Email   Print

Een rechtbank die hoop biedt

Waar worden burgers beschermd en regeringen gecorrigeerd? Ode liep door de wandelgangen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg en zag een onwaarschijnlijk succes die vraagt om herhaling op wereldniveau.

Jay Walljasper | 85 april 2006 issue

De lotgevallen van Tabitha Kaniki Mitunga, 5 jaar oud, leidden in 2002 tot een internationaal schandaal, omdat ze door Belgische autoriteiten twee maanden in haar eentje werd opgesloten in een centrum voor asielzoekers. Tabitha werd daarna teruggestuurd naar Congo, maar toen ze daar aankwam stond er niet één familielid haar op te wachten op het vliegveld. Probeer je eens in te denken hoe angstaanjagend dit allemaal moet zijn geweest voor een meisje dat zelfs nog te jong was om te kunnen lezen. Het treurige verhaal begint op het vliegveld van Brussel, waar douanebeambten vaststellen dat Tabitha niet de juiste papieren heeft om Belgisch grondgebied te mogen betreden. Ze was uit Congo gekomen in gezelschap van haar oom, Nederlands staatsburger, die voor haar zorgde tot ze zich bij haar moeder kon voegen die vanuit Congo naar Canada was gevlucht. De oom ging terug naar Nederland. Toen het nieuws over de opsluiting en deportatie van Tabitha bekend werd, hebben de premiers van België en Canada tenslotte ingegrepen, zodat het meisje herenigd kon worden met haar moeder in Montreal. Maar door dit ‘eind goed, al goed’ zijn de huiveringwekkende feiten de wereld nog niet uit. Hoe is het mogelijk dat een klein kind zo wordt behandeld? Je maakt een machteloos gebaar en betreurt het gebrek aan mededogen en gezond verstand bij de bureaucraten die zo graag de regeltjes blijven uitvoeren. Maar Tabitha’s moeder ging een stapje verder. Omdat de gebeurtenissen zich in Europa hadden afgespeeld, zag Pulcherie Mubilanzila Mayeka kans om namens haar dochter een klacht in te dienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – een speciale juridische instelling die de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens ten uitvoer legt, een overeenkomst uit 1950 die inmiddels is ondertekend door 46 Europese landen. Op een zonnige ochtend afgelopen winter zat Mubilanzila Mayeka rustig naast haar Belgische advocaat in het hoofdkwartier van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, waar rechters uit Cyprus, Noorwegen, Azerbeidzjan, Luxemburg, Kroatië, Griekenland en Rusland zich bogen over deze zaak. De familie van Tabitha stelde dat de Belgische autoriteiten het Europese verdrag voor de mensenrechten hadden geschonden wat betreft artikel 3 (verbod op mensonwaardige of vernederende behandeling), artikel 5 (recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid), artikel 8 (respect voor het gezinsleven) en artikel 13 (recht op doelmatige bijstand). De advocaat van de Belgische regering, met een deftige donkere toga en vergezeld door vijf collega’s, trachtte nerveus uit te leggen waarom geen bepalingen van het verdrag waren geschonden, ondanks de merkwaardige gang van zaken. Buiten de rechtzaal huppelde Tabitha door de hal – met staartjes, een witte panty en een kleurige nieuwe trui – met de energie die alleen iemand van 8 weet op te brengen. Tabitha en haar familie wachten nu af wat het hof beslist. Dat geldt ook voor medewerkers van immigratiediensten en andere instellingen in heel Europa, die wellicht hun eigen reglement en werkwijze moeten herzien in het licht van het oordeel van het hof in deze zaak. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens lijkt op geen ander gerechtshof in de wereld. Om te beginnen het gebouw zelf al niet. De meeste gerechtsgebouwen willen indruk maken of je zelfs intimideren met hun imposante waardigheid, maar het Europese Hof pakt het verfrissend anders aan. Het deed op het eerste gezicht meer denken aan een kindermuseum met zijn doorzichtige wanden en speelse krullen van metalen buizen die fel rood, blauw en wit zijn gespoten. Hét architectonische kenmerk van dit hof is glas. Zelfs de traptreden zijn gemaakt van dikke glasblokken, wat uiteraard symbool staat voor de transparantie van de juridische procedures. Nog unieker is het fundamentele uitgangspunt van het hof: het staat elk individu vrij om hier een mensenrechtenkwestie aan te kaarten als hij het gevoel heeft dat hem geen recht is gedaan in de jurisdictie van zijn eigen land – waarbij hij in laatste instantie zelfs besluiten van zijn eigen regering kan aanvechten. Net zo verrassend is de werkwijze van het hof: rechters uit heel Europa spreken zich uit over de juridische handelingen of wetten van een ander land, en dat land moet zich neerleggen bij hun besluit. Dat klinkt verbijsterend in een tijd waarin ’s werelds grootste politieke macht, de Verenigde Staten, doet alsof het aan geen enkele overeenkomst of conventie is gebonden en stelselmatig uitspraken van internationale instellingen naast zich neerlegt. Het Europese Hof kan jurisprudentie voor heel Europa scheppen, zoals vorig jaar gebeurde in de zaak van milieuactivisten die door een Engelse rechtbank waren veroordeeld wegens smaad omdat ze voor de deur bij McDonald’s pamfletten hadden uitgedeeld. De Engelse rechter had bepaald dat de beweringen in het pamflet, onder meer dat McDonald’s haar werknemers uitbuit en ongezond eten verkoopt, de goede naam van het bedrijf hadden aangetast, en de activisten veroordeeld tot een schadevergoeding van 40.000 pond (59.000 euro). Nadat de activisten het vonnis jarenlang zonder succes hadden bestreden in de Engelse rechtbanken, brachten ze de zaak voor het hof in Straatsburg. Het Europese Hof besliste in februari 2005 dat de kwestie-McLibel, zoals die inmiddels werd genoemd, een schending was van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op een eerlijk proces. De Britse regering werd veroordeeld om de activisten 57.000 (84.000 euro) pond smartengeld te betalen. Maar de reikwijdte van dit vonnis is veel groter. De rechters van het hof waren van oordeel dat de Engelse smaad-wetgeving een inperking betekende van het geldende recht om kritiek te hebben op bedrijven. Nu is de Britse regering verplicht om haar wetten aan te passen, en dat geldt ook voor de andere vijfenveertig Europese landen, mochten die in hun wetsteksten op vergelijkbare manier de vrije meningsuiting indammen. Elk denkbaar Europees land valt onder de zeggenschap van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met uitzondering van het Vaticaan en het ernstig corrupte Wit-Rusland. Het hof speelt in het hele werelddeel een belangrijke rol bij het vaststellen van minimum-normen voor een breed scala aan onderwerpen, die variëren van geloofsvrijheid en vrije verkiezingen tot eigendomsrecht en gezinsrecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens komt de eer toe dat het op een aantal punten werkelijk verandering heeft bewerkstelligd in de Europese samenleving: - De afschaffing van de doodstraf, gebaseerd op herzieningen van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens in 1983 en 2002; - De bekrachtiging van rechten van homoseksuelen, via uitspraken die wetten tegen ‘sodomie’ in Engeland en Ierland buiten werking stelden; - Een ruimere persvrijheid, na een kwestie in Denemarken waarbij een verslaggever, alleen omdat hij op televisie racistische skinheads interviewde, werd beschuldigd van haat zaaien; - Scheppen van jurisprudentie die bepaalt dat Europese landen geen verdachte uitleveren aan de Verenigde Staten als deze door een Amerikaanse rechtbank de doodstraf kan krijgen opgelegd, en - Een verbod op buitensporig politiegeweld, als gevolg van een incident in Frankrijk. ‘Het is nogal een revolutie als je afspreekt dat een gerechtshof zeggenschap heeft over een landsregering,’ zegt Henri Schermers, emeritus-professor internationaal recht aan de Universiteit van Leiden, die de verrichtingen van het hof al tientallen jaren volgt. ‘Maar geen land vindt het prettig om te worden beschuldigd van schending van de mensenrechten. Er is geen regering meer die kan zeggen dat mensenrechten voor haar niet van belang zijn. En dat geeft het hof een concrete macht.’ De bevoegdheid van het Europese Hof om zijn besluiten aan landsregeringen op te leggen, wordt formeel verleend door de Raad van Europa, een overkoepelende organisatie van zesenveertig landen die de samenwerking op het hele continent tracht te bevorderen. Informeel is de dwang afkomstig van negatieve media-aandacht voor de boosdoeners. De Europese Unie heeft officieel geen band met het hof, maar speelt toch een rol om te zorgen dat zijn beslissingen serieus worden genomen. Kandidaat-leden van de EU met een dubieuze reputatie op het gebied van mensenrechten, zoals Bulgarije en vooral Turkije, hebben ingezien dat het onderschrijven van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens en het aanvaarden van de jurisdictie van het Europese Hof essentieel is om tot de unie te worden toegelaten. Na acht jaar touwtrekken heeft Turkije zich onlangs neergelegd bij een beslissing van het hof die het land al die tijd niet had opgevolgd. De kwestie draaide om de onwettige wijze waarop de Turkse regering land had bezet van etnische Grieken op Cyprus, dat op dramatische wijze is gesplitst in een Grieks en Turks gedeelte. Turkije geldt als het Europese land met de allerslechtste reputatie op het gebied van mensenrechten. In de afgelopen vijf jaar was het betrokken bij 41 van de 53 gevallen waarbij het Europese Hof onderzoek deed naar doodslag, zes van de zestien gevallen van marteling, en bijna de helft van de gevallen van mensonwaardige of vernederende behandeling. ‘Turkije spant zich nu behoorlijk in om de aanwijzingen van het hof op te volgen,’ merkt Egbert Myjer op, de rechter die namens Nederland in het hof zit. ‘Turkije heeft in het verleden geweld gebruikt tegen de Koerden. Er zijn zelfs Koerden vermoord. Maar nu gaat men anders te werk.’ Op enige afstand volgt Rusland als plek waar ernstige inbreuk wordt gemaakt op de mensenrechten, en dit jaar behandelt het hof zaken die samenhangen met de bloedige oorlog in de opstandige deelrepubliek Tsjetsjenië. Rusland staat thans ook centraal in het grootste nog onbesliste geschil bij het hof, een zaak uit 2004 waarbij is bepaald dat twee mensen wederrechtelijk worden gevangengehouden in Trans-Dniëstrië, een afgescheiden provincie van Moldavië die grotendeels onder controle staat van het Russische leger. Ondanks een herhaalde uitspraak van het hof heeft de Russische Federatie nog geen enkele actie ondernomen om iets aan de situatie te doen. Italië spant de kroon als land waartegen het grootste aantal klachten wordt ingebracht, in de meeste gevallen schendingen omdat mensen te lang op de behandeling van hun zaak door de rechter moesten wachten. Dit probleem speelt al meer dan twintig jaar en de functionarissen van het Europese Hof maken zich zorgen over de geringe voortgang bij de Italiaanse rechtbanken. Maar in het algemeen zijn de successen van het hof binnen de internationale rechtspraak opmerkelijk, gezien het feit dat het geen directe macht heeft om zijn beslissingen af te dwingen. Bij slechts een miniem deel van de bijna zesduizend vonnissen in de afgelopen dertig jaar is de uitvoering op problemen gestuit. Luzius Wildhaber, de Zwitserse voorzitter van het hof, zegt daarover: ‘We zijn natuurlijk een luis in hun pels, maar de regeringen beschouwen ons toch als onmisbaar.’ Volgens Wildhaber is het grootste probleem voor het hof op dit moment de ‘onstuitbare vloedgolf aan ingediende klachten’. De achterstand wat behandelde zaken betreft staat nu op 80.000. Dat leidt tot grote vertraging bij de rechtzittingen en uitspraken. De Raad van Europa, die het hof financiert, heeft recentelijk aangekondigd dat een budget wordt vrijgemaakt om nog eens vijftig rechters aan de staf van het hof toe te kunnen voegen. Een tweede knelpunt voor het hof is terrorisme, legt Wildhaber uit: ‘Mensenrechten worden dezer dagen niet meer automatisch erkend. De toename van terrorisme en de reactie daarop van democratische regeringen vormen beide een bedreiging voor de mensenrechten.’ Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zijn wortels in de geschokte gevoelens die alom heersten na het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen de hele wereld een grote walging ervoer over de barbarij van de nazi’s. Vol vuur werd betoogd dat de mensenrechten op nationaal niveau niet voldoende konden worden beschermd. Tenslotte had Duitsland op papier uitstekende mensenrechtenwetten gehad, maar Hitler oordeelde dat die niet golden voor joden, zigeuners, gehandicapten en iedereen die hij beschouwde als vijanden van het zogenaamde arische ras. De Verenigde Naties waren recentelijk opgericht met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als hoeksteen van het voorgenomen beleid. Maar dat was geen juridisch bindend document en menig Europees leider had een sterke behoefte aan een verdrag over de mensenrechten dat door de wet werd geschraagd. Zo werd in 1950 het Europese Conventie voor de Rechten van de Mens opgesteld en ondertekend. Dit verdrag is nog steeds het fundament van alles wat het Europese Hof doet. In de vorm van een lange reeks juridische uitspraken, die in de jaren vijftig bescheiden begon maar sinds de jaren zeventig steeds meer aan zelfvertrouwen heeft gewonnen, heeft het hof voor alle lidstaten de normen voor een gezamenlijk mensenrechtenbeleid afgebakend. De invloed van het hof nam enorm toe in de jaren negentig toen het verdrag werd ondertekend door regeringen uit Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. Door de jaren heen is een van de belangrijkste resultaten van het hof het bepalen van algemene normen voor mensenrechten in alle landen, ondanks hun zeer uiteenlopende culturele en juridische tradities. Het succes van het hof, dat ondanks de talrijke culturele verschillen overal in Europa – een werelddeel met 46 landen en 800 miljoen inwoners – eerbiediging van de mensenrechten weet te bevorderen, is grotendeels te danken aan het principe van de ‘Beoordelings Marge’, die individuele landen enige ruimte gunt bij het toepassen van beslissingen van het hof. Het hof richt zich op het resultaat van het mensenrechtenbeleid, niet op de methode waarmee het resultaat wordt bereikt. De Nederlandse rechter Egbert Myjer stipt aan dat het niet altijd de landen uit Zuid- of Oost-Europa zijn die bij de les moeten worden gehouden. ‘Wij dachten in Nederland dat we aan alle onderdelen van het verdrag voldeden en dat dit hof er alleen was voor anderen. Maar wij bleken ook hulp nodig te hebben. Er zijn aanpassingen verricht binnen de Nederlandse wetgeving omtrent het recht om bij een zaak getuigen te horen, bestuursrecht, gezinsrecht en de rechten van psychiatrische patiënten. Dit hof kan een soort spiegel zijn, waardoor je anders tegen jezelf gaat aankijken.’ Een toenemend aantal waarnemers denkt dat het tijd wordt voor een internationaal hof dat de mensenrechten in breder perspectief kan plaatsen, nu de economische globalisering doordringt tot elk hoekje van onze planeet. Jean-Paul Marthoz is een Belgische journalist. Hij schrijft veel over buitenlandse onderwerpen en was voorheen directeur Internationale Media van de invloedrijke organisatie Human Rights Watch, gevestigd in New York. Hij zegt: ‘Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een van de beste resultaten van het lange proces van integratie in Europa. Voor de rest gaat het toch vaak over economische deregulering en privatisering. Maar door het hof wordt het concept van de mensenrechten verder versterkt. Het is een goed model voor juridische instellingen op regionaal niveau en kan ooit wellicht ook uitmonden in een wereldrechtbank.’ Er bestaan al twee rechtbanken op regionaal niveau: het Afrikaanse Hof voor de Rechten van de Mens, opgericht in 1987 en gevestigd in Banjul, de hoofdstad van Gambia. En het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens, opgericht in 1979 en gevestigd in San Jose, in Costa Rica. Het Inter-Amerikaanse Hof telt vijfentwintig lidstaten, waaronder vrijwel alle Latijns-Amerikaanse landen plus enkele uit het Caribisch gebied, al doen de Verenigde Staten en Canada niet mee. Functionarissen van het Europese Hof onderhouden collegiale banden met hun vakgenoten op andere continenten, maar fronsen vaak sceptisch de wenkbrauwen zodra de gedachte aan een Wereldhof voor de Rechten van de Mens te berde wordt gebracht (zie inzet ‘De grote droom van de mensenrechten’). ‘Het unieke aan ons is volgens mij dat ons hele continent deze universele waarden deelt,’ was het diplomatieke antwoord van Luzius Wildhaber, de Zwitserse voorzitter van het hof, toen deze suggestie begin dit jaar werd gedaan op een persconferentie. Michael O’Boyle, een van de vier griffiers bij het hof, is nog wat openhartiger. ‘Het is een reuze aantrekkelijke gedachte, maar als je de problemen ziet waarmee de VN tegenwoordig worstelt en die normaal functioneren steeds lastiger maken, dan weet je dat het een luchtkasteel is.’ Toch geeft O’Boyle toe, dat hij werd verrast door wat er allemaal is gelukt sinds 1977, toen hij bij het hof kwam werken na jaren rechten te hebben gedoceerd in Noord-Ierland. Toentertijd was het verdrag slechts door negentien landen ondertekend, behalve Griekenland allemaal landen uit West-Europa. Zelfs Frankrijk, altijd bezorgd om haar soevereiniteit, had zich er pas drie jaar eerder bij aangesloten. ‘Ik had nooit verwacht dat dit hof zou worden wat het nu is,’ zegt hij met verbazing. Professor Henri Schermers is er al veel langer getuige wat het hof aan het worden is, en is optimistischer over de kansen van een wereldhof voor de mensenrechten. ‘Wat de Europese staten betreft heeft het hof bewezen dat het goed functioneert. Het is zeker haalbaar om het ook op wereldschaal te gaan doen.’



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
Arend Hulshof, the Netherlands