Email   Print

Geld is ook niet alles

De instorting van het mondiale financiële stelsel zou de katalysator kunnen zijn voor een duurzamer alternatief.

Janet Paskin | 112 december 2008 issue

David Griswold startte zijn onderneming met grote idealen en een kleine beurs. Hij wilde koffieboeren leren duurzaam te verbouwen en hen koppelen aan kopers die een eerlijke prijs boden. Daarvoor sloot hij een zakelijke lening af van 300.000 dollar. Tien jaar later verkocht Sustainable Harvest Coffee Importers voor vijftien miljoen dollar aan biologische fairtrade-javakoffie en het aantal orders liep snel op. De winst investeerde Griswold in het opleiden van boeren. Zijn op transparantie gebaseerde bedrijfsmodel leek te werken.

Maar in 2006 trok de bank de stekker eruit. De bezwaren waren vanuit de bank gezien niet onredelijk: de marges waren minimaal en het investeren in de opleiding van de koffietelers resulteerde in een weinig florissante balans. Griswold kreeg te horen dat hij zijn winstmarge moest verhogen of anders op zoek kon gaan naar een andere geldbron. ‘Ik stond met mijn rug stijf tegen de muur’, vertelt Griswold. ‘Ik had geen idee hoe moeilijk de situatie lag. Voor dit prachtige bedrijfsmodel moeten altijd wel investeerders te vinden zijn, dacht ik. Maar zo werkt dat kennelijk niet.’

Nu de financiële crisis de wereldeconomie op haar grondvesten doet schudden, is de manier waarop banken opereren – en soms niet opereren – nog nooit van zo’n groot belang geweest. Aan de huidige crisis ligt een inherent onhoudbaar bedrijfsmodel ten grondslag: geld lenen aan mensen die het niet kunnen terugbetalen. Maar de snelle beoordeling op basis van criteria als dagelijkse aandelenkoersen, maandelijkse beleggingsopbrengsten en kwartaalrapporten, heeft tot gevolg dat aan het aantonen van winst op korte termijn een buitensporig belang wordt toegekend. Om de geldstromen op peil te houden ontwikkelden banken complexe financiële instrumenten die niet langer gekoppeld waren aan tastbare activa, zoals een echt mens in een echt huis. ‘Een groot deel van de economie is getransformeerd naar een virtuele economie’, zegt Debi Barker, directeur van de Amerikaanse afdeling van Navdanya, een internationale organisatie die zich inzet voor duurzaamheid. ‘Het heeft niets te maken met de realiteit. Het is een economie die de boel grondig in de war stuurt.’

In die chaos bevinden wij ons nu, en optimisten beweren dat dit een mogelijkheid is om verandering te brengen in het kortetermijndenken dat de financiële wereld in zijn greep heeft en hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor alle ellende. Voor bedrijven die gematigd willen groeien en hun succes willen beoordelen op basis van meer dan alleen dollars, is het zo goed als onmogelijk geworden om financiering te krijgen. Dat is nu snel aan het veranderen. Gedeeltelijk als gevolg van de financiële crisis zijn pogingen om een nieuw soort economie op te bouwen een belangrijke trend geworden. De puinhoop die het onhoudbare financiële stelsel heeft achtergelaten zou dan ook wel eens de beste katalysator kunnen zijn voor een duurzamer alternatief. ‘Wat wij nodig hebben, is een fundamentele reorganisatie van de manier waarop wij omgaan met het economisch stelsel’, zegt George Lowenstein, hoogleraar economie en psychologie aan de Carnegie Mellon Universiteit in Pittsburgh, Pennsylvania. Deze reorganisatie is inmiddels van start gegaan: beleggers tonen in toenemende mate interesse in alternatieven voor de traditionele kapitaalmarkten; klimaatverandering en instabiele olieprijzen benadrukken de behoefte aan schone energie; consumentenacties zetten bedrijven onder druk om onrechtvaardige arbeidssituaties aan te pakken; en in tal van landen zijn nieuwe valutasoorten geïntroduceerd om essentiële overheidsdiensten als onderwijs en gezondheidszorg mee te betalen. Dit is het juiste moment om de manier waarop ondernemingen zakendoen drastisch te veranderen. ‘Om een duurzame economie te creëren moeten wij maatschappelijk verantwoorde banken en bedrijven oprichten’, zegt Peter Blom, directeur van de Nederlandse Triodos Bank. ‘Vervolgens kunnen mensen weloverwogen beslissen hoe ze met hun geld om willen gaan.’

Natuurlijk blijft het koppelen van sociale doelstellingen aan modellen met een winstoogmerk een heikele kwestie. Een langetermijnvisie en een sterke sociale missie vrijwaren een onderneming of investeerders allerminst van een mislukking. Maar ‘Het Grote Geld’ is geïnteresseerd in sociale ondernemingen met winstoogmerk, van risicokapitaalinvesteerders die beleggen in microfinanciering tot multinationals die biologische zuivelproducten kopen. Dat maak het mogelijk om hele economieën om te vormen, ditmaal zonder een nieuwe zeepbel. ‘De overheid en de non-profitsector kunnen maar tot op beperkte hoogte uitdagingen op maatschappelijk vlak en milieugebied aangaan’, zegt Jay Coen Gilbert, medeoprichter van B Lab, een non-profitbedrijf dat normen voor sociale ondernemers ontwikkelt. ‘Als je niet eerst uitzoekt hoe bedrijven en financiële instellingen maatschappelijke waarde kunnen creëren, is het allemaal verspilde moeite.’

Griswolds frustratie toen de bank zich uit zijn onderneming terugtrok, was terecht. Zijn bedrijf was op vele terreinen succesvol: ieder jaar leidde het meer boeren op, zijn werknemers zagen hun lonen stijgen en hadden plezier in hun werk. Het bedrijf stond bovendien op het punt filialen te openen in Tanzania en Peru. Ook volgens de traditionelere criteria ging het de zaak voor de wind: de vraag was zo groot, dat hij juist behoefte had aan meer financiering, niet minder. Bovendien maakte de onderneming winst, alleen niet genoeg, in de ogen van de bank.

Eigenaren van sociaal verantwoorde bedrijven benadrukken het belang van geld verdienen. Ondernemingen moeten in staat zijn hun zaken te continueren, de werknemers een goed salaris te betalen en te groeien – wat onmogelijk is zonder een winstgevend bedrijfsmodel. Naarmate een bedrijf groeit, nemen ook de niet-financiële voordelen toe. Dat betekent meer biologische koffieteelt, meer duurzame visserij, betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen.

Maar deze niet-financiële voordelen brengen vaak hogere kosten met zich mee. Daar ligt de uitdaging. Deze hogere kosten zou een bedrijf voor eigen rekening kunnen nemen en zo een lagere winst boeken. De jaarlijkse ‘topbijeenkomst’ die Griswold organiseert waarbij koffietelers, roosters en handelaren drie dagen lang ontwikkelingen binnen de sector met elkaar bespreken slokt bijna tachtig procent van de nettowinst op. Bedrijven kunnen de hogere kosten ook aan de consument doorberekenen. Dat lijkt redelijk: een T-shirt dat voor tien dollar in de winkel ligt, kan nooit een redelijk basisloon op de werkvloer opleveren. De duurzame pluspunten van producten – biologisch, lokaal, fairtrade – worden benadrukt, zodat klanten begrijpen waarom ze meer betalen. Maar hogere prijzen maken dergelijke goederen tot luxeartikelen, die bijna alleen nog te betalen zijn door de rijken.

Griswold doet een beetje van alle twee – kosten voor zijn eigen rekening nemen én doorberekenen naar de consument – maar dat is lastig op de balans. Hij had financiering nodig van instellingen die daar begrip voor hadden. Omdat hij van de traditionele kanalen was afgesloten, leende hij geld van ShoreBank Pacific, een zogeheten ‘groene bank’, en van een duurzaam beleggingsfonds: RootCapital. Beide hangen dezelfde principes aan als zijn bedrijf: goed werk doen en geld verdienen. Dat betekende overigens nog niet dat hij in de watten werd gelegd; hij betaalt een aanzienlijke rente. Maar hij kreeg in ieder geval wat hij nodig had en daar ging het om.

Dat is het doel van deze idealistische banken en beleggingsfondsen: verder kijken dan alleen het financiële plaatje. ‘Een ondernemer heeft een bank nodig die oog heeft voor zijn idealen’, zegt Blom van Triodos. ‘De idealen van de bank moeten de drijfveer van de onderneming ondersteunen.’ Omgekeerd weten deposanten dat hun geld wordt gebruikt in overeenstemming met hun prioriteiten en om die reden zijn zij vaak bereid kleine financiële offers te brengen, zoals afzien van de allerhoogste renteopbrengsten en genoegen nemen met gemiddelde marges. Geld lenen is niet de enige manier om duurzaam te kunnen ondernemen. Er is altijd nog de kapitaalmarkt – de verkoop van aandelen in de onderneming aan externe beleggers. Maar dan wordt een deel van de controle uit handen gegeven en daar hebben oprichters van een onderneming vaak moeite mee. Omdat investeerders uiteindelijk altijd winst uit hun beleggingen willen halen, vrezen maatschappelijk verantwoorde ondernemers dat zij hun inzet voor mensen en het milieu zullen moeten opofferen ten gunste van de winst. ‘Als je eenmaal bent toegetreden tot de traditionele kapitaalmarkten, word je beloond voor groei, zo werkt het nu eenmaal’, zegt Coen Gilbert van G-Lab. ‘Hoe meer groei, hoe beter. Alles is erop gericht die zo snel mogelijk tot stand te brengen.’ Dat is het moment waarop de idealistische risicokapitalisten ten tonele verschijnen. Deze investeerders zeggen te begrijpen dat de groei van maatschappelijk verantwoorde ondernemingen er wellicht anders uitziet dan die van een traditioneel klein bedrijf. Dat betekent dat zij liever geen aandelen uitgeven of zich laten overnemen door een groter bedrijf – de gebruikelijke manieren waarop een risicofonds uitkeert. Mark Finser, oprichter van TBL Capital, een maatschappelijk verantwoord risicofonds met een kapitaal van vijftig miljoen dollar, zegt dat hij daar nooit op aandringt. Andere opbrengststromen, zoals een dividend, of groei als gevolg van aankoop, zou voor zijn fonds net zo goed kunnen werken.

Dat komt omdat net zoals de maatschappelijk verantwoorde ondernemingen waarin zij investeren, idealistische risicokapitaalfondsen bestaan om winst te maken. Dus investeren zij in bedrijven die op enig ogenblik winst genereren. Bij TBL vertelde Finser aan zijn beleggers dat zij konden rekenen op een positieve opbrengst. Hoewel hij zich ‘niet op twintig procent wilde vastleggen’, verwachtte hij toch ‘heel behoorlijke’ resultaten. Om dat te bereiken kwam hij met een plan dat voor kleine, maatschappelijk verantwoorde ondernemers zowel voordelen als nadelen zou kunnen opleveren: het stimuleren van een partnerschap tussen een kleine fabrikant van zonnepanelen en multinationale telecombedrijven, zoals Verizon en Nokia.

Het gaat beleggers nog steeds om groei. ‘Wij investeren in zaken met groeipotentieel’, zegt Wes Selke, een investeringsmanager bij Good Capital, een firma met een aandeel in Adina for Life, een fairtrade-onderneming in vruchtensappen. Selke hoopt dat op een dag Adina-vruchtensappen in de schappen van elke supermarkt staan.

‘Als dat enige commotie teweegbrengt, dan moet dat maar’, zegt Álvaro Rodríguez Arregui. Hij heeft de leiding over Ignia, een risicofonds in Mexico Stad dat microkredieten verstrekt. Hij en andere idealistische beleggers geloven dat hoe meer een onderneming groeit, hoe meer invloed deze kan uitoefenen op maatschappelijke problemen. Maar groei vereist kapitaal, en om dat te krijgen op de markt moet er een opbrengst aangetoond kunnen worden die de moeite waard is – uitgedrukt in dollars in plaats van de vage termen van maatschappelijk kapitaal. In een volmaakte wereld zou er sprake zijn van een allesomvattend meetsysteem, maar ‘daar kunnen wij niet op wachten’, zegt Rodríguez Arregui. ‘Onze missie is armoede te bestrijden. Ik vind het immoreel te zeggen: “Ik kan je vandaag geen lening verstrekken omdat de kapitaalmarkten ons niet correct beoordelen. Laat ons eerst de wereld veranderen en dan kun je een lening krijgen”.’

Op dit moment biedt het Amerikaanse ondernemingsrecht weinig soelaas. Eigenaren en partners van organisaties hebben de wettelijke plicht de belangen van aandeelhouders zo goed mogelijk te behartigen, wat meestal betekent: hen rijker maken. Ofschoon sommige rechtbanken Amerikaanse bedrijven toestaan rekening te houden met de belangen van medewerkers, klanten en samenlevingen bij de dagelijkse zakelijke besluitvorming, geldt er bij de verkoop van het bedrijf nog maar één richtlijn: de hoogste bieder wint. Griswold toets momenteel een nieuwe juridische theorie aan de praktijk: hij is een zogeheten beneficial corporation (B Corp) begonnen. Een B Corp neemt maatschappelijke verantwoordelijkheid op in zijn statuten. Het bestaat eruit dat het opnemen van een maatschappelijke doelstelling in de reglementen directeuren de wettelijke verantwoordelijkheid geeft om bij de verkoop van een bedrijf met meer aspecten rekening te houden dan alleen geld. Beleggers realiseren zich dat over de inzet ten aanzien van maatschappelijke en milieufactoren niet kan worden onderhandeld.

Coen Gilbert en zijn partners ontwikkelden het B Lab-model na hun ervaring met de verkoop van hun eigen sportschoenenfirma And 1. Onder het beheer van de oprichter werd een gedragscode uitgevoerd in de schoenfabrieken, waarbij miljoenen dollars werden besteed aan ondersteuning van jongerenorganisaties en onderwijsinstellingen in Philadelphia. Maar de dag nadat het bedrijf was verkocht ‘werd deze steun de nek omgedraaid’, zegt Gilbert. Daarop vroegen zij zich af hoe het wellicht anders kon. Op basis van hun onderzoek hebben zij B Corporations in het leven geroepen, een netwerk van bedrijven die op vrijwillige basis voldoen aan prestatienormen op maatschappelijk gebied en het milieu en die hun verantwoordelijkheden op wettelijke basis uitbreiden.

Het resultaat: een eerste poging om te komen tot een homogeen stelsel van normen en waarden voor maatschappelijk verantwoorde ondernemingen – en daarbij B Corporations flinke naamsbekendheid te geven. Naarmate ‘duurzaamheid’ aan populariteit wint, wordt het lastiger om onderscheid aan te brengen tussen een idealistische doelstelling en een marketingimpuls. B Corp worden is in feite een certificeringprocedure. Wat het LEED-certificaat is voor ecovriendelijk bouwen en het Fair Trade-merk voor chocolade, koffie en textiel, hoopt B Corp te worden voor ondernemingen. In amper twee jaar tijd hebben 134 bedrijven zich bij B Corporations aangesloten. Niet alleen voedsel- en modebedrijven als meest voor de hand liggende ondernemingen, maar ook advocatenkantoren, beleggingsmanagers, advertentiebureaus en restaurants hebben zich onder de B Corp-vlag geschaard. De grootste uitdaging voor het B Corp-model moet nog komen: als een eigenaar besluit zijn onderneming te verkopen, zijn de investeerders dan bereid om met meer aspecten rekening te houden dan alleen de prijs? En als zij dat niet zijn, en een gang naar de rechter volgt, hoe zal deze dan gaan oordelen? Ondertussen zijn B Corporations bezig met het vinden van alternatieve groeimogelijkheden. Ook Coen Gilbert heeft een nieuw plan voor het aantrekken van beleggers: de B-index, een fonds bestemd om geld door te sluizen naar gecertificeerde ondernemingen.

In de week na de vrije val van de wereldmarkt, reisde Griswold af naar een conventie van gelijkgestemde ondernemers en beleggers. Gedurende twee verrassend zonnige dagen in San Francisco besprak een aantal maatschappelijk verantwoorde bedrijven, risicofondsen, groene banken en ‘filantro-kapitalisten’ samen de kwesties die zich voordoen op het snijpunt van zakelijke activiteiten en maatschappelijk verantwoorde doelstellingen. De hal was tot de laatste plaats gevuld. Onder de menigte bevonden zich ook diverse traditionele financiële instellingen, waaronder vertegenwoordigers van Fidelity en Merrill Lynch. ‘Er zijn momenteel veel mensen die dit terrein aan het verkennen zijn, en dat komt voornamelijk doordat hun klanten daarom vragen’, zegt Selke van Good Capital. De implosie van de traditionele markten doet ons ook bepaald geen kwaad: idealistische bedrijven bieden mogelijkheden voor een langetermijninvestering die zich wellicht kan onttrekken aan de kwaadaardige cyclus van boom and bust. Of misschien zijn ze gewoon op zoek naar wat houvast in wat door een van de sprekers op het congres werd aangeduid als ‘het grootste pre-profitsegment ter wereld’.

Risicokapitaalfondsen als Kleiner Perkins Caufield & Byers en Sequoia Capital hebben onlangs massaal geïnvesteerd in alternatieve energie en microfinanciering, in de verwachting dat toekomstige winsten liggen in schonere technologie en groei in derdewereldlanden. Internationale investeringsbanken als Société Générale en Citigroup hebben analisten aangetrokken om ‘duurzame investeringsthema’s’ te onderzoeken. Met het geld waarover zij beschikken, kunnen bergen worden verzet. Maar, zo waarschuwt Steven Lydenberg, hoofd beleggingen bij Domini Social Investments, traditionele modellen leveren geen maatschappelijk verantwoorde opbrengsten op. Wanneer het alleen om de prijs draait, zegt hij, vallen beleggers ten prooi aan speculaties en zeepbellen – precies het probleem dat duurzame ondernemingen nu juist trachten te vermijden. Dat is waarom Bernard Lietaer, een deskundige op het gebied van internationale geldstromen en valuta van de Universiteit van Californië, aangeeft dat wij voor het oplossen van maatschappelijke problemen een alternatief moeten bieden voor het monetaire stelsel als geheel. Vandaag de dag, zegt hij, heeft geld geen intrinsieke standaardwaarde. De waarde schommelt op de valutamarkten, destabiliseert de wereldhandel en resulteert in dezelfde soort speculatieve zeepbellen als de aandelenmarkten genereren. Daarbij komt nog dat de afhankelijkheid van een monetair systeem de hele wereld blootstelt aan valutaschokken. ‘Monoculturen zijn niet duurzaam’, zegt hij. ‘Het gebrek aan diversiteit in het financiële stelsel leidt onvermijdelijk tot instabiliteit.’

Zijn oplossing ligt in parallelle valuta, die de uitwisseling van goederen en diensten bevordert wanneer het conventionele geldstelsel in gebreke blijft. Als voorbeeld noemt Lietaer de 62 duizend Zwitserse bedrijven die gebruikmaken van de WIR-bank, een complementair valutastelsel dat bedrijven in staat stelt zaken te doen als lenen bij de bank lastig wordt. ‘Als banken geen geld meer lenen, betekent dat voor een bedrijf het einde’, zegt Lietaer. ‘De WIR fungeert als een reserveband, en de rest van de wereld functioneert zonder die reserve.’ We blijven biljetten en munten nodig hebben, maar complementaire valuta kan ander gedrag bevorderen dan traditioneel geld. De meest voor de hand liggende en bekende vorm ervan zijn wellicht frequent flier miles als beloning voor getoonde loyaliteit. Maar alternatieve valuta zijn het krachtigst wanneer zij gericht zijn op het oplossen van maatschappelijke problemen.

Wereldwijd zijn tientallen Local Exchange and Trading Systems (LETS) opgericht, die samenlevingen met elkaar verbinden in kredietnetwerken ter ondersteuning van plaatselijke economieën. In Japan, waar meer dan veertig alternatieve valuta in omloop zijn, worden wanneer iemand de zorg voor ouderen op zich neemt kredieten verstrekt onder het fureai kippu-systeem. Deze kredieten kunnen worden aangewend voor zorg als iemand zelf ouder wordt, of ze kunnen worden geschonken aan een vader of moeder op leeftijd. Op dezelfde wijze heeft Lietaer een valuta voorgesteld waarmee kinderen kredieten voor universitair onderwijs ontvangen in ruil voor zelf lesgeven. Het gaat hierbij steeds om maatschappelijke problemen – ontwikkeling van de plaatselijke gemeenschap, de behoefte aan zorg voor het groeiende aantal ouderen, de stijgende kosten van hoger onderwijs – die niet kunnen worden opgelost middels het traditionele geldstelsel. En de overheid hoeft er niet bij betrokken te worden. In feite functioneren alternatieve valuta het best binnen een netwerk van bedrijven. Zo ondersteunen momenteel Zwitserse banken de WIR, maar het model is reeds in 1934 ontstaan, toen zestien bedrijven overeenkwamen dit model in het leven te roepen. Ondernemingen, zorg voor jezelf, zo luidt de boodschap van Lietaer. ‘Als je op de overheid rekent om voor je te zorgen, ben je naïef. Maar je kunt het niet alleen af; samenwerking met anderen is essentieel.’ Eigenlijk is dat heel voor de hand liggend – en op het Social Capital Markets-congres was dat precies waar veel ondernemingen behoefte aan hadden. Zelfs met de kredietmarkten in beroering, een recessie op de loer en traditionele financiële instrumenten die in geen velden of wegen te bekennen zijn, heerste er een optimistische stemming.

Misschien zorgt de instorting ervoor dat consumenten en investeerders met andere ogen gaan kijken naar duurzaamheid en dit in een breder perspectief plaatsen. Wellicht kan meer aandacht voor leveranciers en werknemers ? in plaats van alleen aandeelhouders ? iedereen helpen de economische neergang te overleven. Dat is het soort collectieve actie die een verandering tot stand zou kunnen brengen in het vastgelopen stelsel. De enige vraag die overblijft, is volgens Lietaer: ‘Hoe lang moeten wij nog wachten?’. Niet lang meer, als het aan Griswold en de overige deelnemers aan het Social Capital Markets-congres ligt.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.