|
|
Lekker Landschap
Sla de supermarkt eens over. In de natuur is genoeg lekkers te vinden: gratis en voor niets.
Ze staan in mijn geheugen gegrift: de zandweggetjes waar ik op zondagse augustusochtenden bramen ging plukken met mijn ouders en broertje. De wandelstok mee, om de doornige takken naar je toe te trekken. Het zomerlicht scheen niet zo hard meer, de herfst liet zich al bijna ruiken. Toen ik later met mijn eigen kinderen in Frankrijk was, tijdens de snoeihete zomer van 2003, scharrelden we langs een haag in een wei met witte koeien: ‘Hé pap, kijk! Daar hangen veel bramen!’ Braampjes waren het gebleven, vanwege de droogte, maar dat hinderde niet. We plukten bakken vol, en we peuzelden ze op – de armen onder de schrammen – bij de fromage blanc. Veel verder dan bramen plukken komt het vaak niet als mensen iets rechtstreeks uit de natuur willen oppeuzelen. Ik wist dat de Fransen zoiets kennen als pissenlit au lardons, paardebloemensalade met spekjes. En als Fransen het heel normaal vinden om dat te eten, móet het wel lekker zijn. Die paardebloem is snel gevonden. En inderdaad, het smaakte heerlijk... Toen wist ik dat er iets bijzonders was gebeurd. Terug in Nederland herinnerde ik een recept van mijn moeder: vlierbloesemlimonade. Daaraan raakte ik meteen verslaafd. Mijn neus móet in de loop van mei in die schermen met roomwitte vlierbloemetjes om de zoete frisse muskaatachtige geur op te snuiven, om vervolgens te oogsten van die wilde overvloed en een hele zomer lang de dorst te lessen met vlierbloesemlimonade. En toen ging ik los. Het zevenblad – dat tuinders met zoveel hardnekkigheid proberen uit te roeien – bleek ook goed te eten. Net als duizendblad. En hopscheuten. En wilde rucola. En dovenetels, lijsterbessen, zuring, madeliefjes, geschubde inktzwammetjes, reuzenbovisten, judasoren... Wat een eetbare weelde! Zomaar voor het plukken in weiden en bossen, parken en hagen, langs waterkanten, in gemeentestruiken, tussen stoeptegels en in bermen. Heel Nederland, dat superverstedelijkte en dichtbevolkte landje aan het einde van de Rijndelta, is eigenlijk één groot eetparadijs. Waarom word ik toch zo aangetrokken door het eten uit de natuur? Ik denk omdat het extra bekoring geeft aan een wandeling door het bos of een fietstocht door de velden. Wie de charme van het bramen plukken eenmaal ontdekt heeft, gaat meer kijken, meer zien. Dan valt opeens op dat het bramenseizoen over is. Dat de bladeren een mooie rode kleur krijgen. Dat ze in het volgende voorjaar op een gegeven moment groeien als gekken, met hun doornige takken in grote bogen. Dat hun witte bloempjes weer gaan bloeien – en ja hoor, dan komt het moment dat de eerste bramen rijp zijn: eerst nog wrang en zuur. En dan, als u niet oppast, merkt u dat u een week later bent teruggekomen om opnieuw te proeven: gefeliciteerd, u weet zich verbonden met een traditie van vele tienduizenden jaren – een traditie die bijna verdwenen is, maar nog niet helemaal. Misschien zit het bramen plukken in onze genen. Immers, het grootste deel van ons bestaan deden wij mensen niet veel anders dan bramen plukken. En vlierbessen. En rozenbottels. En hazelnoten, paardenbloembladeren, brandnetels, zuring, eekhoorntjesbrood, en al die duizenden andere soorten eetbare planten en paddenstoelen die zomaar in het wild groeiden – en nog steeds groeien. Zo’n tienduizend jaar geleden begonnen enkele pioniers landbouw te bedrijven – kort geleden nog maar op de totale tijdsbalk van de menselijke geschiedenis. Daarvóór was het jagen en verzamelen geblazen om aan ons voedsel te komen. Vaak was er genoeg in het wild te vinden om in de dagelijkse voedselbehoefte te voorzien. Zo’n vier uur per dag werken was voldoende: veel vrije tijd om te niksen, elkaar te luizen, een god te vereren of grotschilderingen te maken. Ook toen de mens graan ging verbouwen en beesten bij huis ging houden, bleef het verzamelen van voedsel altijd bestaan. Dat was vooral handig tijdens de hunger gap, de periode in het voorjaar dat de wintervoorraad was uitgeput en van de nieuw ingezaaide gewassen nog niets viel te oogsten. Honderd jaar geleden nog maar telde Nederland vele kruidenzoekers die er vroeg in het voorjaar op uittrokken om verse paardenbloembladeren, zevenblad, zuring en brandneteltopjes te oogsten om die langs de deuren en op straat te verkopen aan de naar vitamines snakkende dorpelingen en stedelingen. Tegenwoordig is het wilde plukken in Nederland teruggedrongen tot de marges van het moderne leven. Zo is het niet overal. In Frankrijk worden zelf verzamelde paardebloemen, wilde asperges, daslook, kastanjes, lindebloesemthee en boleten verkocht op de markt; er is zelfs een speciaal woord voor het verzamelen van die lekkere wilde dingen: la cueillette. Terwijl ik op een dag rozenbottels aan het plukken was, bedacht ik opeens dat ik bezig was met een revolutionaire daad. Want: wat deed ik daar?! Ik plukte zomaar langs een weiland iets van struiken die eigenlijk van iemand anders zijn. (Want alles is van iemand in Nederland.) Ik betaalde er niet voor, ik had zelfs geen toestemming gevraagd! Blijkbaar ben ik zo iemand die lak heeft aan eigendomsrechten en voorschriften van ambtenaren en strenge natuurorganisaties die vinden dat je niets mag plukken in het bos... Sterker nog, met mijn plukken trok ik een lange neus naar de supermarkten die liever willen dat ik bij hen kom winkelen. Ik was opeens het bewijs dat je niet afhankelijk hoeft te zijn van hun vaak nog onrijpe, met gif bespoten fruit. Haha, jullie kunnen me wat. Ik pluk het gratis en voor niets! Zo zocht ik naar nog veel meer lekkers, zodat ik Albert Heijn wat vaker het nakijken kon geven. Ja hoor, de reikwijdte van het wilde eten werd almaar groter. Pinksterbloemen, viooltjes, lijsterbessen, kraailook, rucola. Bitter, zuur, zoet, donker, fris. En lekker! Toen ik eenmaal was begonnen met proeven, kon ik niet meer stoppen. Een hele wereld aan nieuwe smaken ging voor me open. De smaak van verse hopscheuten, blaadjes van de bijvoet, de geur van de vlierbloesem, het subtiele aardse van de voorjaarsridderzwam: nooit en nergens zijn die te koop in de winkel. Wat een culinaire rijkdom, zomaar voor het oprapen in bossen, struiken, weilanden en parken. Wat weten we eigenlijk van een zak chips die in de winkels ligt? Wie weet dat de chips van aardappelen zijn gebakken en waar die aardappelen hoe, met welke hulpmiddelen, wanneer en door wie zijn geteeld? Sterker, hoe ziet een aardappelplant er eigenlijk uit? We hebben meestal geen flauw idee; we zijn van de voedselproductie vervreemd. Wie wilde planten eet, heft de vervreemding op die we normaal zijn gaan vinden in onze relatie tot onze voeding. We zien de plant die we gaan plukken; we hebben hem zelf ontdekt. We zien de kleur, de omvang, de vorm van de stengel, voelen de bladeren, we zien de vorm en we ruiken de geur van de bloempjes. We kennen zijn naam. We kennen de plek waar hij staat in akkerrand, bos of struikgewas, en waar hij zich blijkbaar thuis voelt (anders zou hij er niet staan). En als we dit cadeautje van de natuur oppeuzelen, is het niet overdreven te stellen dat we er een heel basale, fundamentele en intieme verbinding mee hebben. Het eten van wilde planten verbindt ons met de natuur. Het maakt ons er onderdeel van. Michiel Bussink is journalist van Milieudefensie Magazine, waar hij tevens een kookrubriek heeft. Hij is auteur van het onlangs verschenen Lekker landschap: Smullen van bos en veld (Uitgeverij wAarde, ISBN 907666112), een aanstekelijk boek vol bespiegelingen en recepten.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.