Email   Print

Leren te praten

Het verhaal van een Israelier die bij een terroristische aanslag zijn zus verloor, maar de moed vond om voor vrede te strijden.

Elik Elhanan | 106 mei 2008 issue

Ik ben geboren en getogen in Jeruzalem. Ik heb een normale, gelukkige jeugd gehad. Ik kom uit een liberaal, links gezin, wat inhoudt dat ik de situatie een beetje kende. Ik was voor vrede, maar ik voelde me nooit betrokken bij het conflict tussen IsraÎli’s en Palestijnen. Mijn leven en dromen stonden daar ver vanaf. Het dagelijkse leven in Israël hielp mee. Hoewel ik ben opgegroeid in Jeruzalem, de grootste Israëlisch-Palestijnse stad, had ik nooit een Palestijn leren kennen of gesproken. Wat mij betrof, leefden we in verschillende werelden.

Op mijn achttiende ging ik in dienst. Dat was verplicht, maar ik ging met plezier. Ik vond het mijn plicht als burger; ik vond dat je je bijdrage moest leveren aan je gemeenschap; ik geloofde dat ik de grenzen van mijn land ging beschermen en mijn landgenoten ging verdedigen. Maar mijn luchtbel werd doorgeprikt door een scherf van de realiteit.

Het bericht dat er een bom was afgegaan, ontving ik toen ik ver van huis op oefening voor het een of ander was. Mijn zus Smadar werd vermist. Ik herinner me nog de lange weg naar huis, terwijl ik er het beste van hoopte. Maar zodra ik mijn ouders zag, wist ik het. Ze waren net terug van het mortuarium, waar ze het lichaam van mijn zus hadden geïdentificeerd.

Smadar stierf op 4 september 1997. Op die dag bliezen drie Palestijnen zich in het centrum van Jeruzalem op, waarbij vier jongeren omkwamen en 192 mensen gewond raakten. Smadar was veertien jaar. Ze was met een paar vriendinnen de stad in gegaan om spullen voor school te kopen. Mijn zusje en haar vriendinnen hadden de pech dat ze zich in de buurt van een van de zelfmoordenaars bevonden. Ze was op slag dood, net als haar beste vriendin. De toestand van de andere vriendin was kritiek.

Wanneer je met zo’n situatie wordt geconfronteerd, is je eerste vraag natuurlijk: hoe moet ik verder? Hoe moet ik dit verdriet verwerken? De samenleving reikt verschillende mogelijke antwoorden aan. Je kunt bedroefd worden of je kunt kwaad worden.

Maar het leven is te kostbaar om het te verspillen aan bedroefd terugkijken. Ik vond dat mijn levendige, liefdevolle zusje iets beters verdiende dan op zo’n droeve manier te worden herinnerd. Ik begreep dat ik zelf het eerste slachtoffer zou worden van mijn woede. Zwichten voor woede, haat en angst is niet moeilijk, vooral niet als je gekwetst bent door een anonieme dreiging als terrorisme. Er is niet iemand die je kunt haten, daarom haat je iets: niet een Palestijnse man, maar de Palestijnen – allemaal. Maar het vooruitzicht te leven als iemand die alles vreest en iedereen haat, was voor mij onaanvaardbaar. En de mogelijkheid van wraak was ook niet bevredigend. Op wie moest ik me wreken? Zou ik me dan beter voelen? De man die mijn zusje had vermoord, was immers dood.

Wat ik miste in mijn leven was Smadar, mijn zus, niet eer of voldoening. Het maakte niet uit hoeveel Palestijnen er zouden sterven: zij kwam niet meer terug. Moesten er vanwege mijn verdriet nog meer levens kapot worden gemaakt? Ik besloot dat ik dat niet mocht laten gebeuren.

Mijn zusje stierf niet om IsraÎl te beschermen; ze stierf niet omdat Arabieren van nature slecht zijn of omdat de islam een kwaadaardig geloof is. Ze stierf vanwege een politieke situatie, die door mensen is veroorzaakt en oplosbaar is. De gebeurtenissen van onze tijd bewijzen dat er geen gewelddadige oplossing is voor geweld. Als je wilt dat mensen ophouden jou en zichzelf te doden, moet je ze een reden geven om te leven. Ik zag in dat geweld besmettelijk is, en alleen maar meer geweld kan voortbrengen.

Als we werkelijk een einde willen maken aan het geweld en willen garanderen dat er geen onschuldige slachtoffers meer vallen, moeten we strijden voor een vredesregeling. Ik zet me op allerlei manieren in voor de vrede, maar de belangrijkste is volgens mij het Familieforum, een groep van vijfhonderd families – 250 uit Israël en 250 uit Palestina – die in het conflict een naaste hebben verloren. Via die groep heb ik Palestijnen leren kennen, Èchte Palestijnen: geen clichÈs of karikaturen, maar mensen als Ali Abu Awwad, die vier jaar in IsraÎlische gevangenissen heeft gezeten, wiens broer door een militair is vermoord en die zelf door een kolonist is beschoten. Toch wil Ali nog steeds vrede. En er zijn er meer zoals hij.

Als Ìk met die mensen kan praten - velen van hen waren vroeger lid van Palestijnse verzetsorganisaties als degene die mijn zusje heeft gedood - en als zÌj met mij kunnen praten nadat ze een familielid hebben verloren, dan heeft niemand een excuus om niet hetzelfde te doen. We willen rouwende mensen laten zien dat er een andere manier bestaat om hun verdriet te verwerken, met hoop in plaats van haat. In onze groep weten we dat vrede alleen via dialoog tot stand zal komen. We weten dat het noodzakelijk is dat beide partijen de geschiedenis, het lijden en de verwachtingen van elkaar kennen. Als wÌj met elkaar kunnen praten, kan iedereen het!

Elik Elhanan is lid van het IsraÎlisch-Palestijnse Familieforum, ook wel bekend als Rouwende Ouders voor Vrede. Dit is een fragment van een toespraak die werd gepubliceerd in Occupation Magazine (kibush.co.il).


Tools: Discuss | Email | Print | RSS | Weekly Newsletter
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.