Email   Print
Share  

Man met ballen

Op de schaatsen won hij goud en brak hij elf wereldrecords. Nu zet hij zich in om via sport en spel kinderen in achtergestelde gebieden een veilige en gezonde toekomst te bieden. Ode sprak met Johann Olav Koss.

Marco Visscher | 85 april 2006 issue

In de aanloop naar de Olympische Winterspelen van 1994 liep Johann Olav Koss door de stoffige straten en de uitgestrekte vlakten van Eritrea. Hij had zijn strenge trainingsschema tijdelijk onderbroken om als ambassadeur van Olympic Aid, opgericht door het organiserende Olympisch Comité van Lillehammer om aandacht te vragen voor mensen in door oorlog getroffen gebieden. In Eritrea zag Koss hoe enkele jongens zich stonden te vergapen aan gerafelde posters met de afbeeldingen van de martelaren van hoofdstad Asmara, die het land hadden weten af te scheiden van Ethiopië. Die martelaren waren hun helden. ‘Ieder kind heeft helden nodig,’ zou Koss later zeggen, ‘maar de mannen die zij hadden gekozen als rolmodel, waren soldaten. Welke helden wens je een kind toe?’ En toen gebeurde er iets wat Koss altijd zal bijblijven. Ineens stoof een groep fietsers door de straat. De jongens draaiden zich om, begonnen te schreeuwen, te gillen, te juichen van opwinding. Zo hard ze konden, holden ze achter de fietsers aan... Kennelijk hadden sporters een aantrekkingskracht die ver uitsteeg boven de dagelijkse, grauwe werkelijkheid. Terug in Noorwegen viel hij weer in zijn eigen dagelijkse werkelijkheid van eindeloze trainingen op de ijsbaan. Enkele maanden later zou de hele wereld zien hoe Johann Olav Koss op de Olympische Spelen in Lillehammer drie gouden medailles zou winnen door op alle drie afstanden een wereldrecord te schaatsen. De 25-jarige atleet uit Drammen, vlakbij Oslo, had een schitterende sportloopbaan voor de boeg. Zelf oordeelde hij anders. Hij vond dat hij alles had gewonnen wat hij kon winnen. Na zijn Olympische titels zou hij stoppen. ‘Als professioneel schaatser rijd je alsmaar rondjes op de ijsbaan. Je vraagt je af waarom je dat eigenlijk allemaal doet.’ Johann Olav Koss – 37 jaar, gestoken in een donkerblauw pak – kijkt alsof hij, jaren later, het antwoord nog steeds niet weet. Zoals bijna alle sporters praat Koss in die typische jij-vorm wanneer hij zichzelf bedoelt. ‘Je bent erg gericht op jezelf, je wereld is buitengewoon klein en bekrompen. Op een goed moment wil je de betekenis van het alles zien – een groter geheel.’ Die betekenis vond hij toen hij in Afrika rondreisde en zag hoe hij kon helpen. Na de Spelen landde hij opnieuw op de vlieghaven van Eritrea. Hij had een cadeautje meegenomen: voetballen. Duizenden voetballen. Een vliegtuig vol. Ze waren door kinderen in Noorwegen ingezameld voor hun leeftijdgenootjes in Eritrea. Hij kwam in Eritrea aan een week nadat de president van het land een internationale oproep had gedaan voor voedselhulp voor zijn na een slepende oorlog door honger geteisterde natie. Vond hij zichzelf niet vreselijk naïef? ‘Ja’, klinkt het ontwapenend. ‘Ik kwam rechtstreeks van de Olympische Spelen. Ik was nieuw in de wereld van ontwikkelingshulp. Ik wist helemaal niets.’ Maar zijn schroom was op slag verdwenen toen hij president Isaias Afewerki ontmoette. Koss vroeg hem wat hij vond van al dat sportmateriaal dat hij had meegebracht. ‘Hij keek me aan en zei, en het klonk oprecht: “Dit is het mooiste geschenk dat we ooit hebben gekregen. Eindelijk worden we gezien als mensen. Wij zijn meer dan monden die moeten worden gevoed, meer dan stervenden die in leven moeten worden gehouden. Wij zijn mensen. Wij hebben ook dromen en wij hopen ook op een betere toekomst.”’ Die woorden zouden zijn carrière veranderen. Als Koss in een lawaaiig grand café aan tafel schuift voor ons gesprek– even voor de Olympische Winterspelen in Turijn – is hij de onbezoldigd directeur van Right To Play, waarmee hij in rampgebieden en vluchtelingenkampen in Afrika, Azië en het Midden-Oosten sport en spel aanbiedt als middel voor ontwikkeling. Vanuit zijn woonplaats, Toronto in Canada, geeft hij leiding aan de zeven regionale kantoren in Europa en de Verenigde Staten met 64 betaalde krachten en 90 vrijwilligers die wekelijks een half miljoen kinderen in twintig landen bereiken. Right To Play is de nieuwe naam voor Olympic Aid, waarover hij de leiding had gekregen en waaraan hij in 1994 een deel van zijn prijzengeld had geschonken, terwijl hij ook andere atleten opriep hetzelfde te doen. Liefst 18 miljoen dollar werd ingezameld tijdens de Olympische Spelen in Lillehammer. Van dat geld zijn verschillende projecten gefinancierd, waaronder enkele scholen in Eritrea, een ziekenhuis in Sarajevo en een programma voor gehandicapten in Libanon. Koss verbreedde het aandachtsgebied van de organisatie: niet langer ging het alleen over de relatie tussen sport en ontwikkeling, maar ook over die tussen sport en gezondheid. De spelletjes die Right To Play opzet, hebben een boodschap: ze leren jongeren over gezonde voeding, vaccinaties en hygiëne, over de gevaren van tabak en drank, over hoe ze zich kunnen beschermen tegen hiv (zie kader ‘Vind het virus’). Niet toevallig heeft Koss vorig jaar – na vele, vele jaren – zijn medicijnenstudie afgerond. ‘Natuurlijk is het niet voldoende om alleen sport en spel te introduceren in achtergestelde gebieden’, weet ook Koss. ‘Je hebt de juiste combinatie nodig van handel en hulp. Voor handel moeten de regels eerlijker, voor hulp moet het budget hoger. Die noodzakelijke stappen stuitten echter vaak op de korte termijnvisie van politici. Maar met sport kun je intussen een cruciale bijdrage leveren: sport is een manier om mensen hun waardigheid terug te geven.’ ‘Door sport kunnen we ons ontwikkelen,’ vervolgt Koss, ‘zowel fysiek als psychisch. We leren zelfvertrouwen ontwikkelen. Sport leert dat er regels zijn, dat we hard moeten werken en ons best moeten doen. We leren hoe we moeten samenwerken en communiceren, hoe we conflicten op een sportieve manier kunnen oplossen. Dat lijken me essentiële voorwaarden voor de opbouw van een democratie.’ Gezworen vijanden krijg je dichter tot elkaar als je ze een gezamenlijk doel geeft, meent Koss. Right To Play laat kinderen van verschillende etnische of godsdienstige achtergronden met elkaar in hetzelfde team spelen. Hutu’s en Tutsi’s samen, Israëli’s en Palestijnen. Als teamgenoten vergeten ze de verschillen. Sport is bovendien een hoogtepunt in de troosteloze situaties in vluchtelingenkampen. Mannen en jongens vervelen zich, hebben geen doel of uitzicht op verbetering van hun situatie. Koss: ‘Wat gebeurt er? Ze zoeken ruzie, ze vallen vrouwen lastig, ze zorgen niet langer voor zichzelf. Maar als je sport en spel introduceert, gebeurt er iets wat je magie kunt noemen. Ze krijgen spontaan weer zin in het leven.’ Die effecten zijn blijvend, meent Koss. ‘Als we jaren later de plekken bezoeken waar we met Right To Play hebben gewerkt, zien we dat kinderen gezonder zijn en vaker naar school gaan, en dat er minder conflicten zijn.’ Daarom moet Johann Olav Koss de Nobelprijs voor de Vrede krijgen. Dat vindt Adolf Ogi, voormalig president van Zwitserland en nu ondersecretaris-generaal van de Verenigde Naties, waar hij Speciaal Adviseur van Kofi Annan is op het gebied van Sport en Ontwikkeling. Ogi heeft veel bewondering voor het werk van Koss. ‘Sport is een noodzaak voor de ontwikkeling van ieder kind’, schrijft hij in het boek Right To Play: Ieder kind heeft het recht om te spelen, vorig jaar verschenen bij Lemniscaat. Voormalig staatsman Ogi is bescheiden genoeg om het aanzien van politici in te schalen. ‘Als je een politicus naar een rampgebied stuurt, hebben de meeste mensen geen idee wie dat is. Maar als Zinedine Zidane of David Beckham erheen gaat, wordt hij onmiddellijk door iedereen herkend. Het helpt de mensen in rampgebieden enorm als sportkampioenen hen komen opzoeken: ze spelen samen, ze vergeten een ogenblik hun problemen en ze krijgen hoop op een betere toekomst. En het belangrijkste is dat ze begrijpen dat ze niet door de wereld worden vergeten, dat ze niet alleen staan.’ Dennis Bright, minister van jeugd en sport in Sierra Leone, zei iets dergelijks vorig jaar mei in de vergaderzaal van de Verenigde Naties in New York: ‘Sport helpt. Kijk om je heen! Dan zie je dat sport en spel een magisch effect hebben op jonge mensen. Ze vinden het heerlijk om al spelend van alles te leren. Het is de hoogste tijd dat regeringen over de hele wereld dat begrijpen.’ Dat is precies waarmee Johann Olav Koss bezig is, met het verspreiden van de blijde boodschap van sport en spel. En er zijn weinig mensen die daarvoor zo geschikt zijn als hij. Koss is de ideale lobbyist: een bekende naam, een charmant voorkomen en een sportief verhaal dat tot de verbeelding spreekt. Zo weet Koss telkens meteen binnen te komen op het hoogste niveau, bij de juiste persoon. Als hem iets niet zint in de samenwerking met de Verenigde Naties weet Koss bij wie hij moet zijn: het nummer van Kofi Annan staat voorgeprogrammeerd in zijn mobiele telefoon. Johann Olav Koss heeft iets voor elkaar gekregen waarin zelfs de meest doorgewinterde deskundige op dit gebied niet slaagde: het thema van sport en ontwikkeling is geklommen op de politieke en publieke agenda. Het recht om te spelen, door de Verenigde Naties vastgelegd in artikel 31 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, staat scherper op het netvlies dan ooit tevoren. ‘Het enige wat ik wil’, zegt Koss, ‘is mensen hoop geven. Ik wil ze laten lachen, laten dromen.’



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: