een levensgevaarlijke bedreiging vormde voor mijn islamitische praktijk. Om de scherpte van zijn kritiek en zijn dreigementen met goddelijke toorn iets te verzachten, vertelde hij me ook dat hij een enorme fan van de Amerikaanse zanger Barry White was geweest, maar niet had geaarzeld al zijn lp’s te vernietigen voor Gods goede zaak. Sindsdien, zei de leider nadrukkelijk, was het alleen maar beter met hem gegaan. Vervolgens moest ik de afkeurende blikken van mijn groepsgenoten onder ogen komen en misschien hield ik aan die beproeving nog wel de pijnlijkste indruk over. Ik vroeg me af of ze misschien toch niet gelijk hadden. Het was onmogelijk zulke strijdige activiteiten nog langer met elkaar te verzoenen. Terwijl ik die moeizame periode van twijfels doormaakte, tekende het grote label BMG een geweldig contract voor ons tweede album, dat was getiteld La Fin du Monde (Het eind van de wereld). Terwijl we bezig waren met de opnamen voelde ik een dwingende behoefte om die activiteiten in overeenstemming te brengen met mijn religieuze overtuigingen. Ik nam een belangrijke beslissing: nooit meer zou ik genoegen nemen met een houding van oppervlakkige godsdienstigheid en nooit meer zou ik mijn artistieke bezigheden kunstmatig scheiden van mijn spirituele pad. Maar wat nog onduidelijk bleef, was hoe ik dit voornemen naar de praktijk ging vertalen.
Ik raakte in de ban van soefigeschriften, die me soms tot huilens toe konden overweldigen. Maar ik bleef ervan overtuigd dat zo’n soort spirituele praktijk niet langer mogelijk was, dat daar in onze tijd geen inwijdingspad meer voor bestond. Het verbreden van mijn religieuze ontwikkeling was tevergeefs geweest; de bron van Zijn bleef nog steeds ergens verborgen, zonder dat ik ophield in zijn betekenis te geloven. Mijn daden, mijn zienswijzen en mijn frustraties konden uit alle vragen die het leven me stelde uiteindelijk maar één hoofdvraag formuleren: wie werd er door die betekenis voor mij versluierd?
Dit intuïtieve gevoel, dat er achter de sluier iets als een soort volkomenheid bestond, was iets wat ik altijd had gehad. Het had zich bijvoorbeeld gemanifesteerd in de innerlijke opschudding die ik had ervaren toen ik voor het eerst soefiteksten las. Die ervaringen hadden me ertoe gebracht los te laten en me open te stellen voor het werkelijke, in een mate die dieper ging dan wat ik had ervaren in de criminaliteit en het leven in de achterstandswijken. Dat voelde ik nu en de soefi’s bevestigden slechts wat ik voelde: alles wat ik tot nu toe had ervaren, met inbegrip van mijn omzwervingen in de doolhof van instituten en ideologieën die prat gingen op hun islamitische identiteit, zelfs met inbegrip van het rappen en mijn leven als artiest, was slechts een sluier in vergelijking met mijn persoonlijke wezen, die diepe bron waar ik me een weg naartoe moest banen.
Vanaf mijn kinderjaren had ik altijd, zowel op school als op straat, de leiderspositie ingenomen, die van de onafhankelijke oproerkraaier die invloed uitoefent zonder invloed te ondergaan. Die arrogante figuur schrompelde weg. In feite was de prediker niet anders dan de crimineel: ik had alleen aan de oppervlakte met mezelf geworsteld, om weg te vluchten voor wat me in het diepst van mijn wezen te boven ging. Ik was altijd trots geweest en had geloofd dat ik intelligenter was dan al die anderen en nu merkte ik dat er een indrukwekkende onwetendheid in mij gaapte.
Sufi Rapper: The Spiritual Journey of Abd al Malik| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |



You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.