Email   Print
Share  

Meer waarde

Tata Group, India’s grootste industriële conglomeraat, geeft jaarlijks miljoenen aan onderwijs, duurzame energie, gezondheid en liefdadigheid. Kan Tata zijn ‘compassievolle kapitalisme’ volhouden in de huidige wereldeconomie?

Jack Leenaars | 106 mei 2008 issue

Behoedzaam roert Chudamani Sardar door de koeienmest, totdat deze goed met het water vermengd is. Als bruin goud glijdt de smurrie door haar blote handen en verdwijnt vervolgens in een bolvormig reservoir. Tevreden kijkt Sardar op. Ze glimlacht. Zo, weer een dag gas om te koken!

Want zo simpel en doeltreffend zijn de biogasinstallaties, geplaatst door de Tata Steel Rural Development Society in Sidmakudar, een gehucht in de arme deelstaat Jharkand, in het oosten van India. Het leven in dit boerendorp wordt gekleurd door technologie die is aangeboden door bedrijven van Tata Group, ’s lands grootste en alomtegenwoordige industriÎle conglomeraat. Zo brandt er ’s avonds licht in Sardars lemen huisje dankzij het zonnepaneel van Tata BP Solar, pontificaal op het erf neergezet in de brandende zon. ‘De komst van Tata heeft ons leven enorm verbeterd’, zegt de 27-jarige Sardar verlegen onder de schaduwrijke bomen. ‘Alles is anders sinds we gas en licht hebben.’

‘Anders’ is het stempel dat de Tata’s altijd met zich hebben meegedragen. Niet zozeer vanwege de uitzonderlijke zakelijke successen – die in 2006 ook voor het eerst tot Nederland doordrongen, toen Tata Steel een eerste miljardenbod uitbracht op de Brits-Nederlandse staalproducent Corus, dat vorig jaar inderdaad werd overgenomen – maar vooral vanwege de menselijke principes van Jamsetji Tata, de in 1839 geboren grondlegger van het Tata-concern. Al in het begin van de twintigste eeuw – toen ethische waarden niet bestonden in de Indiase industrie – introduceerde Tata de achturige werkdag, gratis medische zorg en betaald verlof voor zijn werknemers: ideeën die hij had opgedaan tijdens zijn reizen naar Europa en de Verenigde Staten, ruim voordat deze in 1948 als wetten in India werden bekrachtigd. Voor de ambitieuze Tata was het niet goed genoeg om de beste te zijn in de wereld; als Parsi, behorend tot een in de dertiende eeuw uit PerziÎ gevlucht volk dat de mystieke Zoroastrische religie aanhangt, moest hij ook de beste zijn voor de wereld, zo werd hem door zijn ouders bijgebracht.

 
 

Wie vandaag naar de structuur en cultuur van de Tata Group kijkt, moet concluderen dat zijn filosofie van ‘teruggeven aan de samenleving’ springlevend is. Hoewel het Tata-concern bijna honderd ondernemingen telt in een eindeloze reeks sectoren en een beurswaarde vertegenwoordigt van ruim 45 miljard euro, vloeit de rijkdom niet zozeer naar de familie. Hoog in de jaarlijkse Forbes-lijst van rijkste mensen ter wereld prijken Indiase topmannen als de staalbaron Lakshmi Mittal en de gebroeders Ambani van Reliance Industries, maar Ratan Tata, de introverte bestuursvoorzitter en achterkleinneef van de oprichter, schittert er door afwezigheid. De familie bezit dan ook amper drie procent van de aandelen uit Tata’s houdstermaatschappij. Zo’n tweederde van de aandelen van Tata Sons is in handen van de Tata Trusts, een verzameling liefdadigheidsinstellingen. Voor oprichter Jamsetji symboliseerde de trust een van zijn diepste overtuigingen: wat van de mensen komt, gaat in veelvoud terug naar de mensen.

Vorig jaar werd dan ook 48 miljoen euro teruggegeven aan de Indiase samenleving: aan onderwijs, onderzoek, gezondheidszorg en goede doelen. De biogasinstallatie en het zonnepaneel van Chudamani Sardar zijn daar een voorbeeld van.

In de negentiende eeuw waren de Tata’s rijk geworden in de opiumhandel met de Chinezen – een episode die overigens wordt verzwegen in de officiële familieliteratuur. Wel verhaalt de ‘Tata-bijbel’ – het in glanzend zwart leer gebonden en 270 pagina’s tellende boek The Creation of Wealth – over het pionierswerk van Jamsetji Tata. Hij droomde ervan om van India een technologische en industriële grootmacht te maken, gelijkwaardig aan het imperialistische Westen. Voor hem waren een eigen staalindustrie en een goed opgeleid kader onmisbaar voor de onafhankelijke natie in wording die India was. Zijn droom heeft Tata zelf nooit mogen aanschouwen: hij stierf in 1904. Maar drie jaar later hadden zijn zoons ’s lands eerste staalfabriek gebouwd in het ongerepte oosten van het koloniale Brits-India, waar destijds boven op de beste ijzerertsvoorraad van India nog tijgers, olifanten en stammen heersten. De naam van de stad die rondom de fabriek ontstond, werd een eerbetoon aan zijn geestelijke vader: Jamshedpur.

Een eeuw later ademt deze staalstad nog altijd Tata. Nergens in India zijn de ideeën van Jamsetji Tata overtuigender bewaard gebleven dan in Jamshedpur. Een argeloze bezoeker zou zich wanen achter een ‘Stalen Gordijn’, waar het ‘tatalitarisme’ de samenleving indoctrineert. Het is Tata voor, Tata na. Het vliegveld heet Tata Airport, het treinstation Tatanagar en Tata-auto’s van Tata Motors rijden over de door Tata aangelegde wegen, die ’s nachts verlicht zijn met elektriciteit uit de centrales van Tata Steel. Ter ontspanning kunnen de inwoners naar culturele optredens in het Tata Auditorium of sporten bij de Tata Atletiek Academie of de Tata Voetbal Academie. Jaarlijks wordt op 3 maart Founders Day gevierd, de geboortedag van de grote roerganger.

Het was de visie van Jamsetji om een modelstad te ontwikkelen die India ontwikkeling en waardigheid zou brengen. Tegenwoordig geldt Jamshedpur nog steeds als een oase van groene parken, ruime wooncomplexen, eersteklas voorzieningen als water en elektriciteit, professionele sportcentra en – zeer ongewoon in India – een moderne, efficiënte vuilnisophaaldienst. Deze stad op 64 vierkante kilometer telt zo’n 700 duizend inwoners – van wie twintigduizend op de loonlijst van Tata Steel staan – en is met recht een modelstad te noemen.

‘Jamshedpur is de eerste stad in India met ISO 14001’, zegt Kanwal Midha, verwijzend naar de internationale kwaliteitsnorm voor milieuzorg. Sinds twee maanden is Midha met pensioen; daarvoor was hij directeur van Jusco, de organisatie die de stad namens Tata Steel bestuurt. In zijn ruime kantoor met uitzicht op de bloementuin voegt hij toe: ‘Het zijn de normen en waarden van Tata die ons op deze hoge kwaliteitsstandaard hebben gebracht. Zelfs het leidingwater kan hier worden gedronken: een ongekende luxe in India.’

Vanuit Jamshedpur heeft het businessmodel van de Tata’s zich ontwikkeld tot een voorbeeld van sociaal, compassievol kapitalisme. ‘Hun maatschappelijke verantwoordelijkheid onderscheidt hen van oudsher van anderen’, vertelt ontwikkelingsspecialist Meera Mitra, auteur van het vorig jaar verschenen It’s Only Business: India’s Corporate Social Responsiveness in a Globalized World. ‘De Tata’s zijn qua filantropische activiteiten niet uniek in India. Maar waar anderen zich richten op een “lappendekenfilantropie”, richten de Tata’s zich op constructieve filantropie.’ Ze bedoelt dat veel liefdadigheid zich richt op het voeden en steunen van de allerarmsten, terwijl Tata zich juist richt op duurzame ontwikkeling door instituten en onderwijsinstellingen op te zetten en te steunen die het land op de lange termijn helpen ontwikkelen. ‘De Tata’s zijn in India pioniers geweest door hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te institutionaliseren.’

Op ieder niveau binnen het Tata-concern zijn initiatieven en instrumenten ontwikkeld om de bedrijfsfilosofie te waarborgen en te stimuleren. Zo werd tien jaar geleden een lijst met 25 clausules opgesteld waaraan alle Tata-ondernemingen en hun werknemers zich behoren te houden: geen smeergeld, geen steun aan politieke partijen en alle bedrijfsactiviteiten moeten het land ten goede komen. Voor de naleving is in ieder Tata-bedrijf een ‘ethisch raadsman’ aangesteld, als een soort ombudsman. Al vijf jaar vervult Rekha Seal die functie binnen Tata Steel in Jamshedpur. ‘Het is een vertrouwenspositie waar misstanden binnen het bedrijf kunnen worden aangekaart op alle niveaus’, vertelt Seal in haar groene sari. Op de muur achter haar hangt haar lijfspreuk: ‘We manage with trust.’

‘Het handhaven van onze waarden is Ûnze manier om te overleven als onderneming op de lange termijn’, voegt vice-president Bedrijfsdiensten van Tata Steel, Partha Sengupta, later toe in het gastenverblijf. Hij is moe van de lange reis die hij deze ochtend heeft gemaakt naar de ijzerertsmijnen, over slechte en stoffige wegen. ‘Op onze visie hoeven we geen compromissen te sluiten; het Tata-model gaat de wereld veroveren.’

Toch is niet iedereen alleen maar enthousiast. In 2006 werd een gitzwarte pagina in de geschiedenis van het concern geschreven, toen de politie twaalf protesterende boeren in Kalinganagar doodschoot, na een langlopend conflict om onteigening van hun grond; Tata Steel wil op hun land een staalcomplex bouwen. Een vergelijkbaar conflict loopt met landeigenaren in Singur, een district in West-Bengalen, waar Tata Motors de Nano gaat produceren, ’s werelds goedkoopste auto.

Op het gebied van mensenrechten ligt nog veel ruimte voor verbetering, meent Viraf Mehta, ex-werknemer van Tata Steel Rural Development Society en nu directeur van Partners in Change, een organisatie die maatschappelijke verantwoordelijkheid in het bedrijfsleven stimuleert. ‘De Tata’s bieden een eerlijke compensatie en goede alternatieve huisvesting,’ erkent Mehta, ‘maar veel keus hebben de bewoners van de gebieden niet. Wat dat betreft, blijft het een oneerlijke strijd.’

Ook staat volgens hem het milieu te laag op het prioriteitenlijstje van de Tata’s. ‘Neem de Nano: een auto voor nog geen 2000 euro, een prachtige prestatie en mooi voor de Indiase massa,’ prijst Mehta vanuit zijn kantoor in de hoofdstad New Delhi, ‘maar het is geen milieuvriendelijke auto. Tata Motors heeft zich niet gericht op auto’s die lopen op biodiesel of op alternatieve energiebronnen. Daar had de groep zich internationaal echt mee kunnen onderscheiden!’

En ‘internationaal’ is de nieuwe omgeving waarin het Tata-concern tegenwoordig opereert al wel. Onder leiding van de huidige bestuursvoorzitter Ratan Tata, in het zadel sinds 1991, is de Tata Group uitgegroeid van een Indiase vastgeroeste industriële gigant tot een financieel gezonde en mondiaal opererende groep die actief is in tachtig landen, met bijna 300 duizend werknemers.

De globalisering van de Tata Group is indrukwekkend, maar is het sociale beleid wel afgestemd op deze bedrijfsuitbreiding? Onvoldoende, meent Mehta. ‘De Tata’s hebben in India een imponerende traditie op het gebied van verantwoord ondernemen, maar naar internationale normen zijn de huidige prestaties minder aansprekend. Daar is nog veel werk te doen.’

De zeventigjarige Ratan Tata geldt als de belangrijkste hoeder van de Tata-filosofie binnen het concern. Maar hij is ook de laatste Tata-telg die het bedrijf zal leiden, want een opvolger uit de familie ontbreekt. Begin dit jaar gevraagd naar wat zijn troonopvolger absoluut moet bezitten, antwoordde de zachtaardige businesstycoon in een interview met Business Week: ‘Waarden. Je kunt het spel spelen zoals iedereen dat doet. Met ongetwijfeld meer winst en groeimogelijkheden. Maar dan ben je precies zoals alle anderen.’

Daarmee is de vraag hoe de ethiek in Tata’s bedrijfsmodel standhoudt in de huidige wereldeconomie nog altijd onbeantwoord. Immers, 66 procent van de aandelen in het bezit van een liefdadigheidsinstelling, 25 miljoen euro per jaar om een modelstad te besturen waar honderdduizenden mensen wonen zonder relatie met Tata Steel… - anno 2008 lijkt het kostbaar, inefficiÎnt en veel te idealistisch.

Op kleine schaal zijn al scheurtjes te zien in het stadsmodel Jamshedpur, waar duizenden mensen de afgelopen jaren zijn neergestreken in krotten buiten de groene zones van de stad. Ze worden aangetrokken als door een oase in de woestijn. De aandelen van de trusts kunnen – zoals nu – dienen om hun leefsituatie te verbeteren, maar ze zouden even goed kunnen worden aangewend voor een nieuwe internationale overname, waarvoor miljarden nodig zijn.

Sengupta, van Tata Steel, heeft daar maar ÈÈn antwoord op: ‘Jullie westerlingen redeneren altijd vanuit geld. Maar onze waarden en normen, trusts en filosofie zijn diepgeworteld in onze bedrijfscultuur, als DNA. Dat is waar Tata voor staat en altijd zal blijven staan. In financieel goede en slechte tijden. In India en daarbuiten.’

Jack Leenaars is freelance journalist en woont in New Delhi, India.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: