Email   Print

Lessen in liefde

Op zijn Stads-Montessorischool in het Noord-Indiase Lucknow leert Jagdish Gandhi kinderen de wereld te veranderen.

Ingrid Eissele | 104 maart 2008 issue

Het is avond. Jagdish Gandhi, die op de achterbank van zijn auto zit, stopt zijn mobiele telefoon weg en spreidt een zakdoek uit over zijn magere knieën, want het is etenstijd. Wat eet hij vandaag? Een verrukkelijke curry? Nee, rauwe uien, grof gesneden. Buiten stinkt het naar uitlaatgassen en smeulende vuren. Binnen beginnen onze ogen te tranen, terwijl we zitten te luisteren naar gebedsteksten uit de cassetterecorder.

Gandhi is niet de echte naam van Jagdish. Hij heeft hem aangenomen toen hij twaalf was. Hij komt van het platteland en zijn ouders waren arme boeren. Een van zijn ooms vertelde hem over Mahatma Gandhi en hij bewonderde diens werk voor de armen en zijn vreedzame strijd tegen de Britse koloniale overheersers. Toen een hindoe-fanaticus Gandhi in 1948 vermoordde, wilde Jagdish onmiddellijk zijn naam veranderen. ‘Als je vader toestemming geeft, mag dat in India’, zegt hij. Zijn vader gaf die toestemming.

Gandhi heeft wel iets weg van zijn beroemde naamgenoot: de 71-jarige is tenger, maar energiek en draagt een bril met een donker montuur. Hij zet ook het werk van Mahatma Gandhi voort, door middel van zijn Stads-Montessorischool, die meer dan 32.000 leerlingen telt, verspreid over twintig gebouwen door heel Lucknow, een stad van tweeëneenhalf miljoen inwoners Om de drie, vier jaar opent Gandhi een nieuwe dependance, omdat de school dan voor de zoveelste keer uit zijn voegen barst. Zal hij ooit de 100.000 leerlingen halen? ‘Misschien wel’, zegt hij. ‘Zoveel we maar kunnen.’ Maar Ghandhi wil meer dan kinderen leren lezen en schrijven. Hij wil de wereld veranderen.

Op de Indira Nagar-School, een van de twintig dependances, raast Gandhi als een wervelwind het gebouw binnen. Tweehonderd kinderen zitten er op de grond. Hun haar is netjes gekamd; hun blauw-wit-rood-gestreepte dassen zijn perfect gestrikt. Gandhi ‘wil alleen even iets zeggen’, maar spreekt vervolgens ruim een uur over oorlog en vrede. Niemand waagt het te fluisteren. ‘In de hele wereld,’ zegt hij, ‘zijn genoeg atoombommen om onze aardbol duizend keer te verwoesten. De mensen die de bommen maken, zeggen dat die bommen ons vrede brengen, dat mensen elkaar moeten doden omwille van de vrede. Is dat wat jullie willen?’ De kinderen roepen: ‘Nee!’

Gandhi kijkt zijn jonge publiek rond. ‘We zijn allemaal kinderen van dezelfde vader. Waarom zouden we elkaar moeten doden?’, vraagt hij. ‘We zijn allemaal even dicht bij God.’

Zeventig procent van de leerlingen van de Stads-Montessorischool is hindoe, een kwart is moslim en de rest is christen, boeddhist, sikh of joods. Toch maakt dat in het dagelijks leven niets uit. ‘Om in Lucknow te komen kun je de bus nemen, maar ook de trein of het vliegtuig. De manier waarop is anders, maar de bestemming is immers dezelfde.’, zegt Sudersh Kaur, een sikh en een van de twintig directeuren. Dankzij zulke tolerante opvattingen heeft de school vijf jaar geleden de UNESCO-prijs voor vredesonderwijs ontvangen. Dat is een bijzonder teken van erkenning in de door conflicten verscheurde Indiase staat Uttar Pradesh. Zo werden op hetzelfde moment dat Gandhi zijn leerlingen toesprak moslims door de straten van een naburige stad gejaagd en hun bedrijven verwoest, als wraak voor de moord op een hindoe-parlementslid.

Gandhi, zelf praktiserend lid van de bahái-sekte die gelijkwaardigheid tussen de seksen en verdraagzaamheid ten opzichte van alle godsdiensten omarmt, gelooft dat religieus racisme een van de grootste kwaden van deze tijd is. ‘Krishna is 5000 jaar geleden tot ons gekomen, Christus 2000 jaar geleden, Mohammed 1400 jaar geleden’, zegt hij. ‘Allemaal zijn ze boodschappers van dezelfde God.’ Wie is er ontvankelijker voor deze boodschap dan een kind? Leer het ze jong, is Gandhi’s devies. In de klas hangen afbeeldingen van Krishna, Jezus en Boeddha. ‘Jullie zijn wijzer dan veel volwassenen’, bemoedigt Gandhi zijn kleintjes. Het is de bedoeling dat ze hun eigen religie trouw blijven, maar ook wereldburgers zijn die tolerantie kunnen opbrengen voor het feit dat anderen anders zijn. Gandhi wil dat zijn school ‘een vuurtoren voor de maatschappij’ is.

Gandhi heeft zijn school opgericht in 1959, toen hij en zijn vrouw Bharti vijf kinderen privé-les gingen geven. Hun pedagogische missie: ‘de wijsheid en goedheid in moderne kinderen ontwikkelen’. Bovendien gelooft Gandhi dat kinderen voorbereiden op een goede loopbaan even belangrijk is als fatsoenlijke mensen van hen maken. ‘Geld verdienen is een talent dat God je schenkt’, zegt hij. ‘Je zou op zijn minst in één ding echt goed moeten zijn. Het maakt niet uit of dat muziek, kunst of wiskunde is. In het woud van kennis en wijsheid moet jij de leeuw zijn!’

Een van de dingen die Gandhi en zijn mededocenten onderwijzen, is voor de armen zorgen en het kastensysteem negeren. De leerlingen helpen in bejaardentehuizen en ziekenhuizen; ze zorgen voor weeskinderen en houden parken en tempels schoon.

‘Meneer Gandhi wil zijn overtuigingen er bij ons inhameren’, zegt Iyoti, die in de hoogste klas zit. ‘Tegen de tijd dat je in het laatste jaar zit, heb je ze zo vaak gehoord dat je ze niet meer kunt vergeten.’ Hoe moeilijk de oude man ook kan zijn met zijn gepreek, geen van de jongeren laat toe dat hij bekritiseerd wordt. ‘Hij inspireert ons’, zegt Himank van zeventien, die Gap T-shirts draagt en bekendstaat als feestbeest. ‘Hij wil dat wij de moed hebben onze mond open te doen’, zegt Iyoti. ‘Zelfs de meisjes.’

‘Hoe beter je bent opgeleid, hoe minder de religieuze verschillen een rol kunnen spelen,’ meent Aradhna van zeventien. Ze is hindoe, net als haar vriend Iyoti. Zonder enige bedenking gingen ze allebei geld inzamelen voor de aardbevingsslachtoffers in het islamitische buurland Pakistan, hoewel ze geen van beiden veel bezitten. Hun moeders zijn lerares aan de school en vergeleken bij veel andere leerlingen zijn ze arm. ‘We hebben er kinderen bij die echt rijk zijn, maar door ons schooluniform maakt dat niet uit’, zegt Aradhna.

Aradhna en Iyoti maken deel uit van Gandhi’s droom, die hij ‘de eenheid van de wereld’ noemt. Hij heeft gesproken op de VN-Millenniumtop in New York, maar ziet de VN als een papieren tijger, omdat deze ruim zestig jaar lang honger, volkerenmoord en milieurampen heeft toegelaten. De Europese Unie geeft daarentegen een goed voorbeeld, vindt hij, met een verenigde economie, één munteenheid, wetten die voor iedereen gelden en de waarborg dat geen enkel land een ander zal aanvallen. Zo zou een wereldregering eruit kunnen zien, gelooft hij. Conflicten tussen landen zouden aan een ronde tafel behandeld moeten worden, met neutrale rechters om uitspraak te doen wanneer de partijen het niet eens kunnen worden.

Zijn leerlingen beelden dit uit: in hun Wereldparlement debatteert China, gestoken in Djengis Khan-kostuum, met de Verenigde Staten, gekleed als bloemenmeisje. Irak is een meisje in het zwart dat het recht op onderwijs opeist. En Saoedi-Arabië, dat een hoofddoek draagt, eist ‘oplossingen op wereldschaal voor problemen op wereldschaal’. Terwijl dit alles zich afspeelt, beweegt een vredesengeltje in wit satijn zijn armen op en neer, alsof hij zo zou willen wegvliegen.

Het is een prachtig gezicht, maar Gandhi weet dat conflicten tussen volwassenen weerbarstiger zijn. Toen in 1992 fanatieke hindoes in de stad Ayodha, op 55 kilometer afstand, een moskee verwoestten en duizenden moslims vermoordden, dreigde het conflict over te slaan naar Lucknow. Gandhi vroeg de religieuze leiders van beide kanten naar zijn school te komen. Naderhand gingen de leiders met luidsprekers door de straten en riepen hun aanhangers op tot gematigdheid. Duizenden leerlingen en ouders gingen de straat op en droegen spandoeken met de slogan: ‘God is Een’. De docenten trokken de woonbuurten in en legden de gezinnen uit dat ‘geen enkele godsdienst om dit soort geweld vraagt’, zegt Gandhi. Ze hadden succes. In Lucknow werd escalatie van het geweld voorkomen.

Kort geleden waren op een zondag 2000 leerlingen uit zeventien landen te gast in Lucknow. Kinderen uit India werkten zij aan zij met kinderen uit Sri Lanka, Nigeria, Engeland en Bosnië. Ze hielden debatten of maakten collages van krantenkoppen, vogelveren en gebruikte computeronderdelen. De Aarde lag met een bebloed verband om op de intensive care van een ziekenhuis en kreeg een infuus. ‘Van harte beterschap’ stond er op een boeket.

‘Ze zijn zo aardig’, zegt de Bosnische Amina van zeventien over de leerlingen in Lucknow. Haar moeder, die secretaresse is in Serajevo, heeft Amina alleen grootgebracht, nadat haar vader was doodgeschoten toen ze drieënhalf was. Niemand hoeft Amina uit te leggen wat oorlog betekent. Zelfs Max, die uit de Nepalese hoofdstad Kathmandu komt, weet wat oorlog betekent: angst om zijn oma, die nog altijd in het dorp woont dat hij is ontvlucht; angst dat de maoïsten haar zullen gijzelen.

Ondertussen is Gandhi hard aan het werk in zijn piepkleine kantoortje. Hij zit in kleermakerszit, met een kaarsrechte rug. Een citaat van Martin Luther King siert een kastdeur: ‘Duisternis kan de duisternis niet verdrijven, dat kan alleen licht.’ Het schijnsel van Gandhi’s vuurtoren is van heel veraf zichtbaar.

Ingrid Eissele is journalist in Duitsland en schrijft voor het blad Stern, voornamelijk over onderwijs.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
TheProfesh, United States
Hdating, The Netherlands