Email   Print

De onbekende stad

Chongqing telt nu al 10 miljoen inwoners. Ieder jaar komen er een half miljoen bij. Toch heeft u nog nooit van Chongqing gehoord. Hoe is het leven in zo’n Chinese megastad? Een dagje op bezoek in de snelst groeiende stad op de planeet.

Jonathan Watts | 88 juli 2006 issue

Volgens de Verenigde Naties is de wereldbevolking vrijwel exact in tweeën verdeeld: 3,2 miljard mensen in de stad, 3,2 miljard op het platteland. Terwijl dagelijks hordes mensen hun dorpen verlaten om een betere toekomst te vinden in de stad zal het evenwicht binnenkort overtuigend doorslaan in de richting van de wolkenkrabbers, ten koste van de grazige weiden. Niemand weet precies waar en wanneer het stadsleven is begonnen. Wél kunnen we een verantwoorde gok maken over de plek waar de trend van de verstedelijking zijn toppunt zal bereiken. Tel gewoon waar aan de horizon de meeste hijskranen staan, ga na waar het merendeel van ’s werelds beschikbare beton wordt gestort. Zo traceert u één van de grootste en snelste volksverhuizingen in de menselijke geschiedenis. Al deze sporen leiden naar het Oosten, naar China. Per jaar trekken zo’n 8,5 miljoen Chinezen naar de stad. Hun reisdoel is op een Westerse landkaart meestal maar een stipje – áls het er al op staat. Maar qua bevolkingsaantal kunnen deze stipjes zich meten met enkele van de grootste metropolen ter wereld. In Engeland zijn er vijf stedelijke gebieden met meer dan een miljoen inwoners, China kent er negentig. Enkele zijn overbekend in de hele wereld: Beijing, Sjanghai, Hongkong en Nanjing. Maar van andere – Suqian, Suining, Xiantao, Xinghua en Liuan – is de naam zelfs bij veel Chinezen totaal onbekend. Nergens is de overweldigende verstedelijking in de wereld duidelijker zichtbaar dan in Chongqing. Nooit van gehoord? Hier is de omvang en het tempo van de urbanisatie waarschijnlijk groter dan waar ook ter wereld tegenwoordig. Dit is de boomtown van de vroege 21ste eeuw. Dit voormalige handelscentrum was ooit een vrijhaven aan het middendeel van de Yangtze-rivier en is lange tijd de economische steunpilaar van westelijk China geweest. Nadat de plaatselijke autoriteiten zeggenschap kregen over de omliggende gebieden – die in grootte meerdere landen evenaren – is de stad blijven doorgroeien zodat dit vandaag de dag de grootste stedelijke agglomeratie met 31 miljoen inwoners is (meer dan in Irak, Peru of Maleisië). De bevolking van de stad zelf zal de komende dertien jaar verdubbelen van 10 naar 20 miljoen. Om een tussenstand op te maken, heb ik een dag doorgebracht in Chongqing – eigenlijk precies het soort dag waarop de mensheid de grens zou kunnen oversteken, halverwege zijn reis van duizenden jaren om zich los te kunnen maken van de natuur. 5:30 uur, de bangbangman In het uur van de schemering doet de sfeer in de arme wijk Qiansimen sterk denken aan de boeken van Charles Dickens. Omdat de regen uit de hemel neerstort, staan de donkere, nauwe straatjes vol plassen. Aan beide kanten zijn ze begrensd door hoge, krakkemikkige huurflats. Het rimpelige gezicht van een oude man licht oranje op als hij zich verwarmt bij een vuurkorf. Deze buurt, ingeklemd tussen de haven en het handelscentrum, herbergt de meest kenmerkende en traditionele bevolkingsgroep van Chongqing – de bangbangbrigade, het honderdduizend man sterke leger van kruiers die de lasten van de stad op hun schouders torsen. Letterlijk. Ze komen van het platteland, zonder vaardigheden die in de stad nuttig kunnen zijn, zonder enige opleiding. Ze pakken het goedkoopste werktuig dat er is – een bamboestok (ofwel ‘bangbang’) en een stuk touw – en hangen rond bij de dokken, de markten en busstations tot ze spullen kunnen opslepen tegen de steile hellingen van deze havenstad in de bergen. Yu Lebo is net wakker geworden in het flatje met drie kamers dat hij en zijn vrouw delen met drie andere stellen. Ze zijn kruiers, schoonmakers en klusjesmannen. In één kamer staan twee tweepersoonsbedden, gescheiden door een dun laken. In het kamertje ernaast staat er nog één, en de vierde is in de keuken gezet. Voor ontbijt is geen tijd als hij zich in de regen en de duisternis begeeft. ‘We willen verhuizen naar een eigen plek, maar daar hebben we het geld nog niet voor’, zegt Yu als we buiten staan. Hij vertelt waarom hij vier jaar geleden naar Chongqing is gekomen. ‘Ik was vroeger boer, maar redde het niet om mijn twee kinderen groot te brengen. We hebben ze achtergelaten bij familie. Ik zie ze twee of drie keer per jaar.’ Op een gemiddelde dag werkt Yu twaalf uur en verdient hij ongeveer 20 yuan (2,20 euro). Deze inkomsten, en wat zijn vrouw verdient als schoonmaakster, gaan grotendeels op aan huur en eten, maar zolang ze gezond blijven, kunnen ze ook sparen om geld naar huis te sturen waarmee kleren en boeken voor hun kinderen worden gekocht. Onderwijs en gezondheidszorg – gratis in de dagen van Mao Zedong – zijn voor de boeren de grootste kostenposten. Voor de eerste klus van de dag moet Yu naar de markt van Chaotianmen, waar hij enorme bundels van goederen moet dragen. Ze zijn stuk voor stuk zwaarder dan Yu zelf, die net iets meer dan vijftig kilo weegt. De man achter de marktstal betaalt hem 2 yuan (22 cent). ‘Niet slecht’, vindt Yu. ‘Soms zijn ze nog zwaarder. Soms krijgen we minder betaald.’ Het ziet er vermoeiend uit. Heeft Yu ooit spijt dat hij naar de stad is gekomen? ‘Nee, mijn leven is nu ietsje beter dan toen ik hier net aankwam. Toen verdiende ik maar 10 yuan per dag. Deze stad verandert zo snel. Het leven wordt rijker. Maar ons leven houdt daar geen tred mee. Een stad is goed voor de rijken. Als je geld hebt, kun je doen wat je wil. Als je geen zin hebt om iets te dragen, huur je gewoon een bangbangman.’ 7:30 uur, de stedelijke ambtenaar De zon is opgegaan, maar blijft verhuld in een dichte mist. Het kolossale carrousel van mensen dat Chongqing heet, komt nu net goed op gang. Ze werken, bouwen, reizen, eten. Als dit een doorsneedag wordt, zullen de bouwvakkers 137 duizend vierkante meter nieuw vloeroppervlak leggen voor huizenblokken, winkelcentra en fabrieken. De economie zal groeien met een bedrag van ruim 10 miljoen euro. Er zullen 568 mensen overlijden, 813 baby’tjes zullen worden geboren en 1370 mensen komen aan van het platteland. Elke dag worden de stadsgrenzen verder opgerekt, omdat de bevolking aan het einde van het jaar weer met een flinke half miljoen is gegroeid, waarmee een cijfer gelijk aan het totale inwonerstal van Luxemburg aan het bevolkingsregister wordt toegevoegd. Onze volgend afspraak is op één van de kantoren van de gemeente, waar Zou Xiaoping, onderdirecteur van de commissie voor economische verhoudingen, toelicht dat haar stad een centrale rol speelt in China’s inspanningen om de gapende kloof te dichten tussen de welgestelde kuststrook in het Oosten en het arme, westelijke binnenland. De reikwijdte van dit beleid – waarbij sinds 1999 zo’n 170 biljoen euro is besteed, vooral aan wegen, bruggen en pijpleidingen – is wel vergeleken met het Marshallplan dat hielp bij de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog. Veel van dat geld is de Yangtze opgestroomd om de groei van Chongqing aan te jagen, de kern van het plan om het westen nieuw leven in te blazen. Ook is er de Drieklovendam mee betaald, de grootste waterkrachtcentrale ter wereld, die de stad voorziet van stroom – en van mensen, nu niet alleen mensen van hun land zijn weggejaagd, maar nu mensen afkomen op een stad waar stroom beschikbaar is. In de afgelopen vijf jaar hebben de stadsbewoners van Chongqing hun inkomen zien toenemen met 66 procent. Zelfs de armsten verdienen bijna drie keer zoveel als hun familie op het platteland, die gemiddeld moeten rondkomen van iets meer dan een euro per dag. ‘Dit zijn de hoogtijdagen van de ontwikkeling van westelijk China’, zegt Zou. ‘Chongqing ligt daar middenin. Daarom groeien we zo snel. We moeten dat vliegwiel draaiende houden. Dit is een heel belangrijke tijd voor onze stad.’ 10:00 uur, de industrieel Ik loop verdwaasd Zou’s bureau weer uit. Zelfs op het toppunt van de verstedelijking in Engeland, in de negentiende eeuw, is er niets gebeurd dat qua omvang en snelheid is te vergelijken met de veranderingen in Chongqing. Hoe wordt er ruimte en werk gevonden voor zoveel nieuwkomers? We worden nu begeleid door een gids van de overheid en rijden naar de rand van de stad, de Economische Zone van Chongqing, waar in de recent gebouwde autofabriek van Lifan recent aangenomen arbeiders recent ontworpen auto’s in elkaar zetten. ‘Dit was een paar jaar geleden nog boerenland’, zegt de trotse baas, Yin Mingshan. ‘Dit is mijn veertiende fabriek, veertien jaar nadat ik in zaken ben gegaan.’ Yin is een krasse man van 68 jaar met twinkelende ogen, één van de grote industriële pioniers in het land. In het Mao-tijdperk zat hij voornamelijk gevangen vanwege zijn visie op vrije meningsuiting en kapitalisme, maar in 1992 stichtte hij een reparatiewerkplaats voor motorfietsen met negen werknemers. Nu zijn bij de firma Lifan negenduizend mensen in dienst, met een omzet van ruim 750 miljoen euro. ‘China is een wonderland geworden voor ondernemers’, vindt Yin. ‘Er zijn allerlei mensen die nu hetzelfde doen wat ik heb gedaan.’ Het is minder gemakkelijk om een bedrijf op te zetten in Chongqing dan in Sjanghai of Shenzen aan de kust, steden die profiteren van de toegang tot de afzetgebieden overzee. Maar die rijke steden in het oosten investeren nu in het binnenland en scheppen een markt voor de goedkopere producten die in steden van de tweede categorie worden vervaardigd. Chongqing is beroemd om zijn motorfietsen. Yin probeert de stad nu ook beroemd te maken om auto’s. Hij wil in Brazilië een fabriek van BMW-Chrysler opkopen, dan afbreken en verschepen tegen de stroom van de Yangtze op en hem in Chongqing weer in elkaar te zetten. Hij heeft ook fabrieken opgericht in Vietnam, Thailand en Bulgarije. Hij gelooft oprecht in sociaal eigenbelang. ‘China is te arm. We hebben behoefte aan groei op topsnelheid. De rijken moeten het inkomen van de armen opvijzelen’, zegt hij. ‘Als we de levensomstandigheden van de boeren verbeteren, kunnen ze onze motorfietsen en auto’s kopen.’ Zijn doel is om binnen vijf jaar de omvang van zijn personeel meer dan te verdubbelen, tot 20 duizend man. Naast deze fabriek zijn de bulldozers al grond aan het uitgraven voor een tweede vestiging. 12:00 uur, de bouwvakker Zelfs in termen van de onmetelijke bouwput die China tegenwoordig is, is de bouwkoorts in Chongqing duizelingwekkend. In de afgelopen vier jaar zijn hier meer transportverbindingen gelegd dan in de voorgaande honderd jaar. Er wordt meer nieuwe woonruimte gecreëerd dan in Sjanghai. Naast de aanleg van acht nieuwe spoorlijnen, acht snelwegen en acht bruggen is deze haven druk bezig met stadsvernieuwing ter waarde van 1,7 biljoen euro en zijn er plannen om in 2010 de capaciteit van de luchthaven te vervijfvoudigen. Toen ik terugreed van de fabriek telde ik in minder dan vijf minuten meer dan dertig hijskranen. Even buiten de tolweg van Jiangbei lopen boeren gebukt onder zware vrachten op hun akkers met groenten, en wassen de vrouwen hun kleren in een riviertje. Achter hen tekenen woontorens van dertig verdiepingen zich af in de grijze mist. Op de plek waar deze twee werelden elkaar ontmoeten, ligt een rommelig overgangsgebied waar land bouwrijp wordt gemaakt voor verdere uitbreidingen. We brengen een verrassingsbezoekje aan de bouwplaats waar Chen Li, een praatgrage glazenier, inschat dat hij in wel zeventig tot tachtig torenflats heeft gewerkt sinds hij negen jaar geleden in de stad arriveerde, 16 jaar oud. ‘De gebouwen worden hoger en beter’, zegt Chen. Intussen woont hij nog altijd in een hutje, bestaat zijn ontbijt uit een glaasje sojamelk en een gestoomd broodje, en op een gemiddelde dag werkt hij elf uur voor ongeveer 50 yuan (ruim 5 euro). 14:00, Spiderman Li Zhiguan was eerst boer, toen fabrieksarbeider. Nu verdient hij veel meer als één van de evenwichtskunstenaars die de ramen van de wolkenkrabbers schoonhouden, wat hem de bijnaam Spiderman heeft bezorgd. We spreken hem op het dak van een telecombedrijf van 24 verdiepingen. Nu er zoveel torens de lucht inschieten, zal Li nooit zonder werk komen te zitten. En hij heeft een weids zicht op het wijzigende stadsbeeld. ‘De laatste zes maanden is er enorm veel veranderd. Je merkt het van de ene week op de andere.’ Dan gaat hij verder met werken en hij abseilt langs het glas aan een touw dat met één haak aan hem is vastgemaakt. ‘Honderd procent veilig’, verzekert zijn baas, He Qing, met een zwaar Duits accent dat hij heeft overgehouden aan zijn MBA-studie in Mannheim. ‘U mag ook afzakken, als u wilt...’ 15:00 uur, de psycholoog De groeiende kloof tussen winnaars en verliezers in China heeft geleid tot een rusteloze samenleving met een sterke onderlinge wedijver, waarin stress en conflicten hoogtij vieren. Hoe gaan mensen hier mee om? Kuang Li is psycholoog in een ziekenhuis, verbonden aan de medische faculteit van Chongqing. Op een gigantische bouwplaats verrijzen hier allerlei nieuwe gebouwen. Ze heeft geen ligbank. Dit is het meest formele gesprek van de dag, in grote leren stoelen in een speciale ontvangstkamer, begeleid door gezagsdragers van het ziekenhuis en de regering. Kuang is positief gestemd. ‘De mensen moeten zich enorm aanpassen, omdat het tempo van hun leven, werk en studie toeneemt. Dat legt een extra druk op mensen. Tot nu toe blijkt uit onze studies dat die aanpassing wel lukt.’ Gemakkelijk is het niet. Kuang vertelt dat het aantal gevallen van depressie, angst, slapeloosheid en hevige stemmingswisselingen in de afgelopen twintig jaar is verdubbeld. Tussen de 10 en 25 procent van de bevolking van Chongqing zou kampen met psychologische problemen. Zelfmoord is echter een te gevoelig onderwerp om te bespreken. De anders zo hulpvaardige autoriteiten weigeren hierover cijfers te verschaffen. Toch heeft de stad onlangs een campagne gelanceerd om zelfmoord onder studenten te voorkomen door middel van therapie, een telefonische hulplijn en gratis boekjes over methoden om depressie te voorkomen. Kuang vertelt dat ze vorig jaar zelfmoord bij studenten heeft bestudeerd, maar ook zij geeft ons liever geen cijfermateriaal. Haar kliniek voor geestelijke gezondheid is pas in 1998 opgericht. Daarvoor werden mentale problemen in principe genegeerd of toegeschreven aan Westerse decadentie. Nu worden de spanningen die het stadsleven oproept, wel degelijk erkend, meent Kuang. ‘Er heerst een spanning tussen de toegenomen verwachtingen en de resultaten die mensen zelf ervaren.’ Tegelijkertijd, stelt ze, zijn mentale storingen ook een teken dat de kwaliteit van het bestaan toeneemt. ‘Tien jaar geleden hadden de mensen geen tijd om zo over zichzelf te piekeren.’ 17:00 uur, de afvalverwerker De economische ontwikkeling van China is één van de grootste ecologische rampen die de mensheid kent. Goedkope steenkool en elke vijf jaar een verdubbeling van het aantal auto’s hebben het land gemaakt tot de op één na grootste producent van broeikasgassen. Volgens de Wereldbank liggen zestien van de twintig smerigste steden in China. Chongqing is één van de allerergste. De verstikkende atmosfeer is er jaarlijks oorzaak van duizenden voortijdige sterfgevallen en tienduizenden gevallen van chronische bronchitis. Vorig kwam de luchtkwaliteit eens in de vier dagen niet op niveau 2, de laagste gezondheidsnorm van de overheid. De walm is vandaag zo dik dat ik de zon nog steeds niet heb gezien. Chongqing probeert wel wat schoner te worden, maar dat krijgt weinig nadruk, vergeleken met de pogingen om de economische groei te stimuleren. En het is lastig stortplaatsen te vinden voor de steeds toenemende berg afval. We gaan de bergen in om de grootste megavuilnisbelt van deze megastad te bekijken, de stortplaats van Changshengqiao. Het biedt een indrukwekkende aanblik. Een uitgestrekte vallei vol afval, meer dan dertig meter diep, met een oppervlakte van 350 duizend vierkante meter. Het hoofd vuilverwerking, Wang Yukun, vertelt me dat de stad dagelijks 3500 ton rotzooi produceert. Er wordt niets hergebruikt. Een deel wordt verbrand. Hier wordt het in lagen gestort, net als lasagne: zes meter vuilnis, een halve meter aarde, een chemisch poeder en dan een enorme zwarte lap van heel dik polyethyleen erover. De vuilnisbelt is in 2003 opengegaan en er ligt al meer dan een miljoen ton afval. ‘De plek in ontworpen om twintig jaar dienst te doen voor de stad, maar het gaat hier veel sneller dan we hadden verwacht’, aldus Wang. ‘Volgens mij is het over vijftien jaar helemaal vol. Als het zover is, leggen we bovenop een golfbaan aan.’ 18:00 uur, de politieagent Als journalist in een Chinese stad kun je eerder verwachten dat het bureau voor openbare veiligheid je arresteert dan dat ze je een ritje aanbieden. Maar in Chongqing neemt de stad zelfs de moeite om een Engelssprekende agent, Lai Hansong, als gids mee te sturen. Lai zegt met nadruk dat hij een gewone straatagent is, die sinds zes jaar heeft dienstdoet in de wijk Yuzhang. ‘Dat is een gebied met weinig misdaad’, zegt hij. ‘We handelen voornamelijk inbraken en vechtpartijen af.’ In een gemiddelde week heeft hij met minder dan vijf voorvallen te maken, vertelt hij. Dat verwachtte ik niet. Ik had sensationele verhalen gehoord over drugs, prostitutie en georganiseerde misdaad. Ook is de stad het brandpunt geweest van gewelddadige arbeidsonlusten. In november moesten twintig stakers in het ziekenhuis worden behandeld toen de politie, na ontslagen in de staalfabriek Tegang, eigendom van de staat, een einde maakte aan een betoging van tienduizend mensen. Minder dan een jaar ervoor werd een politieauto in brand gestoken en omver geduwd tijdens relletjes met wel duizenden deelnemers in de voorstad Wanzhou. Lai schetst een totaal ander beeld: ‘Er bestaan in China geen criminele organisaties. In ons land zijn maar weinig rellen.’ Maar iemand moet zich blijkbaar ergens zorgen over maken. Het aantal politiemensen neemt jaarlijks toe, vertelt Lai, en de agenten rijden nu met z’n drieën in een wagen. 20:00 uur, de intellectuelen Dit is een stad die fonkelt als de avond valt. Alles wordt beschenen door een veelkleurige verlichting, van de huizenblokken die zich op de heuvels verheffen tot de enorme replica van het Empire State Building, de beroemde wolkenkrabber uit New York. Vangrails langs de snelweg lichten op in roze, groen en paars. Het wervelende water van de Yangtze weerkaatst de kleuren. In een restaurant aan de rivier heb ik een afspraak met enkele onafhankelijke intellectuelen uit de stad. Wat vinden zij van dit oord? De groep moet lachen om de suggestie dat er geen gangsters zijn. Sommigen schudden hun hoofd bij de bewering dat de smog een kwestie van weersomstandigheden is. In grote lijnen hebben ze het gevoel dat het levenspeil is gestegen. De culturele ontwikkeling loopt misschien achter bij de materiële, maar wat wil je, ‘dit is een stad van de toekomst’, zegt Li Gong, dichter en cartoonist. ‘Vergeleken met tien jaar geleden is de luchtkwaliteit beter. Maar vergeleken met andere steden in China en andere landen lopen we nog flink achter’, meent Wu Dengming, een milieuactivist die de Groene Vrijwilligers Liga heeft opgericht, een organisatie die veel problemen rond de Drieklovendam aan de orde heeft gesteld. Zeng Lei, een documentairemaker die zeven jaar heeft besteed aan het vastleggen van de levensverhalen van de armste inwoners van Chongqing, vertelt droevige verhalen over het stadse leven – de bangbangman die in tranen uitbarst als hij voor het eerst in drie jaar terugkomt in zijn geboortedorp, de huisvrouw die zich zo verwaarloosd voelde door haar familie dat ze een ploegje bangbangmannen inhuurde om met spandoeken door de stad te lopen ter ere van haar verjaardag. Song Wei, uitgever, merkt op dat de evident zichtbare problemen – vervuiling, verlies van cultureel erfgoed, ongelijkheid en misdaad – zich niet beperken tot Chongqing. ‘Alles wat je zegt over Chongqing kun je zeggen over vrijwel elke stad in China...’ 22:30 uur, de nieuwe rijken ... En trouwens, over vrijwel elke stad in de wereld. Chongqing is niet alleen onderhevig aan verstedelijking, maar ook aan globalisering. Weinig meer dan een generatie geleden was dit een stad waar de Rode Gardisten in Mao-tuniek anti-imperialistische leuzen schalden. Vandaag de dag kleden de jonge mensen met geld zich net als hun generatiegenoten in Birmingham, Chicago of Nagoya. Hun ambities zijn zo mogelijk zelfs nog meer gericht op materialisme. Het is woensdagavond en ik zit nu in Falling, mij door de baas van Spiderman, He Qing, aanbevolen als de hipste nachtclub in Chongqing. Op deze doordeweekse avond staat de dansvloer bomvol mooie mensen die dansen op een technobeat. Onze tafel kost minimaal 800 yuan (77 euro), waarvoor je een fles wodka krijgt, een paar geïmporteerde biertjes en een schaal met sierlijk uitgesneden fruitsoorten. Qing komt bij ons zitten, samen met nog een paar nieuwe rijken uit Chongqing, waaronder de oprichter van een snoepfabriek, een restauranteigenaar en een bankmedewerker. Bijna zonder uitzondering zijn ze onder de 30 jaar, opgeleid in het buitenland en hebben ze goede contacten – via de familie of de politiek – met de beleidsmakers in de stad. ‘Geen zakenman gedijt hier als hij geen contacten heeft met de Communistische Partij en de onderwereld’, krijg ik te horen. Het valt me zwaar om aan een avondje uit meer te besteden dan bangbangman Yu verdient met een maand loodzwaar werk. Ik ben niet de enige die zich bewust is van de heersende kloof. Qing vertelt me zijn plannen voor de toekomst. ‘Sociale ongelijkheid en aantasting van het milieu zijn de twee grootste problemen waar China voor staat.’ Hij vertelt dat hij een nieuw bedrijf wil oprichten voor schone energie dat meer migranten in dienst kan nemen om een schonere stad op te bouwen, met behulp van Duitse technologieën. 00:30 uur, het straatkind Om middernacht kunnen de vele lichten buiten niet maskeren dat het stadsleven ook morsige kanten heeft: de armen die wroeten in de vuilnisbakken, de daklozen op de hoek van de straat, de scharrelaars die drugs en seks te koop aanbieden. Veel vrouwen die werken als prostituee zijn afkomstig van het platteland. Ze laten hun kinderen achter bij familie of sturen ze de straat op om te bedelen, bloemen te verkopen of tot in de kleine uurtjes voor geld liedjes te zingen. Bij een nachtelijke markt komt een hele rij straatverkopers naar mijn tafel en biedt aan mijn schoenen te poetsen, sigaretten te leveren of soep in te schenken uit een thermosfles. Een meisje van 7 jaar trekt aan mijn arm en nodigt me bedeesd uit om van haar een bloem te kopen. ‘Waar is je moeder?’ vraag ik. ‘Oh,’ antwoord het meisje, ‘die is aan het werk.’ Een meisje dat er wanhopig uitziet, sjouwt rond met een lijstje liedjes en een aftandse, slecht gestemde gitaar. Ze zegt dat ze 16 jaar is, maar ziet eruit als 12. Ze is pas een paar maanden in Chongqing en weet nu al zeker dat ze het geen fijne stad vindt. Ik geef haar 3 yuan (30 cent) en kies het nummer Pangyou (Vriend). De jonge straatartieste staart naar een punt ver weg, slaat het enige akkoord aan dat ze kent en zingt vreselijk vals. Het is intens triest. Verderop in de straat scharrelt op de achtergrond een bangbangman voorbij met zijn bamboestok. Ik vraag me af of hij net klaar is met werken of net begint. Met toestemming bewerkt en overgenomen van The Guardian (15 maart 2006), het Britse dagblad (www.guardian.co.uk).



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.