Email   Print
Share  

Vijgentorens in de hal

De openbare ruimte is van iedereen. Maar is dat wel zo? En wie bepaalt dan hoe die openbare ruimte eruit ziet? Een essay over regels en geboden, over verdedigen en aanvallen, over vrijheid en avontuur, en over kunst.

Mariette Baarda | 111 november 2008 issue

De inmiddels gesloopte blauwe huizen aan de Beukelsdijk werden de meest gefotografeerde huizen van Rotterdam.

Alles van waarde is weerloos: het is misschien wel de bekendste dichtregel uit Luceberts oeuvre. De strofe, afkomstig uit het gedicht De zeer oude zingt (1974) heeft de kracht van een slogan en de diepte van een bezwering. Maar wat wil de dichtregel ons nu eigenlijk vertellen? De zin moet het meer hebben van zijn dramatische lading dan van zijn concrete betekenis. Want zijn dingen zonder waarde dan wel weerbaar? Zo niet, dan is dus alles weerloos, ongeacht de waarde. En is alles wat wél weerbaar is dan per definitie waardeloos? Álle dingen zijn weerloos als er een of andere ploert voorbijkomt die zijn handen niet thuis kan houden.

De ploert bleek het Grote Geld te heten. Sinds 1979 staat Alles van waarde is weerloos in neonletters op een kantoorflat vlak bij Station Blaak in Rotterdam. Gehackt door een bedrijf waarin alles draait om waarde en weerbaarheid: een verzekeringsmaatschappij. Zijn Luceberts woorden hierdoor misbruikt? Nee. Want hoewel uit z’n context gehaald, is de dichtregel onaangetast gebleven en is er een fascinerende cross-over ontstaan tussen kunst en commercie, tussen straatkunst en reclame.

 
 

Twee groepen bepalen het aanzien van de openbare ruimte: de commerciëlen en de regelgevers. Dwars daar doorheen loopt er zoiets als een ‘psychologische zone’, een gebied dat ieder zelf moet veroveren om er zich thuis te voelen. Een zone tussen openbaar en privé in. Er heersen stilzwijgende afspraken over wat er wel en niet kan. Zodra een man wijdbeens naast je op het kuipstoeltje van de wachtkamer gaat zitten en je je dijen tegen elkaar moet knijpen om hem niet aan te raken, of een opgevoerde brommer je op het fietspad passeert die je naar adem doet snakken van de herrie en stank, is er geen ontkomen aan. Binnen de kortste keren ben je veranderd in Haat en Onverdraagzaamheid. Kill! Kill! Kill! Dat de overlastveroorzaker zich nergens van bewust lijkt, maakt je dubbel zo razend. Je begint te fantaseren over hoe je je uitrekt op die kuipstoel en je die man daarbij per ongeluk vol in het gezicht slaat, of hoe die brommer de eerstvolgende bocht tegen een boom rijdt. Ergernis is een vorm van wachten. Wachten tot de wereld weer van jou is.

Sinds vorig jaar staat er een scooter beneden in de hal van mijn flat. En al net zo lang erger ik me daaraan. De bezitter erop aanspreken had geen succes. De buurman zet zijn scooter nu uit voordat hij hem naar binnen rijdt, maar nog steeds stinkt de hal naar uitlaatgassen. Ik heb mezelf nu maar getraind om acht trappen lang mijn adem in te houden. Wat is wijsheid? De woningbouwvereniging bellen en klagen over die scooter druist namelijk in tegen mijn eigenbelang: ik wil op goede voet blijven staan met de bewoners. Zo’n deur waar je langs sluipt om de buurman maar niet tegen te komen, is nog veel erger. Overlast bestrijden leidt meestal tot nieuwe overlast. Zo kan het voorkomen dat iemand in een volle zaal zijn mobiel af laat gaan en deze opneemt met een: ‘Sorry man, ja, ik zit in een concert, bel je later terug, oké?’

Aan de manier waarop we ons gedragen in de openbare ruimte, is te zien hoe weinig we ons ermee verbonden voelen. En dat is niet zo gek, want wat hebben wij eigenlijk zélf nog met die openbare ruimte te maken? De gazons hebben we niet ingezaaid, de huizen niet eigenhandig gebouwd. Niet eens zo lang geleden hadden onze voorouders een eigen erfje. Nu zijn we gehuisvest in betonblokken en bouwlinten langs de snelweg. Om het boerderijgevoel een beetje terug te krijgen, is er een kinderboerderij tussen de torenflats gezet en hebben we de groenvoorziening. Soms zie je in nieuwbouwwijken zelfs bruggen in het gelid wachten op sloten die nog gegraven moeten worden. Fascinerend en bizar tegelijk. De volgorde klopt niet.

De afgelopen vijftig jaar zijn we de lege openbare ruimte gaan invullen met bankjes, perkjes, wipkippen en vrolijke beelden in de vorm van strikjes, eikels en bijenkorven. De gemeenten hebben hun best gedaan om er één grote huiskamer van te maken. Is het dan gek dat er territoriumgevechten uitbreken? Dan moet ineens alles, tot en met het konijnenhok toe, hufter-proof worden gemaakt. Verschijnen er roestvrijstalen voetbaldoeltjes op het speelveld en komen er tussenschotten op de stadsbanken, waardoor de zwerver niet meer kan slapen en jij ook niet meer kunt zitten. De enige reden dat de meeste mensen met een poepzak achter hun hond aanrennen, is omdat ze geen boete willen riskeren. Niet omdat ze er zich verantwoordelijk voor voelen.

Doordat we belasting betalen, zijn we de faciliteiten van de openbare ruimte gaan beschouwen als een vorm van dienstverlening. Daarbij zijn we vooral gevoelig voor ándermans hufterigheid: we zijn het ermee eens dat de politie hard optreedt tegen snelheidsovertreders, maar bijten de agenten toe vooral toch boeven te gaan vangen als we zelf worden aangehouden. We willen ons door schone straten bewegen, maar er niet op aangesproken worden wanneer we een blikje in de struiken kieperen. En daarom gaat al dat belastinggeld op aan afrasteringen, verbodsbordjes en toezichtcamera’s. Vandaar ook al die reclame op straat: het is een vertwijfelde poging om ons af te leiden van alle rotzooi die eromheen en erachter ligt. Maar met een kerstboom op de Coolsingel neem je het dieperliggende probleem niet weg, namelijk dat we te ver zijn afgedreven van onze oorspronkelijke natuur, en van het besef dat de openbare ruimte een gedeelde ruimte is: óns bezit en ónze verantwoordelijkheid.

Spanning en avontuur – dát missen we in dit land. Op een fundamentele manier. De vrijstaatjes aan de rafelranden van de stad hebben plaatsgemaakt voor Vinexwijken, waar geen onduidelijke vierkante meter meer te vinden is. De zakelijkheid is doorgevoerd tot in de woningen zelf: in moderne huizen ontbreken geheimzinnige plekjes als kelders en rommelzolders. En dát zijn nu juist de plaatsen waar je je fantasie de vrije loop kunt laten. Voorbij is de tijd dat je zonder vergunning een fik kon stoken. Braakliggende terreinen in de binnenstad hebben een bestemmingsplan, en nutteloze, maar fantasievolle plekjes verdwijnen door stadsrenovatie. Nee, de openbare ruimte is vreugdeloos. Vijandig. Alles zit vast en je kunt er niet verdwalen. Het oerdier in ons is op sterven na dood. En een gekooid mens is onbetrouwbaar, bereid om zijn eigen hok onder te pissen en z’n soortgenoten aan te vallen. Het is net als met die ergernis. Het zit er en het wacht. Hoe krijgen we in dit opgeruimde land onze fantasie nog aan de praat?

En dan nú de oplossing... Als je je niet kunt verdedigen, moet je maar aanvallen. Gelukkig zijn er daarom de guerrillakunstenaars: de creatievelingen die zich verzetten tegen de dominante positie van gebodsbord en reclamezuil. Het zijn de plakkers van Loesje-posters, de dichters die een gedicht voordragen bij het graf van eenzaam gestorvenen en de puber die een liefdesverklaring op een rolluik schrijft en de voorbijganger doet gloeien om zoveel hartstocht. Ze geven de stad haar hartenklop terug. Ze takelen de psychologische zone niet toe, maar voorzien deze van ‘gedijplekken-voor-de-verbeelding’. Liefst anoniem. Want dat hoort bij het fantasieverhogende element. Daarbij spelen ze voortdurend met de vraag: van wie is de openbare ruimte eigenlijk? Net zoals guerrillastrijders vechten met de wapens die ze buitmaken op de tegenpartij, is voor guerrillakunstenaars de stad het canvas en de straat het materiaal. Guerrillakunst is kunst zonder bordjes, en al helemaal niet met zo’n plakkaat waarop staat dat de kunstenaar heeft geprobeerd ‘een dialoog aan te gaan tussen individu en samenleving, om zo een confrontatie te forceren tussen de dimensies van tijd en ruimte’. Het is kunst die speelt met de omgeving en de actualiteit, zoals het anagram Traan Laten nog even het Rotterdams Centraal Station sierde voordat het gebouw definitief werd overgeleverd aan de sloophamer.

Niels Post bevestigde een brievenbus aan de Erasmusbrug en riep zijn vrienden op om post te sturen naar Erasmusbrug 1, 3072 Rotterdam. TPG Post zag er de humor wel van in en bezorgde er gedurende een aantal maanden post. Bedrijven waar alles draait om efficiency en winst zijn dolblij met zoiets geks. Het brengt leven in de brouwerij. Florentijn Hofman voorzag een aantal slooppanden in Delfshaven van een laag blauwe verf. Hofman bracht de verf overal aan, dus ook op ramen, deuren, daklijsten en regenpijpen. De panden op de Beukelsdijk werden het meest gefotografeerde huizenblok van Rotterdam. Harmen de Hoop, eveneens Rotterdammer, bracht in diverse steden lijnen aan voor een basketbalveld. In Amsterdam had dat tot resultaat dat de gemeente een basket plaatste, in de veronderstelling dat men die vergeten was.

In Engeland is er Banksy, iemand die je wel kunt beschouwen als ‘el comandante’ der guerrillakunstenaars. Met sjablonen en verfbussen trekt hij door Amerikaanse en Europese steden en tekent hij op muren van Palestijns bezet gebied. Het olifantenhok in de dierentuin van Bristol voorzag hij van de tekst: I want out. This place is too cold. Keeper smells. Boring, boring, boring. En in het British Museum wist hij ongezien een eigen werk te plaatsen. Na ontdekking besloot het museum het op te nemen in de permanente collectie. Tegenover de mening dat graffiti symbool staat voor het verval in de samenleving, plaatst hij de reusachtige reclameboodschappen op gebouwen en stadsbussen. ‘Ze denken maar dat ze hun boodschap vanaf elke vierkante centimeter in je gezicht kunnen smijten, maar je mag nooit eens terugschreeuwen.’

Voor ‘spontane kunst’ lijkt een andere publieke moraal te gelden dan voor de officiële straatkunst of kunst in een museum. Buurtbewoners ontwikkelen vaak een speciale band met zulke werken. Ze houden ze schoon en schrijven erover in het buurtkrantje. Doordat de kunstwerken niet beschermd worden, voelen ze zich geroepen ervoor te zorgen. Weerloosheid roept het beste in de mens op. Kijk naar hoe we reageren op jonge dieren. Je bent een hufter als je er behagen in schept iets weerloos kapot te maken. En daarom zijn er wel ploerten die in musea schilderijen vernielen, maar is het basketbalveldje van Harmen de Hoop er nog steeds. Graffitibestendig? Hufter-proof? Laat mensen zelf maar uitmaken of iets kapot mag. Kunst op straat moet in staat zijn om te overleven in de jungle van de openbare ruimte.

We zijn iets verloren. Guerrilla-kunstenaars weten dat. Ze zijn er niet alleen om ons een spiegel voor te houden, maar vooral om ons eindelijk het gevoel te geven dat we ook iets terug mogen zeggen – als het maar met smaak en humor is. ‘De grootste wandaden worden nooit begaan door mensen die zich niet aan de regels houden,’ aldus Banksy, ‘maar door mensen die dat wél doen. Mensen gooien bommen en richten bloedbaden aan, niet omdat ze de regels breken, maar omdat ze bevelen opvolgen. Om ervoor te zorgen dat we geen ernstig kwaad aanrichten, hebben we de plicht nooit te doen wat ons wordt opgedragen. Dat is de enige manier om wandaden te voorkomen.’

Onderzoek toont aan dat kruisingen veiliger worden wanneer de stoplichten worden weggehaald, omdat de automobilisten er moeten opletten in plaats van gedachteloos het stoplicht te gehoorzamen. Bordjes manen misschien tot gehoorzaamheid; áfwezigheid ervan spoort mensen aan tot het nemen van verantwoordelijkheid. Ontstaat vandalisme niet eerder in een hufter-proof gemaakte, steriele omgeving dan op een plek die mensen het gevoel geeft dat ze serieus worden genomen? Waar een kapotgeslagen bushokje tot agressie uitnodigt, wakkert straatkunst de creatieve vlam juist aan. Er is een verschil tussen iemand die met hanenpoten een huismuur bevuilt en iemand die met een kreet in de dierentuin een fantasievol statement maakt. Het eerste is vandalisme, het tweede een daad van creativiteit.

Karel van het Reve schreef in Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes over zijn gewoonte in de randen van boeken opmerkingen te schrijven waarvan hij stiekem hoopt dat anderen die ooit zullen ontdekken. En dan onder de indruk zijn van z’n slimheid. Guerrillakunstenaars doen hetzelfde. Ze maken kanttekeningen in de openbare ruimte die verbazing of bewondering oproepen. Volgens schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt bedrijven IJslandse hengsten ook een vorm van graffiti. Een hogergeplaatste poept over de vijg van een lagergeplaatste, snuift zijn eigen geurvlag nog eens op en loopt verder. In het landschap verrijzen stoepa’s van vijgen. Een gefrustreerde kladderaar krijgt ons respect niet. We poepen snel over hem heen.

De dag waarop ik dat basketbalveldje van Harmen de Hoop ontdekte, wist ik plotseling wat ik met die scooter moest doen. Ik ging naar een tuincentrum en hing een briefje op bij het trapportaal: ‘Beste bewoners. Ik heb plantjes in de hal en op de verdiepingen gezet. Hierbij nodig ik iedereen uit om daar je eigen plantje bij te zetten. Ik zal ze op zaterdag water geven.’ En warempel, het werkte. Eerst een geranium, toen een bamboeplant en nu zijn de eerste gaten al in de muur geboord voor een klimop. Het kan niet anders of de scootereigenaar zal zich steeds meer schamen voor het contrast dat zijn stinkbrommer begint te vormen met de oprukkende groenzone. En mocht deze boodschap te cryptisch zijn, dan beschilder ik het onding een dezer nachten met rozen of zonnebloemen. De ergernis heeft plaatsgemaakt voor het gevoel in een avontuur terecht te zijn gekomen.

Voor een straatbeeld dat wordt gedomineerd door reclame en regelgeving is ‘guerrilladenken’ de vluchtheuvel van de psychologische zone. Tussen alle voorspelbaarheid piept het prettige gevoel dat er zomaar iets kan gebeuren, dat je dromen zomaar werkelijkheid kunnen worden. Het geeft een gevoel van autonomie terug. Het vergroot de actieradius van de psychologische zone. Banksy werd booming business; Niels Post kreeg TPG-post aan zijn zijde. Tegenover de dwingelandij van ‘Gij zult kopen’ en ‘Gij zult gehoorzamen’ plaatsten zij ‘Gij zult u verbazen’.

Dankzij die al te snuggere verzekeringsmaatschappij kent iedere Rotterdammer de regel Alles van waarde is weerloos én diens maker Lucebert. Vrijwel niemand weet dat onder die neonletters een winstgevend bedrijf huist. Sommige slogans gaan een eigen leven leiden. Waardeloos geworden voor het bedrijf, maar uiterst weerbaar in de psychologische zone.

Niet alleen money talks: kunst kan uitstekend terugpraten.

Mariëtte Baarda won met haar Vijgentorens in de hal de tweede editie van de tweejaarlijkse Hans Baaij Essayprijs, een onderscheiding die wordt uitgereikt door de Stichting Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam. Het CBK looft de prijs uit om auteurs te stimuleren over Rotterdamse beeldende kunst te schrijven en hiermee het publieke debat over de visuele cultuur een impuls te geven. www.cbk.rotterdam.nl



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: