|
|
De weg naar geluk
Paulo Coelho over Acacio Augusto Castro da Paz, die pelgrims de weg wijst naar Santiago de Compostela.
Moe maar voldaan komen ze het Praza do Obradoiro op wandelen, de moderne pelgrims die hier in de heilige Spaanse stad Santiago de Compostela hun tocht afronden. Het imposante plein bij de kathedraal is het eindstation van een lange wandeling voor de honderdduizenden die dit doen tussen april en november, meestal vanuit het Franse Pyreneeëndorp St. Jean Pied de Port. Je herkent ze aan hun volle rugzakken en hun grote stokken, waaraan een schelp bungelt als symbool van Sint Jakobus (Sant’Iago), de heilige naar wie deze stad is vernoemd. Veel mannen hebben hun baard laten staan en vrijwel alle wandelaars stralen een aanstekelijk soort voldoening uit. Nog een paar stappen over de trappen en dan zijn ze in het heilige der heiligen: de eeuwenoude kathedraal waar ze in de dagelijkse dienst de zegen krijgen van de dienstdoende priester.
Acacio Augusto Castro da Paz bekijkt de peregrinos, zoals de Spanjaarden de wandelaars noemen, met een glimlach als we elkaar ontmoeten aan de voet van de kathedraal. Meteen na onze kennismaking vertelt de Braziliaan dat je hier eigenlijk op je rug moet gaan liggen, met je hoofd omhoog, kijkend naar de kathedraal. ‘Dan krijg je die andere blik op de wereld, die je tijdens die wandeling ook zo vaak krijgt.’ Die andere blik bracht Da Paz een decennium geleden tot het besluit een lucratieve carrière en een uitbundig leven in zijn geboorteland Brazilië op te geven om voor de pelgrims in Spanje te zorgen. Vijftig jaar is hij inmiddels, Da Paz, en hij weet als geen ander wat de pelgrims die op het plein om hem heen lopen, meemaken. Ruim tien jaar geleden wandelde hij zelf voor het eerst deze stad binnen – en het zou niet de laatste keer zijn. Hij had op zijn tocht van de Franse grens naar Santiago zijn hoofd willen leegmaken, zoals miljoenen pelgrims dat al sinds de Middeleeuwen doen. ‘Er zeurde iets en ik wilde weten wat het was’, vertelt hij terwijl we het plein afwandelen, op zoek naar een café. ‘Ik had een goed leven in Brazilië, ik werkte hard, verdiende veel geld, maar iets zei me dat ik dat leven radicaal moest veranderen.’ Tien jaar daarvoor had hij De pelgrimstocht naar Santiago gelezen, de wandelbijbel van Paulo Coelho, die velen inspireerde om de tocht te maken. Toen al werd zijn plan geboren zijn eigen pelgrimstocht te maken. Hij kende Coelho een beetje uit de bars in hun gemeenschappelijke geboortestad Rio de Janeiro en was onder de indruk geraakt van diens werk. Maar het duurde tot z’n veertigste jaar voordat Da Paz de moed en de rust had verzameld om de wandeling te maken.
‘Ik was veel teveel met geld bezig. Ik was een goeie verkoper en kan mensen winnen voor mijn ideeën’, vertelt hij boven een glas rode wijn dat we drinken in het tot grand café omgebouwde oude casino van Santiago aan de Rua do Vilar. In zijn linkeroor schittert een kleine oorbel boven de grijze stoppelbaard en op zijn hoofd blijft onafgebroken, ook binnen, een zwart honkbalpetje zitten. Da Paz schetst zijn leven tot dan toe met lichte tegenzin, want hij leeft liever in het nu. Maar omdat dat ‘nu’ alleen kon ontstaan door wat eraan voorafging, loopt hij door zijn geschiedenis. Hij verhaalt over zijn drie huwelijken en de vier zonen die daaruit voortkwamen, over zijn werk (de distributie van farmaceutische artikelen naar ziekenhuizen) en over de dingen uit zijn curieuze arbeidsverleden waar hij met schroom op terugkijkt: de boottochten voor zakenmannen die op luxe jachten de zee op gingen ‘voor zaken’, maar vooral om zich te vermaken met de mooie dames die Da Paz voor hen ronselde en aan boord bracht. Hij is er niet trots op, maar het paste in zijn leven van toen, het leven dat draaide om zo snel mogelijk heel veel geld verdienen.
In dat leven waren zijn jeugddromen niet vervuld en misschien voedde dat ook wel zijn onvrede, denkt hij nu. Da Paz was een goede voetballer – een heel goede zelfs, al zegt hij het zelf. Hij speelde samen met de latere ster Zico, die het Braziliaanse team begin jaren tachtig leidde. Als tiener leek Da Paz voorbestemd om de generatie van topvoetballers als Socrates, Falcao en Julio Cesar van zijn land te versterken; hij verdiende ook geld met zijn sport. Maar op zijn zeventiende stopte hij. Voetbal bracht hem toch niet het geluk dat hij zocht. Hij begon een opleiding om een andere jeugddroom in vervulling te laten gaan: helikopterpiloot. ‘Ook dat lukte me’, zegt hij. ‘Ik was ambitieus en studeerde hard, maar toen ik het diploma eenmaal had, was de lol eraf.’ Het bezit van de zaak als einde van ’t vermaak…
Het probleem in Da Paz’ leven was het doel waar hij steeds maar achteraan bleef jagen: geld. Na zijn eerste camino – zoals de wandeltocht van de pelgrims in de Spaanse volksmond heet – begon het kwartje te vallen. Maar de Braziliaan moest nog veel wandelkilometers afleggen voordat hij rigoureus durfde te breken met het leven dat hij leidde. ‘Mijn hoofd moest helemaal leeg. In 1999 heb ik drie keer de camino gelopen en pas daarna wist ik wat ik wilde. Ik stond hier op het plein en heb mijn retourticket naar Rio verscheurd. Ik hoefde niet meer terug, maar wilde hier blijven.’
In de eerste weken logeerde hij bij een vriend in Santiago. En elke dag meldde hij zich, gewassen en geschoren, tegen zes uur ’s avonds bij de Parador dos Reis Catolicos, het oude klooster waar vroeger alle pelgrims werden opgevangen en gratis te eten kregen. Later werd dit complex omgebouwd tot een prachtig hotel, maar de traditie bleef in aangepaste vorm bestaan en tegenwoordig is er voor de eerste tien pelgrims die zich aan de poort van het hotel melden een gratis maaltijd. ‘Ik heb me daar een maand lang elke avond gemeld om te ervaren hoe het is om zonder geld te leven’, vertelt Da Paz. De ogen stralen vanachter zijn kleine bril. ‘Dat beviel me prima en dat was voor mij het bewijs dat ik dat nieuwe leven aankon.’ Het leven van uitgeven was voorbij, een leven van vragen en ontvangen begon.
Aan het eind van die maand vroeg hij de organisatie van de wandelroute – achter de wandelroute naar de heilige stad gaat een grote organisatie schuil die drijft op vrijwilligers, de kerk en de staat – of hij als vrijwilliger aan de slag kon. En in de zeven jaar die volgden, werkte Da Paza in de vele refugio’s op de route, de herbergen waar de wandelaars eten en rusten. ‘Ik heb in die periode meer dan 80.000 pelgrims zien langskomen’, zegt de Braziliaan. ‘Ik heb ze waar nodig geholpen, ik heb naar hun verhalen geluisterd en ik heb ze bewonderd om hun moed.’
En zo ontdekte Acacio Augusto Castro da Paz waar hij zijn geluk uit haalt. ‘Ik wil mensen helpen; dat is de altruïst in mij. Alle mensen op de route zijn hetzelfde; er gelden geen rangen en standen. We zien er ook letterlijk veel meer hetzelfde uit. We hoeven niet naar de auto van een ander te kijken, want we hebben alleen onze benen nodig – en elkaars hulp. Het draait hier om immaterieel geluk en iedereen die in staat is om met een open mind die tocht te maken, die vindt dat ook. Dat zie ik gebeuren!’
Zijn Engels is goed genoeg om duidelijk te maken wat hij wil vertellen. Maar, zo is ook zijn overtuiging, ‘taal hoeft nooit een beperking te zijn’. Dat ziet Da Paz elke dag gebeuren als hij rond de tafel zit met de pelgrims voor het avondmaal. Hij heeft er een gewoonte van gemaakt om voorafgaand aan het diner iedereen even te vragen wie hij is en waarom hij of zij de camino loopt – en dat mag iedereen in zijn moerstaal doen. ‘Als daar een Deen zit, of een Argentijn of een Chinees, het maakt niet uit: iedereen aan die tafel weet precies wat die man of vrouw op dat moment zegt. Dat is zo mooi om te zien. Dat is de essentie van het leven: dat we elkaar allemaal verstaan.’
Die tafel waar Da Paz over praat, staat nu in zijn eigen refugio, een kleine, huiselijke herberg in een dorpje op de route, dat hij met zijn vriendin runt. Viloria de Rioja heet het dorp, gelegen onder de rook van Burgos, en er wonen precies 31 mensen. Drie jaar geleden vond de Braziliaan dat het tijd was voor dat eigen huis. Hij had zeven jaar lang als vrijwilliger gezworven van herberg naar herberg. ‘Ik had een plan gemaakt en ben daarmee naar de bank gestapt’, vertelt hij. ‘Ik had een mooie bundel gemaakt van verhalen van en over mij die op internet waren verschenen, en ik zei tegen de bank: “dit is mijn cv, ik heb geen vaste baan, ik verdien geen geld en ik wil graag dat jullie me helpen om een huis te kopen.”’ Drie weken later belde de bank: Da Paz kreeg de gevraagde hypotheek. ‘Het gekke is dat het me niet verbaasde. Ik denk dat de bankiers zagen dat er geen hypocrisie in mijn verhaal zat. Ze vertrouwden me.’
De herberg, vertelt hij, staat er dankzij de bank, maar ook dankzij de pelgrims en de vrienden die hem via donaties helpen te bestaan. Soms zijn dat spullen (zoals de bedden en de tafels die zijn oude maat Coelho voor hem aanschafte), soms is het geld dat pelgrims vrijwillig achterlaten na een nacht onderdak, eten en warmte. ‘Twaalf bedden telt de herberg en gemiddeld slapen er zes pelgrims per nacht. Da Paz en Orietta, zijn Italiaanse levensgezellin, die hij tien jaar geleden op de route leerde kennen, herkennen de stemmingen van de wandelaars. Ze luisteren vooral veel en geven simpele levensadviezen: Geniet van je reis. Denk niet alleen aan het eindpunt dat je moet halen. Zet je hoofd open. Nog steeds vindt hij het fascinerend om elke dag weer die mensen te zien binnenkomen. En zijn grootste bevrediging volgt vaak een half etmaal later, als ze weer vertrekken. ‘Dan zien ze er vrolijker en gelukkiger uit door de gesprekken die we hebben gevoerd, door de rust die ze hier vonden, door de zorgen die ze konden delen. Ik faciliteer dat hier, meer doe ik niet, en het maakt me erg gelukkig.’
Een dag later zien we elkaar weer, nu in het café van het Parador. Da Paz praat er boven de café con leche over de verschillen tussen de wandelaars. ‘De meesten zijn oud’, vertelt hij. ‘Ze zijn klaar met werken en komen uitblazen en nadenken over wat er tot nu toe allemaal is gebeurd in hun leven. Ze zijn vaak onrustig, want ze weten niet wat het leven hierna zal brengen en hoe ze dat moeten invullen.’
Wat adviseert hij die bezoekers? ‘Ik zeg altijd: open een herberg’, lacht Da Paz. ‘Maar daar bedoel ik vooral mee: stop niet met werken, blijf denken, ga niet alleen maar op reis maar koppel iets aan die reis: schrijf er een mooi boek over, schrijf een wandelgids. Dat zeg ik vaak.’ Dat laatste advies is massaal opgevolgd, zegt hij gniffelend. ‘Tientallen boeken heeft hij inmiddels opgestuurd gekregen, om nog maar te zwijgen over de weblogs met wandeltips. ‘Dat is mooi om te zien. Die mensen hebben een nieuw project gevonden en dat maakt ze gelukkig.’
Verschillen ziet hij ook: tussen de vaak wat gespannen ouderen, die stoeien met hun werkervaringen en levensvragen, en de jongeren, die rustiger zijn, nog geen last hebben van alles wat ze gedaan hebben, maar zich verheugen op het avontuur dat hen wacht. Ze slapen uit en nemen de dag zoals hij komt. En dan zijn er nog de verschillen tussen ‘zijn’ Zuid-Amerikanen (‘die zijn creatiever omdat ze dat vanuit hun armoede altijd hebben moeten zijn’) en Aziaten (‘vooral de Chinezen leven volgens de regels: die wijken nooit van de route af en vinden het moeilijk om losjes te genieten’).
We praten over Barack Obama, de nieuwe wereldleider, en over het verschil tussen blank en zwart. ‘Je ziet bijna geen donkere mensen op de camino, dat is echt opvallend.’ Hoe het komt, weet hij na al die jaren ook: ‘Zwarte mensen hebben zichzelf al, die hoeven zichzelf niet te zoeken tijdens een lange wandeltocht. Voor hen staat het genieten altijd centraal: leef! Zij hebben geen behoefte aan de grote levensvraag. Blanken zitten veel complexer in elkaar, die zijn sneller in de war. Dat zie en hoor ik elke keer weer hier.’
‘De pelgrims’, zegt hij, ‘zijn spiegels voor ons. En wij zijn het voor hen. Zo leren we elke dag weer iets, over het leven en over onszelf.’ Hij noemt er zelf een voorbeeld bij: ‘Als je zelf hebt besloten dat geld geen centrale rol meer in je leven mag spelen, wil dat niet zeggen dat je zorgen over geld daarmee voorbij zijn. We leven hier van giften, maar het komt ook voor dat ik geld nodig heb en af en toe baal ik stevig omdat dat geld er niet is. Maar het verschil is dat ik er nu veel relaxter mee omga dan voorheen. Het is nu een kwestie van stoppen met de dingen die je wilt doen maar even niet kunt doen, en rustig wachten tot de middelen weer komen. Dat is steeds weer mijn les in dit leven.’
De avond valt over Santiago. De torens van de kathedraal hangen in een mix van mist en schijnwerpers als we het plein oversteken. Een laatste vraag, al wandelend. Een vraag die alle pelgrims zichzelf stellen tijdens hun tocht: waar draait het in het leven om, wat is de kern van ons bestaan, van ons geluk? Vanonder het petje blijft het eerst even stil. Wat aarzelend en half verontschuldigend zegt hij: ‘I don’t know. Nobody knows’.
Maar dan voegt hij daar iets moois aan toe, iets wat hij vaak zegt tegen pelgrims die in zijn refugio langskomen: ‘Neem niet teveel gewicht mee op je tocht.’ Tevreden zwijgend lopen we het plein af.
‘Acacio Augusto Castro da Paza had toen hij begin twintig was maar één doel: miljonair worden. Op z’n dertigste had hij dat op nogal onorthodoxe wijze bereikt. Maar toen hij tegen de veertig liep, besloot hij het roer radicaal om te gooien en zijn leven te wijden aan de bedevaartgangers langs de weg naar Santiago de Compostela. Daar is hij nu ondanks alle tegenspoed al jaren te vinden. Hoe zwaar en lastig de weg ook is, hij is niet te stoppen.'
— Paulo Coelho, Braziliaanse schrijver van internationale bestsellers en columnist van Ode
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.