Email   Print

Jagen op de cheeta’s

In Afrika is 41 procent van de bevolking onder de vijftien – en klaar om dit continent radicaal te veranderen.

Vijay Mahajan | 109 september 2008 issue

Kinderen rennen op de speelplaats van hun school in Benin.
Photo: Anthony Asael

Een winkel van twee verdiepingen hoog, in het centrum van de Zimbab­waanse hoofdstad Harare, puilt uit met de diepst gekoesterde wens van Afrikaanse ouders voor hun kinderen: in de nette, open legkasten langs de muren van Enbee Stores liggen de bonte schooluniformen voor de verschillende buurtscholen opgetast. In deze zaak schaffen ouders het beste setje kleding aan dat hun kinderen waarschijnlijk ooit tijdens hun jeugd zullen dragen.

Toen Natu Patel in 1958 door de straten van Harare reed en kinderen uit school zag komen, kwam hij op het idee om een handel in schooluniformen te beginnen. Hij vermoedde een enorme afzetmarkt en begon meteen met de productie. Vandaag de dag beslaat zijn grootste zaak in de binnenstad van Harare twee verdiepingen vol geperste overhemden, korte broeken, rokken en stropdassen, in de verschillende kleurencombinaties van alle scholen in de wijde omtrek. Een schooluniform is een erezaak. Wie een goede baan heeft, krijgt vaak een werkgeversbijdrage voor de kosten van schoolgaande kinderen. In een land met een hoge geboorteaanwas en ouders die het onderwijs van hun kinderen steevast de hoogste prioriteit geven, is de afzetmarkt van de Enbee Stores voorbestemd tot doorgroeien.

Volgens de bevolkingsstatistieken die het Population Reference Bureau in 2007 verzamelde, heeft Afrika met 41 procent van de bevolking onder de vijftien een van de jongste afzetmarkten ter wereld. Ter vergelijking, in India is 33 procent van de bevolking jonger dan vijftien jaar en in Brazilië 28 procent. Daarentegen veroudert de bevolking van de geïndustrialiseerde landen razendsnel. In de Verenigde Staten, Europa en Japan is respectievelijk krap twintig procent, zestien procent en veertien procent van de bevolking vijftien jaar of jonger. Terwijl men zich in de meeste geïndustrialiseerde landen ernstig zorgen maakt over dalende geboortecijfers, betekent de Afrikaanse bevolkingsexplosie voor de commercie een aardverschuiving. De jeugd is de drijvende kracht die zowel het politieke klimaat verandert als de economie aanzwengelt.

De jonge Afrikanen verschillen zowel van hun leeftijdgenootjes in de Westerse wereld als van hun eigen ouders. De Ghanese econoom George Ayittey heeft de jonge Afrikanen ‘de cheeta-generatie’ gedoopt, omdat de jeugd veel beweeglijker is dan de ‘nijlpaard-generatie’. Die maakt momenteel nog wel de dienst uit, maar zit vastgeroest in het verleden. De nijlpaarden zijn nog steeds op het kolonialisme en het imperialisme aan het mopperen. De snelle cheeta’s eisen intussen democratie, doorzichtigheid en een einde aan de corruptie. Volgens Ayittey rust de toekomst van Afrika op de schouders van de cheeta’s. Hier volgen nog een aantal kenmerken:

Ze zijn gemotiveerd. Oprah Winfrey haalde het verschil in mentaliteit aan toen ze kritiek kreeg nadat ze veertig miljoen dollar had gedoneerd ten bate van de bouw van een meisjesschool in Zuid-Afrika, terwijl ze dat geld ook had kunnen besteden aan de scholen in de Amerikaanse binnensteden. ‘Als je aan Amerikaanse kinderen vraagt wat ze graag willen, noemen ze een iPod of bepaalde sportschoenen’, verklaarde ze in Newsweek. ‘In Zuid-Afrika willen ze geen geld of gadgets. Daar vragen ze om een uniform zodat ze naar school kunnen.’ Dat verschil in mentaliteit kon weleens doorslaggevend zijn voor de vooruitgang van Afrika’s jonge generatie.

Ze hebben een waardestelsel. Uit onderzoek van The Coca-Cola Company blijkt dat intellectuele, artistieke en politieke voorvechters voor Afrikaanse jongeren een voorbeeld zijn. In Marokko de nieuwe koning, in Kenia dichters en kunstenaars en in Zuid-Afrika Nelson Mandela. De geldende normen en waarden van hun land bepalen aan welke helden jongeren de voorkeur geven.

Ze weten het oude en het nieuwe te verenigen. Overal hebben jongeren een eigen taaltje. In Kenia bijvoorbeeld, spreekt de jeugd Swahili als ze praat over dagelijkse dingen, maar schakelt ze over op het Engels in gesprekken over werk of filosofie. En de taal die rappers bezigen in muziekvideo’s is overwegend Sheng, een kruising tussen Swahili en Engels en een mengelmoes van Keniaanse dialecten. De rijk en ingewikkeld getextureerde belevingswereld van de Afrikaanse jeugd is een weefsel van wereldwijde trends en plaatselijke tradities.

Ze reageren watervlug en staan met elkaar in contact. Een reclamespotje van Siemens illustreert de draagwijdte van mobieltjes onder de jeugd: een Tanzaniaanse dorpeling keert terug uit het buitenland met een nieuw hip ‘luipaardkapsel’. Hij belt met zijn mobieltje naar huis en vertelt zijn familie dat hij een verrassing voor ze heeft. Maar bewonderaars fotograferen hem mobiel en sturen het kiekje door het hele land. Tegen de tijd dat de jongen thuis komt, heeft iedereen in zijn dorp hetzelfde gevlekte haar. Wanneer zijn familie vraagt wat de verrassing was, haalt hij teleurgesteld zijn schouders op. Het wereldbeeld dat jongeren hebben, is veranderd doordat ze onderling in verbinding staan en snel handelen. Een cheeta (of in dit geval een luipaard) die via een mobieltje met anderen in contact staat, kan de samenleving in één klap veranderen.

De ontluikende ambities en demografische structuur van de verjongde afzetmarkt hebben ook tot een explosief gestegen vraag naar onderwijs geleid. Dat blijkt niet alleen uit de groeiende verkoop van schooluniformen, zoals Enbee in Zimbabwe bewijst, maar ook uit de roep om meer hogescholen en universiteiten.

Verder is het mede te danken aan samenwerking tussen de publieke en private sector dat nieuwe onderwijstechnologie zich snel verspreidt over het Afrikaanse continent. Het New Partnership for Africa’s Development (Nepad) heeft een project gelanceerd om de komende tien jaar in meer dan zestien Afrikaanse landen 600 duizend zogeheten e-scholen van een elektronische infrastructuur te voorzien. Het is de bedoeling dat scholen de beschikking krijgen over apparatuur als computers, radio’s, televisie en telefoons, met de assistentie van bedrijven als Hewlett-Packard, Microsoft en Oracle. Het plan is erop gericht om de Afrikaanse jeugd waar dan ook op het continent te voorzien van alle mogelijkheden om de kennis en vaardigheden op te doen die noodzakelijk zijn om in de wereldeconomie mee te draaien.

Ook de vraag naar universiteiten stijgt. De American University in Caïro, die streng selecteert, heeft meer dan tachtigduizend studenten, maar de nabijgelegen universiteit van Caïro is met zo’n 350 duizend studenten een bescheiden stad geworden. Het komt geregeld voor dat eerstejaarscolleges zo’n zevenduizend studenten trekken en ook dat er een flink aantal studenten rondloopt met dezelfde voor- en achternaam. Dit zijn nauwelijks colleges meer te noemen, eerder conventies.

Niettemin overtreft de vraag om scholing het aanbod nog steeds. Hoe groot het tekort is, blijkt onder andere uit het probleem van de talloze illegale hogescholen waar veel Afrikaanse landen mee worstelen. Zoals de directeur van het Global Business Network van de International Finance Corporation Guy Pfeffermann aangeeft ‘kunnen goede business-schools belangrijk gereedschap zijn in de bijdrage aan economische groei in Afrikaanse landen. Het nieuwe samenwerkingsverband schept mogelijkheden voor professioneel netwerken in drie richtingen: tussen het noorden en het zuiden, het zuiden onderling en ? waarschijnlijk het allerbelangrijkst ? tussen Afrikaanse scholen onderling.’

Intussen groeit bij Amerikaanse en Europese business-schools de interesse in Afrika: prestigieuze business-schools in de Verenigde Staten halen talent naar de campus, draaien Afrikaanse uitwisselings- en afstudeerprogramma’s en bieden in Afrika ter plekke postdoctoraal onderwijs aan.

Maar behalve de mooie belofte voor de toekomst die een jeugdige afzetmarkt inhoudt, schuilt er ook gevaar in een jonge bevolking. Uit onderzoek van Population Action International blijkt dat tachtig procent van de gewapende conflicten in de jaren zeventig, tachtig en negentig, uitbrak in landen waar minstens zestig procent van de bevolking jonger was dan dertig jaar. Negen van de tien van deze ‘jeugdige’ landen werden geregeerd door alleenheersers of hadden te kampen met een zwakke democratie. Uit de verhandelingen van de Duitse antropoloog Gunnar Heinsohn blijkt dat een land een verhoogd risico op burgeroorlog of andersoortige conflicten loopt zodra het bevolkingspercentage van vijftien- tot 29-jarigen de dertig procent bereikt.

Jongeren vallen ook ten prooi aan allerlei levensbedreigende wantoestanden, zoals vrouwenbesnijdenis en zoiets simpels als gebrek aan goede sanitaire voorzieningen. En dan is er nog de hoge werkloosheid, waardoor het voor veel jongeren moeilijk is om uit huis te gaan en zelfstandig een leven op te bouwen.

Los van deze uitdagingen is de jeugd zeer aantrekkelijk voor de commercie.

Volgens de overlevering stroopte de Europese ontdekkingsreiziger Ponce de León in de zestiende eeuw Noord-Amerika af op jacht naar de legendarische Fontein der Jeugd. Vandaag de dag is de locatie geen mysterie meer: men hoeft er alleen in tegenovergestelde richting de Atlantische Oceaan voor over te steken. Iedereen kan zien waar de afzetmarkt van de toekomst zich bevindt, met name voor wie zich op de jonge consument wil richten.

Deze jeugd beseft dat dankzij hen dit werelddeel er heel anders zal gaan uitzien dan tijdens de hoogtijdagen van hun ouders. De cheeta-generatie is tegelijkertijd medeschepper van en deelnemer aan een welig tierende afzetmarkt, die de toekomst is van Afrika.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.