Van armoede naar vredeDe betekenis van de Nobelprijs voor Muhammad Yunus Toen Muhammad Yunus in de jaren zeventig geld begon te lenen aan hardwerkende, arme mensen deed hij iets wat niet erg populair was. Als je armen wilde helpen, gáf je geld. Lenen? Zoiets deed je gewoon niet. Het was 1974, hongersnood in Bangladesh. En Yunus, 34 jaar en juist benoemd tot hoofd van de economische faculteit van de universiteit van Chittagong, ging in de dorpen op bezoek bij mensen die lagen te verhongeren, gaf ze uit eigen zak een lening van soms niet eens een euro en zei dan: betaal maar terug wanneer je kan... Dat was toch belachelijk? Ruim dertig jaar later is Muhammad Yunus een gevierd man. Microkrediet, het systeem van kleine leningen dat hij had bedacht, is uitgegroeid tot het succesverhaal in de armoedebestrijding en een vitaal instrument om duurzame vrede te bewerkstelligen in geteisterde gebieden. De Verenigde Naties riepen 2005 uit tot het Jaar van het Microkrediet en onlangs is de Nobelprijs voor de Vrede aan Yunus en zijn Grameen Bank toegekend. Is dat hypocriet, zo’n late bejubeling? Is het een onverwachte, plotselinge bevestiging van het gelijk dat Yunus altijd al had? Welnee, microkrediet heeft gewoon de stadia doorlopen die ieder vernieuwend idee doormaakt: eerst uitgelachen, dan bekritiseerd en tot slot, als volstrekt normaal aanvaard en omarmd. Het zijn dezelfde stadia die ook, bijvoorbeeld, het idee van democratie heeft doorlopen. Of vrouwenrechten, milieubescherming en vakbonden – en vele andere verworvenheden die ooit als luchtfietserij werden weggezet. En het zijn – naar alle waarschijnlijkheid – dezelfde stadia die hoognodige vernieuwingen op het gebied van duurzame energie, verantwoord ondernemen, directe democratie, onderwijs en gezondheidszorg zullen doormaken. Dat was Arthur Schopenhauer, van die stadia. Maar ook Mahatma Gandhi zei iets dergelijks: ‘Eerst negeren ze je, dan lachen ze je uit, dan bevechten ze je – en daarna win je.’ Maar waaraan moet een nieuw idee – en de ideeënmaker – voldoen om door te dringen tot de gevestigde orde? Immers, niet ieder idee wordt beloond met een Nobelprijs... Enige incubatietijd is logisch: de kracht van een idee moet eerst worden bewezen. Pas daarna wordt het een prooi voor de grote wereld. Met microkrediet moest dat bewijs er ook eerst komen. Het kwam in een traditionele vorm: boekhouding. Grameen Bank en andere microfinancieringsinstellingen lieten zien dat wel 98 procent van de leningen op tijd wordt terugbetaald: veel hoger dan bij commerciële banken. Ze lieten zien dat de kredietverlening aan de allerarmsten een financieel rendabele markt kan vormen. Het commerciële succes van Grameen Bank – dat uiteindelijk zonder donorgeld zichzelf weet te bedruipen – heeft ook grote banken overgehaald om zich met microfinanciering te bemoeien: allereerst in de arme landen zelf en later ook in de Westerse landen. Het past in die geleidelijke ontwikkeling dat microkrediet in Nederland vooral ook groot is geworden dankzij de inspanningen van kleine, idealistische banken als Triodos Bank en ASN Bank, die sinds de jaren negentig naast speciale fondsen ook spaargeld van klanten onderbrengen bij microfinancieringsinstellingen in ontwikkelingslanden. Marilou van Golstein Brouwers, directeur Internationale Fondsen van Triodos Bank, ziet nu hoe grotere banken als ABN Amro en Rabobank in de voetsporen van de kleine bank uit Zeist zijn getreden: ‘Voor vernieuwing moet je altijd bij de pioniers zijn, niet bij de gevestigde partijen.’ Op weg naar erkenning kreeg de Grameen Bank het eerst nog zwaar te verduren. In 2001 was er een vernietigend artikel in The Wall Street Journal. De eerste woorden van het artikel op de voorpagina waren weinig subtiel: ‘Microkrediet is een fantastisch idee met één probleem: de bank die het beroemd heeft gemaakt.’ Alleen al de herinnering aan het artikel kan Yunus nog altijd in woede doen ontsteken. Ook volgens buitenstaanders werd de Grameen Bank veel te hard afgerekend en was iedere nuance zoek. Yunus klom in de pen om de krant van repliek te dienen. Zal hij zich toen hebben gerealiseerd dat het artikel een bevestiging was van het feit dat zijn bank, zijn idee, definitief de weg omhoog had gevonden? Zou hij zich hebben gerealiseerd dat kritiek – volgens Schopenhauer – nu eenmaal onderdeel is van de groei van een idee? In zijn fenomenale boek, The Tipping Point, behandelt journalist Malcolm Gladwell hoe ‘sociale epidemieën’ ontstaan: of het nu gaat om de wonderbaarlijke terugkeer van uit de mode geraakte schoenen, of de bizarre stijging van zelfmoorden onder jongvolwassenen in Micronesië. Gladwell maakt onderscheid tussen drie typen mensen die alle cruciaal zijn om een idee verder de wereld in te brengen: verbinders (die de juiste contacten hebben), verkenners (betweters met een sterke behoefte om anderen een geïnformeerde keuze te laten maken) en verkopers (die anderen kunnen verleiden tot kopen of gedrag). Muhammad Yunus verenigt in elk geval twee van die typen in zich, meent Iqbal Quadir, die nauw met de Grameen Bank heeft samengewerkt om via Grameen Phone mobiele telefonie in Bangladesh te stimuleren (zie Ode 75, april 2005). ‘Yunus is een superverbinder. Hij weet precies wat hij moet zeggen als hij mensen ontmoet als Bill Clinton, die hem feitelijk groot heeft gemaakt. En Yunus is een fantastische verkoper: hij kan mensen erg gemakkelijk overtuigen.’ Maar er iets wat nog belangrijker is, meent Quadir, thans verbonden aan een programma van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston in de Verenigde Staten om via ondernemerschap ontwikkeling te stimuleren: Yunus is erg praktisch ingesteld. Waarmee hij maar wil zeggen: Yunus krijgt dingen voor elkaar. Misschien heeft het idee van Yunus ook gewoon de tijdgeest mee. Dertig jaar geleden werd het niet chic gevonden om geld aan armen te lenen. Het strookte niet met het geloof in de maakbare samenleving, die vooral uitging van de gedachte dat de overheid het moest regelen, van bovenaf gestuurd, top-down. Miljardenhulp, van de ene overheid naar de andere, paste in die tijd. Maar microkrediet gaat uit van de unieke mogelijkheden en talenten van het individu. Dus is het logisch dat we eerst van ons geloof in de maakbare samenleving moesten afstappen om microkrediet te omarmen. Die analyse komt van Peter Delahay, econoom en astroloog. ‘Bureaucratie verdraagt microkrediet niet, want ambtenaren volgen de gelijkheidsgedachte.’ In de jaren negentig van de vorige eeuw brokkelde dat geloof in de maakbare samenleving af. De grenzen gingen open, de vrije markt werd opnieuw uitgevonden en monopolies werden afgeschaft. Die ontwikkelingen, zo redeneert Delahay, boden ruimte aan andere benaderingen van onderop. Ontwikkelingshulp kwam onder vuur te liggen: het geld kwam niet bij de armen terecht en ze werden nota bene niet eens betrokken in de besteding van het geld. Voorheen werden die bezwaren louter in de marge geuit, nu werden ze luider. En er ontstond ruimte voor een ‘nieuw’ instrument voor armoedebestrijding die uitging van het geloof in de aangeboren menselijke drift om zich voortdurend te ontplooien: microkrediet. De doorbraak van microkrediet biedt hoop.Die doorbraak biedt hoop aan al die andere ideeën, initiatieven en baanbrekende visies die de wereld schoner, duurzamer en rechtvaardiger zullen maken. Het succes van microkrediet en Muhammad Yunus is een antwoord op het cynisme en de scepsis die noodzakelijke vernieuwing zo vaak in de weg staan. Vanaf de burelen van Ode zien we voortdurend nieuwe contouren van ideeën en initiatieven die de wereld voorgoed zullen veranderen. Zo kent Nederland bijvoorbeeld een golf van onderwijsvernieuwing, die wordt gestuwd door de opkomst van Iederwijs, scholen waar kinderen kunnen leren wat zij belangrijk vinden, zonder onderwijzers die hen de verplichte lesjes voorschotelen. Iederwijs, waarvan de filosofie overigens voortborduurt op de Sudbury Valley School in de Verenigde Staten uit de jaren zestig, doet met onderwijs wat de Grameen Bank deed met ontwikkelingshulp. En dus ontmoet Iederwijs nu de golf van verzet die Schopenhauer voorspelde. En wat te denken van de brandstofcel en het zonnepaneel? En van de waterstofeconomie? Hoe vaak moeten we niet lezen dat die schone vormen van duurzame energie nog decennia op hun doorbraak moeten wachten, terwijl de onheilspellende toekomst van de klimaatverandering zich intussen vandaag aandient? Let op: nauwelijks nog in de coulissen staat hier een nieuwe kandidaat voor een Nobelprijs. De Amerikaanse natuurkundige Amory Lovins betoogt al jaren dat de waterstofeconomie vandaag én goedkoop én duurzaam én succesvol kan worden ingezet. Dat geluid klonk ooit als het originele, ongepaste antwoord van Muhammad Yunus op de armoedebestrijding van dertig jaar geleden. Ook Lovins kent de hoon. Maar inmiddels luistert de gevestigde orde steeds meer en steeds beter naar Lovins. Hij zal echte, duurzame energie sneller dichterbij brengen – met of zonder Nobelprijs. Nieuwe ideeën willen werkelijkheid worden. En het mooie is dat daar niets tegen te doen is. Een nieuw idee, een nieuw plan stuit altijd eerst op de gevestigde orde die geen belang heeft bij verandering en die het voordeel ervan niet kan en wil zien. Voorbeelden te over. De belangenvereniging van koetsiers zag Henry Ford niet aankomen met zijn auto. Vliegtuigen zijn geen vindingen van scheepvaartbaronnen. En wat zei de directeur van 20th Century Fox in 1946 over de uitvinding van de televisie? ‘De mensen zullen snel verveeld raken van het staren naar een triplex kast elke avond.’ Onderwijsvernieuwing, de waterstofeconomie, verantwoord ondernemen, gezondheidszorg die niet tegen ziekte strijdt maar het lichaam sterkt – de kiemen van vooruitgang laten zich op vele plaatsen voorzichtig zien. En soms staat er iemand als Muhammad Yunus op om de wereld weer een stapje verder te helpen. Omdat het niet anders kan.
|
|


