Een werkende vrouw wil geen BMWVrouwen zijn veel gelukkiger in hun werk dan mannen, ook al verdienen ze minder en dringen ze zelden door tot de top. De Canadese psycholoog Susan Pinker verklaart de sekseparadox. Toen Susan Pinker leerde over de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt werd ze helemaal enthousiast, vertelt ze. Driekwart van de Nederlandse vrouwen die werken doet dat in deeltijd, de helft van hen zijn moeders met minderjarige kinderen. ‘Dit is een rijk land, niet alleen in geld’, stelt Pinker vast. ‘Volgens de UNESCO staat Nederland in de top als het gaat om gezondheid en welzijn van kinderen. Verreweg de meeste kinderen zijn psychologisch goed aangepast. Ze hebben stabiele gezinsomgevingen van hun geboorte tot hun achttiende. Ze hebben uitstekende toegang tot onderwijs en gezondheidszorg.’ Maar Pinker heeft het niet alleen over kinderen. ‘Nederlanders zijn heel tevreden in hun werk. Relatief veel vrouwen zijn actief op de arbeidsmarkt; er zijn maar heel weinig vrouwen die niets verdienen. Waarom maken mensen zich dan druk over al die vrouwen die alleen maar in deeltijd willen werken? In Amerika zou het een enorm verschil maken als deeltijdwerk normaal werd.’ De arbeidsdeelname van vrouwen in Nederland is zeer laag vergeleken met andere landen in Europa. Van de Engelse vrouwen onder de veertig bijvoorbeeld werkt 78 procent voltijds; in Nederland is dat 57 procent. Bijna eenderde van de Engelse moeders met kinderen tussen de tien en veertien werkt voltijds; in Nederland is dat slechts acht procent. Het Centraal Planbureau meldde eind vorig jaar dat deeltijdwerken voor Nederlandse vrouwen, jong en oud, een bewuste keuze is: beleid zou weinig tot geen invloed hebben op het aantal uren dat vrouwen willen werken. Intussen wil de regering de arbeidsdeelname van vrouwen verhogen. Pinker, een Canadese psycholoog met een rubriek (Dear Susan) over ethische kwesties op het werk in de Globe and Mail, getrouwd en moeder van drie kinderen, zet daar vraagtekens bij. Ze was in Nederland voor de promotie van haar boek De sekseparadox: Mannen, vrouwen en hun kansen op succes, onlangs verschenen bij uitgeverij Contact. In haar lezing liet Pinker een video zien van een Japanse cartoon, Hataraki Man, die de afgelopen jaren in Japan op televisie te zien was. Hoofdpersoon is Hiroko Matsukata, een jonge vrouw die als journalist werkt op een krantenredactie, die af en toe – om tegemoet te komen aan haar veeleisende hoofdredacteur – met een klap en een lichtflits verandert in een man. In die gedaante werkt ze tachtig uur per week, slaapt ze op kantoor en krijgt ze alles voor elkaar wat de baas van haar verwacht. Maar liefde, eten en persoonlijke verzorging zijn even geheel van de baan; er bestaat alleen nog maar werk. Natúúrlijk verandert Hiroko op zo’n moment in een man, meent Pinker. Want zo’n leven als loonslaaf: dat is niets voor vrouwen. In haar boek staaft ze die boodschap met pagina’s vol onderzoeksresultaten en interviews met vrouwen die een topbaan hebben verruild voor minder betaald, maar meer bevredigend werk. Wat is het grootste verschil tussen mannen en vrouwen in hun opvattingen over werk? ‘Meer mannen dan vrouwen raken geobsedeerd door een doel. Ze willen voor hun vijfentwintigste een ton per jaar verdienen, of president worden, of een BMW bezitten – en ze gaan recht op dat doel af. Ze marcheren maar door, wat er ook gebeurt, zonder zich te laten afleiden door hun privéleven. Dat is schadelijk voor hun gezondheid en psychisch welzijn. Vrouwen volgen niet zulke vastomlijnde carrièrepaden. Ze laten het leven op zich afkomen en raken sneller beïnvloed door gebeurtenissen van buitenaf. Als ze zich ongelukkig voelen in hun werk, zeggen ze snel: dit is het niet waard, ik stop. De prijs die zij daarvoor betalen, is financieel: ze verdienen veel minder dan mannen.’ Wat vinden ze belangrijk in hun werk? ‘Vijfentachtig procent van hen vindt flexibiliteit en autonomie het belangrijkst. Ze willen zelf kunnen bepalen wat ze doen en wanneer, voor wie en hoe. Erkenning van aardige collega’s staat op nummer twee en een humanitair doel op drie. Geld is het allerlaatste wat vrouwen belangrijk vinden.’ Had u die kritiek verwacht? ‘Ik had niet gedacht dat mijn boek zo controversieel zou zijn. Het meeste wetenschappelijk onderzoek dat ik aandraag, is niet nieuw; ik heb het alleen bij elkaar gebracht. Ik was verrast door de woede waarmee het boek ontvangen is, want ik zeg helemaal niets raars. Ik zeg niet dat vrouwen nu eenmaal zo zijn en mannen zus, of hoe het zou moeten.’ Maakt u zich niet ook een beetje schuldig aan het versterken van clichébeelden? ‘Ik heb hard gewerkt om er geen zwart-witverhaal van te maken. Ik heb in het boek uitgebreid uitgelegd dat het gaat over gemiddelden en dat een statistisch gegeven nooit gaat over een individu. Mannen en vrouwen zijn ook niet zo radicaal verschillend; hun eigenschappen overlappen elkaar tot op grote hoogte. Maar helaas hebben niet alle lezers dat opgepakt. Sommige critici schreven dat ik zeer ambitieuze vrouwen als Hillary Clinton vergat. Dat is niet waar. Clinton behoort tot de twintig procent die kiezen voor hun carrière op een manier die we normaal gesproken van mannen verwachten. Ongeveer de helft van die vrouwen is kinderloos en van de anderen hebben de meesten maar één kind. Aan de andere kant: vrouwen die alleen maar thuis willen zijn voor hun kinderen vormen eveneens een minderheid van opnieuw ongeveer twintig procent. De rest van de vrouwen – zo’n zestig procent – zit in het midden en wil zowel werken als een prettig privéleven. Ik vind dat niet goed of slecht; ik vind het alleen interessant.’ Was u geschokt door de verschillen tussen de seksen die u tegenkwam? ‘Nee. Wat mij wel verbaasde, was dat de kloof tussen de seksen op de arbeidsmarkt juist alleen maar vergróót door zaken als zwangerschapsverlof, gelijke rechten, sociale verzekeringen, bescherming van gezinnen en vrouwen en de keuzevrijheid voor vrouwen. In Zweden is die kloof het grootst, en in ontwikkelingslanden is die kloof er nauwelijks; daar doen vrouwen veel vaker mannenwerk. Wat mij ook heeft verbaasd, is hoe fragiel mannen zijn, psychologisch gezien. Dat heeft niet te maken met opvoeding; ik heb veel jongens ontmoet met liefdevolle en ondersteunende ouders die toch allerlei problemen hadden. En het verbaast me ook dat niet veel meer mensen geïnteresseerd zijn in die kwetsbaarheid van jongens. Hoe komt het dat ze het toch beter doen in de maatschappij? Die vraag is nog onbeantwoord. Er is daar ook een paradox, want mannen zijn agressiever en ze nemen meer risico dan vrouwen – en tegelijkertijd zijn ze dus fragieler en kwetsbaarder dan vrouwen. Mannen betalen kennelijk een hoge prijs voor hun ambities: vrouwen worden immers veel ouder dan mannen. Dus wie wint er dan, uiteindelijk? Ik heb liever meer tijd van leven dan meer geld.’ Kunnen we veranderen of zijn mannen en vrouwen nu eenmaal zoals ze zijn? ‘We kunnen veranderen; biologie is geen lotsbestemming! De culturele evolutie gaat zelfs veel sneller dan tot voor kort werd aangenomen.’ Toch wordt in onze samenleving geld nog steeds opgevat als het hoogste doel. Moeten we niet eerder succes anders formuleren? ‘Maar natuurlijk! Geld lijkt inderdaad het hoogste goed te zijn: wij horen op de radio een paar keer per dag hoe het gaat met de beurs en onze financiële investeringen. Wat een onzin! Waarom horen we niet elke dag hoe het staat met het geluk van onze kinderen, of het psychische welzijn van een land? Dat is toch veel belangrijker? Ik heb heel veel reacties gekregen van vrouwen die me bedanken voor het boek en zeggen dat het hun gevoel weerspiegelt. Ik kreeg bijvoorbeeld een e-mail van een vrouw die hoofd is van de faculteit Natuur en Techniek van haar universiteit en schreef dat ze tussen haar collega’s de enige vrouw met kinderen was en dat ze niet hardop mag zeggen wat ik schrijf, maar dat ze het belangrijk vindt dat deze boodschap wordt gehoord. Ze schreef dat vrouwen niet geacht moeten worden als mannen te werken, terwijl ze zo anders in elkaar zitten. Dat hoor ik vaak. Vrouwen zeggen: “Zo voel ik het, maar ik heb niet het gevoel dat ik het openlijk mag zeggen.” Sterker nog: de meeste vrouwen die ik interviewde voor mijn boek – vrouwen die vertelden dat ze een topbaan hadden ingeruild voor een baan met minder status en minder salaris, maar meer bevrediging – wilden niet bij naam genoemd worden. En dat terwijl veel van die vrouwen meer voor de maatschappij doen dan de topmanagers die alleen maar een hele hoop geld verdienen voor zichzelf en hun bedrijf. We zijn kennelijk bang dat we falen als we niet doen wat de standaardman zou doen in een vergelijkbare positie.’ Wat moet er volgens u gebeuren? ‘Ik houd me niet bezig met beleid; ik analyseer alleen de situatie. Voor Nederland zou ik zeggen: dit is al een zeer succesvol land. Bijna ideaal. Nederlandse vrouwen werken omdat ze het op hun eigen voorwaarden kunnen doen, in deeltijdbanen. Een baan van vier dagen wordt hier voltijds genoemd.’ Maar het aantal vrouwen in topposities behoort in Nederland tot de laagste in Europa. Er zijn bijvoorbeeld heel weinig vrouwelijke hoogleraren. ‘Universiteiten moeten misschien eens kijken of ze vrouwen andere arbeidsvoorwaarden kunnen bieden, want nu zijn die gericht op mannen. In de periode dat de meeste mensen promoveren of bezig zijn met postdoctorale opleidingen, beginnen ze ook een gezin te stichten. Dus dat past niet goed voor vrouwen. Als iedereen ervan overtuigd is dat het goed is om vrouwen in topbanen te hebben, zouden de arbeidsvoorwaarden van die topbanen moeten veranderen. Overal waar je je eigen arbeidsomstandigheden kunt bepalen, zitten vrouwen goed. Een vrouw zal bijvoorbeeld zeggen: “Ik hoef geen vijf filialen; ik deel mijn baan met een ander, dan kan ik ook nog thuis zijn.” Vrouwen zijn heel creatief in het vinden van zulke oplossingen. De vrouwen die het gelukkigst zijn, zijn vrouwen met een veelzijdig leven: werk, gezin, sociale activiteiten. Sommige feministen zijn daar tegen: die vinden dat vrouwen zich op één terrein moeten perfectioneren. Maar wat gebeurt er als je een ander idee van succes ontwikkelt dan het gangbare? Dan zie je dat vrouwen met deeltijdbanen misschien niets perfect doen, maar wel een perfecte mix hebben.’
|
|


